donderdag 10 september 2020

HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE DEEL 8

 BEDRIJFSAPOSTOLAAT EN ARBEIDSPASTORAAT (1943-2014)

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het septembernummer (2020-03) verscheen het achtste deel. Dit is een meer uitgebreide versie.

Deze serie over de geschiedenis van de katholieke diaconie ging tot nu toe vooral over de initiatieven van parochies, religieuzen en maatschappelijke organisaties. Een vierde diaconale actor, het categoriaal pastoraat, bleef onbelicht. Dat gemis wil ik in dit deel goed maken door in grove lijnen de geschiedenis te schetsen van een van de vormen van categoriaal pastoraat, n.l. het arbeidspastoraat. De andere actoren zijn in dit verhaal nooit ver weg, maar in alle fasen van zijn geschiedenis had het arbeidspastoraat als categoriaal pastoraat een eigen karakter en inbreng. Die was niet alleen diaconaal van aard, maar ook pastoraal en missionair. Overigens wordt het begrip ‘arbeidspastoraat’ pas vanaf eind jaren tachtig gebruikt. Aanvankelijk stond het vooral bekend als ‘bedrijfsapostolaat’, terwijl in de jaren zeventig meer gesproken werd van ‘industriepastoraat’ of ‘bedrijfspastoraat’. De naamwijzigingen zijn niet toevallig, ze geven een verschuiving aan in de inhoud en de doelen van het werk.

 

EERSTE FASE: BEDRIJFSAPOSTOLAAT

Als geboortejaar van het arbeidspastoraat wordt vrij algemeen september 1943 aangehouden, als geboorteplaats Kerkrade. Een jongeman, Klaus Nievelstein, had de aalmoezenier van sociale werken Edmund Beel de suggestie gedaan om te beginnen met ‘apostolaat in de mijn’. Beel besprak dit idee met de ondergrondse opzichter Augustus en daaruit ontstond het plan om in de mijn apostolaatskernen te vormen. Die groepen zouden moeten bestaan uit leden van dezelfde afdeling van de mijn, die, elkaar kennend en steunend, het milieu waar ze werken proberen te doordesemen met een christelijke geest. Het plan viel in goede aarde. Al in november 1943 kwam de eerste kern bij elkaar in de dominiale mijn. Het werk ging ‘Katholieke Aktie op de Mijn’ heten, omdat onder de Duitse bezetting geen vrije organisaties mochten functioneren; alleen strikt-kerkelijke activiteiten ontkwamen aan toezicht van het naziregime. Later sprak men van ‘apostolaatskernenwerk’ en ‘bedrijfsapostolaat’. Onder die laatste naam zou het werk breder bekend worden en zich gaan verspreiden.

 

Categoriaal pastoraat

Het apostolaatskernenwerk kan gezien worden als een praktisch antwoord op het probleem, dat de katholieke kerk de arbeiders die werkzaam waren in de mijnen – en breder gezien in de industrie – meer en meer dreigde te verliezen. De wereld van de arbeid bleek een veel grotere invloed op het leven en het geloof van de arbeiders te hebben dan de kerk had gedacht. Economie en techniek, arbeidsdeling en scheiding tussen wonen en werken leidden tot een ander levensbesef en structurering van de tijd bij de arbeiders. Die werkelijkheid van de industriële samenleving was vreemd voor de kerk, die nog sterk gericht was op de agrarische samenleving. De kerk benaderde de mensen vooral via de parochie en de katholieke organisaties, die parochieel waren georganiseerd. In deze aanpak stond het woonmilieu centraal. Daartegenover ging het apostolaatskernenwerk uit van het werkmilieu: mijnwerkers werden bij elkaar gebracht omdat zij samen werkten, niet omdat zij bij elkaar in de buurt woonden. Doel van dit werk was de ontkerstening in te dammen en de wereld van de arbeid te herkerstenen. Terwijl de parochie territoriale zielzorg bedreef, wijdde het bedrijfsapostolaat zich aan categoriale zielzorg.

 

Geestelijke wortels

Het bedrijfsapostolaat startte niet geheel van een nulpunt. Bij de ontwikkeling van het apostolaatskernenwerk konden Beel c.s. voortbouwen op oudere initiatieven van lekenapostolaat en zielzorg. Voor het lekenapostolaat kan je denken aan:

  • het ‘Credo Pugno’-werk (‘Ik geloof (en daarom) strijd ik’), ontstaan in 1904 vanuit de R.K. Werkliedenbond in Limburg en in de jaren dertig ook nagevolgd in de vier andere diocesane werkliedenbonden. De Credo-Pugno-groepen bestonden uit goed gevormde en overtuigde arbeiders, die als leken-apostelen propaganda konden bedrijven voor de katholieke arbeidersbeweging en tegenwicht konden bieden tegen antigodsdienstige geluiden op de werkplaats.
  • de Katholieke Actie, die in Nederland relatief laat (1936) tot stand kwam en zich richtte op de (her)kerstening van individu, gezin en samenleving.

Bij de zielzorg ging het om ervaringen met de functie van geestelijk adviseur (veelal een bijbaan) en de vrijgestelde ‘aalmoezenier van sociale werken’, terwijl later ook het model van de Franse priester-arbeiders invloed uitoefende.

 

Verspreiding

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde het bedrijfsapostolaat zich snel. In het bisdom Roermond kregen steeds meer priesters de opdracht om in hun regio aan bedrijfsapostolaat te gaan doen. In 1958 kende Limburg 91 kernen met 1142 leden in de mijnen en nog eens 68 kernen met 591 leden in fabrieken en werkplaatsen. Voor dit werk waren op dat moment 18 priesters vrijgesteld.

Ook elders werd gestart met dit werk. Eind 1947 organiseerde het Landelijk Bestuur van de Katholieke Actie een bijeenkomst over de mogelijkheden om in het hele land te komen tot apostolaatskernenwerk. Vanaf 1948 namen ook gasten uit andere bisdommen deel aan de jaarlijkse weekends van het Limburgse bedrijfsapostolaat. Die contacten hebben zeker een rol gespeeld bij de ontwikkeling van het bedrijfsapostolaat. Toch waren de aanzetten telkens verschillend.

In het bisdom Den Bosch lag het initiatief bij de Katholieke Arbeidersbeweging. Na een lezing van Beel op een Credo-Pugno-studieweekend in 1948 in Tilburg besloot de KAB tot de oprichting van ‘Bedrijfs-Credo-Pugno’s’. Bisschop Mutsaerts gaf hiervoor toestemming en zo begonnen in 1950 in Tilburg en Helmond de eerste bedrijfsaalmoezeniers, veelal paters kapucijnen. Een jaar later begonnen de karmelieten in Oss.

In het bisdom Breda strandden de eerste initiatieven juist op competentiekwesties met de KAB. Uiteindelijk werd in 1951 kapelaan G. de Vet benoemd als bedrijfsaalmoezenier, mede op aanraden van een Bredase ondernemer en een personeelschef.



Het initiatief in het bisdom Haarlem lag bij religieuzen zonder relatie met de katholieke arbeidersbeweging. In de stad Rotterdam hadden de Jezuïeten in 1947 afscheid genomen van het parochiewerk om zich gaan bezig te houden met sociaal en charitatief werk. Vier paters betrokken een gewoon huis aan de Heemraadsingel onder de naam ‘Katholiek Sociaal Centrum’, dat in 1952 werd omgedoopt in Bedrijfsapostolaat. Met gespreksavonden en huisbezoeken wilden zij “werken aan de vestiging van het Rijk Gods onder de proletariërswereld van geheel Rotterdam, om daarmede opnieuw een poging te wagen een apostolaatsmethode te vinden, die het angstwekkende vraagstuk van het ontkerstende proletariaat tot een oplossing zou helpen brengen.” Al snel ontdekten zij, dat niet zozeer de arbeiders het probleem waren als wel de structuur van het bedrijfsleven zelf. Niet de arbeiders moesten naar de kerk, maar de kerk naar de arbeiders. Via veel bedrijfsbezoeken vergaarden de bedrijfsaalmoezeniers kennis over de industriële wereld en legden contacten met de arbeiders. Vervolgens werden kernen op de bedrijven opgericht, die zich richtten op het humaniseren van het bedrijfsleven. “De kernen moesten de christelijke kernleden vormen tot bewuste christenen, zelfstandig denkend en handelend vanuit het Evangelie; tot mannen en vrouwen met verantwoordelijkheidsgevoel voor hun werk, hun bedrijf, hun collega’s,” blikte pater Segers jaren later terug.

Het werk van de Jezuïeten in Rotterdam breidde zich gestaag uit en volgde de ontwikkeling van de havens en de industrie. Er kwamen in de jaren vijftig en zestig werkeenheden bij op Zuid, in Schiedam, Rozenburg en Vlaardingen. En het voorbeeld kreeg navolging. Een van de jezuïeten uit Rotterdam ging in 1950 naar Amsterdam om daar het arbeidspastoraat op te zetten. Ook franciscanen en kapucijnen werden in de hoofdstad actief, terwijl de karmelieten zich gingen richten op werkende vrouwen en meisjes. Al in 1949 was een kapucijn benoemd in Beverwijk voor de industrie in de IJmond. In 1954 begonnen de redemptoristen in Den Haag met het werken onder ambtenaren en enkele bedrijven, in 1958 gingen de Augustijnen zich richten op het horecapersoneel aldaar. Opmerkelijk is verder, dat in 1954 alle initiatieven van bedrijfsapostolaat in het bisdom Haarlem worden ondergebracht in een aparte kerkelijke instelling en ook gefinancierd gaan worden door het bisdom.

Het aartsbisdom Utrecht bleef wat achter. Wel startte in 1954 een bedrijfsaalmoezenier in Arnhem, mede op verzoek van een katholieke directeur van de AKU, later gevolgd door initiatieven in Apeldoorn/Deventer, Twente en Emmen.

Samengevat,  aan de verspreiding en ontwikkeling van het bedrijfsapostolaat lag dus geen blauwdruk ten grondslag. Op elke werkplek werd gepionierd, en afstemming en overleg vonden vooral plaats binnen het eigen bisdom. Later kwam er ook meer overleg tussen de verschillende bisdommen, wat in 1963 resulteerde in de oprichting van de Landelijke Contactraad voor het Bedrijfsapostolaat (LCR). Aanvankelijk lag de nadruk op de herkerstening van de arbeiders. Dat trachtten de bedrijfsaalmoezeniers te bereiken via kerngroepenwerk, bedrijfsbezoek en huisbezoek. Langzaamaan verschuift de aandacht naar zielzorg voor de individuele arbeiders en naar de verhoudingen en het menselijk samenwerken in de bedrijven. Het werk was vooral bedrijfsgericht.

 

TWEEDE FASE: SOLIDARISERING

Door de vele contacten in de bedrijven verschuift in de loop van de jaren zestig de aandacht van de bedrijfsaalmoezeniers van individuele zorg voor mensen naar een analyse van de situaties waaruit de vragen van de arbeiders voortkwamen. Dat leidde vaak ook tot een kritischer houding ten aanzien van het bedrijfsbeleid. Voor die analyse en reflectie brachten de bedrijfsaalmoezeniers mensen uit een bedrijf bijeen in gespreksgroepen, die niet alleen bestonden uit de arbeiders maar waarin alle lagen van het bedrijf vertegenwoordigd waren. Daar werden de centrale vragen of belangen besproken met methoden van groepswerk en volwassenenvorming. Dit leidde ook tot gemeenschapsvorming, in sommige plaatsen zelfs tot alternatieve vormen van kerkgemeenschap.  Dat is niet zo vreemd. Anders dan in Limburg werkten de bedrijfsaalmoezeniers in het westen in een levensbeschouwelijk meer verdeelde en ook meer geseculariseerde samenleving. Vanaf het begin hebben zij meer belang gehecht aan de sacramentele functie van de priester in de wereld van de arbeid door ook geregeld ‘bedrijfsmissen’ in de verschillende bedrijven te organiseren. Begin jaren vijftig organiseerden de jezuïeten in Amsterdam ook met Kerstmis speciale nachtmissen voor arbeiders in de Apollohal. En toen in 1958 de jezuïeten in Rotterdam-Zuid een nieuw centrum voor het bedrijfsapostolaat openden, had dat ook een eigen kapel voor 80 mensen.

Aan het eind van de jaren zestig bereikte het bedrijfsapostolaat zijn grootste omvang:

 

Tabel: aantal bedrijfsaalmoezeniers in 1969

 

Bisdom

Priesters

Paters

Zusters/broeders

Totaal

Breda

4

10

1

15

Den Bosch

8

9

 

17

Groningen

 

1

 

1

Haarlem

3

16

6

25

Roermond

?

?

 

12

Rotterdam

 

11

 

11

Utrecht

3

2

 

5

 

18

61

7

86

Bron: Pendelen tussen werk en kerk, p. 10

Naast deze 86 katholieke bedrijfsaalmoezeniers waren in 1969 ook nog 12 industriepredikanten actief, met een eigen landelijk bureau. Aan katholieke kant werd in 1969 de LCR  om gevormd tot de stichting Bedrijfsapostolaat Nederland, die ook een eigen bureau en directeur kreeg, omdat er  steeds meer zaken op landelijk niveau speelden. Beide bureaus werden in 1972 samengevoegd tot het landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK).

Ook in deze fase waren de belangrijkste methoden van het bedrijfsapostolaat kerngroepenwerk, bedrijfsbezoeken en huisbezoeken. Maar naast het bedrijfsgerichte werk kwam ook een kerkgericht spoor op. Het bedrijfsapostolaat wil een platform zijn voor de dialoog tussen kerk en wereld en zijn ervaringen met de wereld van de arbeid terugkoppelen naar de parochies.

 

Arbeidsmigranten

Was Nederland in de jaren vijftig nog een emigratieland geweest, omdat er te weinig werkgelegenheid was, dat veranderde rond 1960. De zware industrie, zoals de Hoogovens en de metaalindustrie, kreeg behoefte aan meer arbeidskrachten. Die waren niet in Nederland voorhanden. Daarom werden mensen geworven uit het Middellandse Zeegebied. Aanvankelijk waren dat mensen uit overwegend katholieke landen als Italië, Spanje en Portugal, later ook uit Turkije (vanaf 1964) en Marokko (vanaf 1969). In hun benaming ‘gastarbeiders’ kwam tot uiting, dat zowel de overheid als zijzelf er van uitgingen, dat hun verblijf tijdelijk zou zijn. Een aantal bedrijfsaalmoezeniers raakte betrokken bij de opvang van hen, zowel op de bedrijven als in de stad. Ze traden op als tolk, vulden formulieren in voor de Belastingdienst, adviseerden migranten bij hun pogingen tot familiehereniging, bij het betalen van de  huur etc. En ze verzorgden soms ook de zielzorg. Tot 1973 lag de verantwoordelijkheid daarvoor bij de bisschoppenconferenties uit de landen van herkomst.  Pas in 1975 zou de landelijke stichting Allochtonen Zielzorg worden opgericht, later Cura Migratorum, geheten, die ging zorgen voor het migrantenpastoraat. Maar de aandacht voor de situatie van arbeidsmigranten werd een blijvende onderstroom.

 

DERDE FASE: POLITISERING

In 1971 publiceerden twintig bedrijfsaalmoezeniers en industriepredikanten een ‘Open Brief betreffende de positie van mensen in het bedrijfsleven’ als vervolg op een gezamenlijke studieweek over macht. Tijdens die studieweek hadden zij geconstateerd, dat zij allemaal bezorgd waren over de onmondigheid en onvrijheid van mensen in hun werksituatie. In de Open Brief, gericht aan “de kerken en alle personen en instanties, die verantwoordelijk zijn voor de menselijke waardigheid in het maatschappelijk leven’, maakten zij hun zorgen over onmondige structuren op de werkvloer publiek. De hele geïndustrialiseerde samenleving werd gezien als een maatschappelijk systeem, dat de prestatiemaatschappij opdringt en mensen reduceert tot kostenfactor. Daartegenover stelden zij dat mensen medeverantwoordelijk wilden zijn, ook in en voor de arbeidssituatie.

De brief riep veel reacties op en werd druk besproken in de media en door werkgevers en vakbonden, het minst nog door de eerst geadresseerden: de kerken.

Het bleef niet bij woorden. Begin jaren zeventig groeiden de arbeidsonrust en werkloosheid. In 1972 was het bedrijfsapostolaat actief betrokken bij de eerste bedrijfsbezetting in Nederland op de ENKA-fabriek in Breda. De industriepastores liepen voorop bij de grote protestdemonstratie en gaven ook een boekje ‘Noodsignalen’ uit, waarin de arbeiders zelf aan het woord kwamen. Die partijkeuze is hen door de bedrijfsleiding niet in dank afgenomen; de financiering van het bedrijfsapostolaat door het bedrijf werd stopgezet. Wel ging de voorgenomen sluiting van de fabriek niet door en bleef de werkgelegenheid nog tien jaar behouden. ook elders kozen bedrijfsaalmoezeniers steeds meer voor een solidarisering met mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

 

Crisis

Het werk raakte op veel plaatsen in een crisis, niet alleen vanwege de verslechterende economie, maar ook vanwege binnenkerkelijke ontwikkelingen. Veel bedrijfsaalmoezeniers verlieten het ambt of gingen in een parochie werken. En kernen en gespreksgroepen stopten, omdat de arbeiders weinig belangstelling voor hun verhalen ontmoetten vanwege de interne kerkstrijd. Voor nieuwe krachten werd de toegang tot de bedrijven steeds moeilijker. Dat had niet alleen te maken met de opstelling van de bedrijfsaalmoezeniers. Structurele veranderingen bij de bedrijven speelden minstens zo’n grote rol. Om er enige te noemen: toenemende mechanisering en automatisering veranderden of vervingen zelfs het werk van de arbeiders en belemmerden de toegang en bewegingsvrijheid van buitenstaanders; een nieuwe generatie werkgevers en managers had minder kerkelijke binding; bedrijven hadden inmiddels hun eigen personeelsfunctionarissen, maatschappelijk werkers en bedrijfspsychologen aangesteld en hadden geen bedrijfsaalmoezeniers meer nodig voor het bevorderen van de interne verhoudingen en een goed arbeidsklimaat.

 

Arbeidspastoraat

Ondanks deze moeilijkheden overleefde het bedrijfsapostolaat deze crisis, omdat de bisdommen het belang van dit werk bleven zien. Overal kwam het tot een herziening, in het aartsbisdom Utrecht zelfs tot een nieuwe start. Dat kwam ook tot uiting in een nieuwe naam: industriepastoraat of bedrijfspastoraat. In de loop van de jaren tachtig raakte vrij algemeen de benaming arbeidspastoraat in zwang. Die naam brengt de bredere focus tot uitdrukking, dat de aandacht niet meer alleen gericht is op werken in industriële bedrijven, maar op de rol van arbeid en niet-arbeid in de samenleving. Het aantal werkers groeide weer wat tot vijftig katholieke arbeidspastores, waarvan de meesten pastoraal werker, en tien arbeidspredikanten. Op veel locaties werkten ook een groot aantal vrijwilligers mee.

 

Zondag van de Arbeid

Begin jaren tachtig verenigden de arbeiders binnen DISK zich in een eigen beweging, de Zevenbergse Conferentie. Ze wensten dat de katholieke kerk krachtiger stelling nam tegen het kapitalistisch stelsel en een Zondag van de Arbeid zou instellen rond 1 mei. De contacten met de bisschoppen verliepen moeizaam en de Zevenbergse Conferentie zou zich in later jaren vooral concentreren op eigen conferenties en analyses vanuit de ervaringen van de arbeiders. Wel werd in 1984 de Zondag van de Arbeid ingesteld, waarvoor het landelijk bureau DISK tot zijn opheffing jaarlijks het werkmateriaal samenstelde. Tegenwoordig doet de Raad van Kerken dat. Voor de arbeidspastores vormde deze themazondag een belangrijk hulpmiddel om in de territoriale parochies aandacht te vragen voor actuele ontwikkelingen rond arbeid en inkomen en hun werk te presenteren. Wel moest vanaf het begin de Zondag van de Arbeid in de parochieplanning concurreren met de viering van de Eerste Communie en soms ook met de Zondag voor de Oosterse Kerken. Naarmate het aantal arbeidspastores afnam, verminderde ook het aantal parochies dat aandacht besteedde aan de Zondag van de Arbeid.

    
                                                Materiaal voor Zondag van de Arbeid 1998


VIERDE FASE: HERNIEUWDE PASTORALE FASE

De verminderde toegang tot de bedrijven had noodgedwongen geleid tot een andere invulling van het bedrijfsgerichte spoor. Daarbij kwam de economische crisis van begin jaren tachtig met hoge werkloosheidscijfers en een grote uitstoot van arbeiders in de WAO. De aandacht van arbeidspastores voor mensen aan de onderkant in de bedrijven breidde zich uit naar mensen die tijdelijk of definitief buiten het arbeidsproces waren geplaatst: werklozen, arbeidsongeschikten, vutters e.d. Of ze gingen zich richten op mensen met laagbetaalde banen in andere sectoren dan de zware industrie: landbouw, zorginstellingen, schoonmaakbedrijven, pakjesbezorgers. Sommige arbeidspastores gingen zelf in deeltijd meewerken in een laagbetaalde functie om van binnenuit te ervaren wat dit betekent. Anderen kozen ervoor aanwezig te zijn in inloophuizen en ontmoetingsplekken voor werklozen en arbeidsongeschikten en zo de nodige ervaring op te doen. Ook kregen zij oog voor andere kwetsbare groepen: jongeren, vrouwen in de bijstand, migranten, flexwerkers, thuiswerkers.

Vanuit deze presentie in de wereld van laagbetaalde arbeid en van mensen zonder baan reflecteerden de arbeidspastores op hun ervaringen en ontmoetingen en verdiepten die via analyse en studie. De resultaten presenteerden zij vervolgens in kerkelijke bijeenkomsten en groepen en in het publieke debat.

 

Armoede

Luisterend naar de verhalen van de mensen die zij in hun werk ontmoetten, kwamen de arbeidspastores er in de jaren tachtig achter dat armoede nooit was weggeweest uit het rijke Nederland. Samen met de Raad van Kerken organiseerde DISK daarom in 1987 de eerste landelijke conferentie ‘De arme kant van Nederland’ en begon men ook een langjarige campagne tegen verarming en verrijking. Zowel landelijk als regionaal en plaatselijk waren arbeidspastores actief betrokken in deze campagne via ondersteuning van groepen van getroffenen, ontwikkelen van materiaal, organiseren van kerkelijke bijeenkomsten en acties naar de politiek.

 


 VIJFDE FASE: TOERUSTING EN DIENST

Vanaf het eind van de jaren negentig kreeg het kerkelijke spoor noodgedwongen een steeds groter accent. Wanneer bisdommen het arbeidspastoraat nog bleven financieren, gebeurde dat onder de voorwaarde dat de arbeidspastores zich steeds meer moesten richten op de toerusting van parochies rond vragen van arbeid en (gebrek aan) inkomen. Dat kwam ook tot uitdrukking in de organisatie van het werk. Meer en meer werden arbeidspastores onderdeel van de dekenale dienstverleningsstructuur. Tegelijk nam de aandacht en ruimte voor maatschappelijke vraagstukken in de parochies af vanwege fusieprocessen en kerksluitingen. Terwijl de belangrijkste reden voor het bestaan van het bedrijfsapostolaat en het arbeidspastoraat altijd de presentie van de kerk in de wereld van de arbeid was geweest, eerst om de wereld te herkerstenen, later om de kerk te voeden met ervaringen uit het werkmilieu, werd de ruimte voor presentie in de seculiere wereld steeds kleiner en werd daarmee ok de voedingsbodem voor de terugkoppeling naar de parochies steeds schraler. Daarmee kwam een einde aan het arbeidspastoraat als categoriaal pastoraat.

Opvallend is, dat in de laatste fasen het landelijk bureau van DISK relatief gezien een steeds belangrijker functie kreeg als centrum, van waaruit de parochies en kerkelijke gemeenten gevoed werden met waardevolle informatie en bruikbare werksuggesties rond de maatschappelijke vragen van arbeid en inkomen. Maar eind 2014 kwam ook daaraan een einde.

 

 

Belangrijkste bronnen:

 

Heleen van Andel, Met wie niet zacht wordt omgesprongen. 50 jaar Arbeidspastoraat bisdom Rotterdam, Rotterdam, 1998

 

Hub Crijns, Herman Noordergraaf, Eef van Vilsteren, Pendelen tussen werk en kerk. Verhalen rond de opkomst van het bedrijfsapostolaat, 1943-1976, Gorinchem, 1994

 

Rob Kuppens en Hub Crijns, Present tussen werk en kerk. Verhalen rond het arbeidspastoraat 1975-2006, Gorinchem 2008

 

Henk Meeuws, Geloof in arbeid. Een praktisch-theologische studie over het huidige arbeidspastoraat in Nederland 1943-1992, Den Haag 1993 (niet gepubliceerd onderzoek)

 

John Veldman, Project Bedrijfspastoraat. Een historisch en theologisch onderzoek naar een verantwoord spreken van de gelovige in de economie. Kampen 1998

 

 

donderdag 11 juni 2020

Historische modellen van diaconie. Deel 7.


VAN DE INVOERING BIJSTANDSWET (1965) TOT HEDEN


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het juninummer (2020-02) verscheen het zevende deel. 


In de vorige drie delen heb ik de ontwikkelingen op het gebied van de katholieke armenzorg beschreven in de anderhalve eeuw tussen de Bataafse Republiek en de invoering van de Bijstandswet (1795-1965). Achtereenvolgens kwamen aan de orde de armbesturen (deel 4), de congregaties en lekenverenigingen (deel 5) en het maatschappelijk werk en de sociaal-charitatieve centra (deel 6). Nu zijn we aanbeland bij de recente geschiedenis, die de meesten van ons actief hebben meegemaakt.

In haar geschiedenis van de Zusters van ‘De Voorzienigheid’ constateert Annelies van Heijst een opvallende verschuiving in het zelfverstaan van deze vrouwelijke religieuzen in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze spreekt zelfs over een verandering van paradigma (Liefdewerk, p. 281). Ruim een eeuw had bij deze zusters de caritas centraal gestaan. Vanuit hun gelovige overtuiging dat ze van Godswege een overschot aan liefde hadden ontvangen, hadden zij zich belangeloos ingezet voor kwetsbare mensen naar wie verder niemand omkeek. Het begon bij deze congregatie met kinderzorg en onderwijs aan wezen en halfwezen in Amsterdam. Later gingen de zusters zich ook inzetten voor bejaardenzorg, verpleging, gezinszorg en maatschappelijk werk in veel dorpen en steden in heel Nederland en zelfs daarbuiten in missiegebieden. In al deze activiteiten was er een nauwe band tussen de godsdienstige levensbeschouwing van de zusters en hun institutioneel verankerde zorgende bezigheden.


In de jaren zeventig ruilden de zusters het paradigma ‘caritas’ in voor dat van ‘recht en gerechtigheid’. Verschillende factoren speelden daarbij een rol. De maatschappelijke invloed van de kerk was verminderd, actieve congregaties hadden geen jonge aanwas meer en de liefdewerken verkeerden in afbouw. De zusters gingen zelf meer spreken in termen van ‘sociaal werk’ en ‘professionele vakbekwaamheid’ en verzwegen het godsdienstige in hun zorg. En maatschappelijk genoot de politiek-juridische aanpak van sociale ongelijkheid veel meer populariteit dan de godsdienstig-zedelijke en zorgende aanpak van de caritas. Het werken aan rechtvaardige structuren werd belangrijker gevonden dan liefdadig handelen.

Deze verschuiving deed zich niet alleen voor bij de Zusters van de Voorzienigheid en andere congregaties. In de jaren zestig en zeventig zien we in de parochies werkgroepen Kerk en Samenleving opkomen. De vredesbeweging Pax Christi ontwikkelde zich in de jaren zestig van een katholieke vroomheidsbeweging tot een politieke pressiegroep. En het werken aan ontwikkeling en bevrijding kwam in de plaats van missie.

Algemene Bijstandswet

De invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 past ook in dit plaatje. Tot dan had de uitvoering van de armenzorg primair in handen gelegen van particuliere en kerkelijke organisaties, hoewel de rol van de overheid steeds groter was geworden (zie deel 4). En de hulp had het karakter gehad van een gunst, waarvan de hoogte bijna nooit hoog genoeg was om in het levensonderhoud te voorzien. Nu nam de overheid de rechtsplicht op zich om financiële bijstand te verlenen aan iedere Nederlander die in zodanige omstandigheden verkeerde of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Daarmee garandeerde de overheid een bestaansminimum. Het recht op bijstand werd vastgesteld op basis van het inkomen en het vermogen van de aanvragers. “Ik hoop dat iedere burger zal beseffen dat hij met opgeheven hoofd een beroep op deze wet kan doen,” aldus minister Klompé bij de presentatie van de wet in 1963.
Aanvankelijk functioneerde de bijstandswet als een soort kaderwet. De uitvoering kwam in handen van de gemeentelijke sociale diensten, omdat die het meeste inzicht hadden in de situatie van de individuele bijstandsgerechtigden. Het rijk verstrekte een minimumuitkering, die vanaf 1969 werd gerelateerd aan het minimumloon. Gemeenten konden vervolgens zelf bepalen welk bedrag ze daarop toelegden. Bijstandsgerechtigden in grote steden als Amsterdam ontvingen zo vaak aanzienlijk meer geld dan in de meeste kleine plattelandsgemeenten. Vanaf de jaren zeventig werd er steeds meer gewerkt met uniforme landelijke normbepalingen.

Parochiële Charitasinstellingen

De vaststelling van de Bijstandswet in 1963 was voor de Nederlandse bisschoppen aanleiding om het oude ‘Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid’ (uit 1855) grondig te herzien. “Veel van hetgeen voorheen werd beschouwd als een uiting van charitas, wordt heden ten dage echter gezien en ervaren als het voldoen aan een eis van rechtvaardigheid,” aldus de bisschoppen in hun toelichting (p. 12). “Door algemene sociale voorzieningen beoogt de maatschappij zelf vele materiële noden te voorkomen of op te heffen.” Ook is er een breed netwerk ontstaan van katholieke particuliere organisaties op het gebied van het maatschappelijk werk, de geestelijke en maatschappelijke gezondheidszorg, e.d. Voor die katholieke instellingen op charitatief en maatschappelijk gebied in het algemeen wordt nu een aparte regeling gemaakt. Tegelijk blijven de bisschoppen een rol zien voor de oude parochiële armbesturen. Niet als orgaan voor specialistische hulp of controle op allerlei maatschappelijke initiatieven, wel als een orgaan dat “door het verwerven en beheren van middelen de parochie in staat stelt om werken van christelijke charitas te beoefenen” en dat nieuwe initiatieven vanuit de samenleving ondersteunt. Die nieuwe functie komt ook tot uitdrukking in een nieuwe naam: ‘parochiële charitas-instelling’. De invulling van de ‘werken van christelijke charitas’ wordt bewust opengelaten, zodat die kan worden afgestemd op de plaatselijke behoeften. Wel noemt de toelichting drie concrete taken voor de nieuwe instelling:
  • Het verlenen van financiële bijstand aan personen en gezinnen.
  • Dienstverlening aan het katholiek particulier initiatief. Het kan dan gaan om aanvullende subsidie voor het katholiek maatschappelijk werk, de oprichting van organisaties voor nieuwe noden of ondersteuning van vrijwilligerswerk.
  • Zelf uitvoerend optreden op het terrein van de noodverlening, wanneer er witte vlekken zijn en niemand anders het initiatief neemt.

Overigens houdt dit Algemeen Reglement voor de parochiële caritasinstelling uit 1964 nog de mogelijkheid open, dat het bestuur nog eigen gestichten, inrichtingen en tehuizen onder haar beheer heeft.

In de jaren zestig en zeventig wordt het socialezekerheidsstelsel verder uitgebouwd en breidt de welzijnssector zich sterk uit door toenemende subsidiëring (tot 100 procent) en professionalisering. De groeiende invloed van de overheid en de ontkerkelijking in de samenleving leiden ook tot een geringere invloed van levensbeschouwing. De eigen katholieke instellingen voor b.v. jeugdzorg, gezinszorg en bejaardenzorg gaan op in grotere neutrale verbanden.

PCI-en

Begin jaren tachtig maken L. Brouwer en E. Schraven de balans op van de inzet van katholieken voor mensen in nood. Ze constateren grote verschillen in en tussen de bisdommen. Enige bisdommen konden geen cijfermateriaal over hun PCI-en verstrekken. De andere gaven aan, dat er grote onderlinge verschillen bestonden. De helft had een vermogen van minder dan 50.000 gulden, terwijl sommige konden beschikken over meer dan een miljoen gulden. Vooral in de steden waren de verschillen groot: PCI-en van oude parochies waren doorgaans rijk, PCI-en van nieuwe parochies arm.
Die verschillen tussen de bisdommen zien we terug in onderstaande tabel uit 1991:

Bisdommen
Parochies
PCI-en
Percentage
Den Bosch
376
70
18,5 %
Roermond
360
50
13,9 %
Utrecht
351
280
79,8 %
Haarlem
212
160
75,4 %
Rotterdam
202
120
59,4 %
Breda
166
140
84,3 %
Groningen
96
39
40,6 %




Totaal
1763
859
48,7 %
Bron: Diakonie & Parochie, november 1991, p. 7


De spreiding is opvallend. Verschillende factoren spelen daarbij een rol. Het bisdom Roermond is nooit meegegaan met de omvorming naar caritasinstellingen. Daar bleven de oude armenbesturen en Vincentiusverenigingen actief (zie ook Hub Vossen in D&P 2017/3). Een aantal armbesturen was in de jaren vijftig opgegaan in een Sociaal Charitatief Centrum, dat zich vervolgens ontwikkelde tot een algemene welzijnsinstelling. In overwegend katholieke streken bestond er wellicht ook minder behoefte om een instelling aan de parochie gekoppeld te houden. En met de ontwikkeling van de verzorgingsstaat werd ook de noodzaak van een aparte instelling voor noodhulp vanuit de parochie minder gevoeld. Dat leidde enerzijds tot afwachtende besturen, die gaandeweg de band met de parochie verloren, en anderzijds tot minder aandacht vanuit de bisdomleiding, waardoor instellingen soms uit het zicht verdwenen.

De band met de parochie werd in 1991 weer aangehaald in het nieuwe Algemeen Reglement voor het bestuur van een PCI. Door de economische crisis van begin jaren tachtig was ook het nut van een PCI als vangnet achter de sociale voorzieningen weer zichtbaar geworden.

Diaconie


Keren we terug naar de inventarisatie van Brouwer en Schraven uit 1984. De inzet van katholieken voor mensen in nood is bij hen veel breder dan alleen het werk van de caritasinstellingen, die zij onder het hoofdje ‘fondsen’ behandelen. Binnen kerkelijk verband zoomen zij ook in op het werk van parochies en religieuzen, daarbuiten op een veelheid van instellingen en stichtingen, die vaak hun wortels hadden in kerkelijke initiatieven. Dat alles vatten zij samen onder de noemer ‘diaconale activiteiten’. ‘Diaconie’ is kennelijk begin jaren tachtig een algemene bekend begrip geworden in katholieke kring, dat zij omschrijven als hulp verlenen aan mensen die hulp behoeven. Qua doelgroep is diaconie veel ruimer dan caritas: diaconie richt zich niet alleen op de eigen parochianen die moeten leven in armoede, maar op alle mensen in nood, zowel dichtbij als ver weg. Maar gaandeweg het rapport blijkt nog een ander verschil, de eerder genoemde paradigmawisseling van caritas naar sociale gerechtigheid. Brouwer en Schraven constateren grote verschillen in opvattingen over diaconie in de parochies en bisdommen. Tegenover de opvatting dat diaconie gewoon caritas is en dat geholpen moet worden waar dat nodig is staat de zienswijze, dat echte diaconie ‘oorzaak gericht’ (gerechtigheid) moet zijn.

Het gerechtigheidsparadigma gaat ook het werk van de PCI-en kleuren. Een mooi voorbeeld biedt het artikel ‘PCI weer armbestuur?’ (D & P 1991, nr. 2, p. 11-18). Daarin worden vijf manieren genoemd waarop PCI-en kunnen werken aan het bestrijden van armoede:

1. druk op politiek verantwoordelijken.

2. naast belanghebbenden gaan staan.

3. meewerken aan structurele verbeteringen.

4. beïnvloeden van de eigen achterban.

5. geld of goed aan direct betrokkenen geven. Waarbij als voorkeur wordt uitgesproken, dat die hulp indirect gebeurt, b.v. via een gezamenlijk noodfonds of een eigen fonds van uitkeringsgerechtigden.








Het rapport heeft grote invloed gehad en leidde tot de oprichting van het Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad en van daaruit tot de uitgave van dit tijdschrift Diakonie & Parochie en de website rkdiaconie.nl. Andere belangrijke initiatieven in de jaren tachtig waren de zittingen van het Landelijk Pastoraal Overleg-IV over (parochiële) diaconie en de multimediale cursus over Kerk en Samenleving ‘Om u te dienen’, waaraan zeker 600 cursusgroepen in heel het land hebben deelgenomen.


Barmhartigheid

De economische crisis van de jaren tachtig bracht het inzicht, dat met de Bijstandswet en andere sociale voorzieningen de armoede Nederland nog niet uit was. De kerken gingen aandacht vragen voor de arme kant van Nederland en PCI-en zagen lokaal weer een taak voor zich. Aan het eind van de twintigste eeuw ging de slinger weer de andere kant op. Had het gerechtigheidsdenken de aandacht gericht op de structurele oorzaken van materiële en immateriële noden en op de macro-aspecten, nu won de barmhartigheid aan populariteit. Wim Verschuren, frater van Tilburg, blies het stof af van de oorspronkelijke inzet van zijn broedercongregatie en startte in 1998 met de Beweging van Barmhartigheid. De zeven lichamelijke werken van barmhartigheid werden herontdekt. Vanwege hun verbinding met basale menselijke behoeften als voedsel, kleding, onderdak en aandacht bleken zij ook hedendaagse mensen aan te spreken en richting te kunnen geven aan de diaconale inzet van parochies. De oprichting van de eerste voedselbanken in 2002 ontmoette aanvankelijk de nodige weerstand (‘gaan we weer terug naar het pannetje soep?’), maar bleek naast een middel tot het tegengaan van voedselverspilling ook een uitkomst te zijn voor mensen, die in armoede en schulden moeten leven. En een zegen voor parochies, omdat de lokale voedselbank op heel verschillende wijzen ondersteund kan worden door parochianen.




Verkerkelijking van de diaconie


In zijn overzicht van de katholieke diaconie in het eerste handboek diaconiewetenschap ‘Barmhartigheid en gerechtigheid’ onderscheidde Henk Meeuws vier actoren: parochies, religieuze orden en congregaties, het categoriale pastoraat en katholieke maatschappelijke organisaties. Hij constateerde, dat de rol van de laatste drie steeds minder werd door de ontkerkelijking en professionalisering. Ook de parochies hebben daarmee te maken, maar in minder snel tempo. Zo blijft de parochiële diaconie over. In die zin is er sprake van een verkerkelijking van de diaconie. In de afgelopen twee decennia hebben we een proces van schaalvergroting gezien, dat nog niet is afgesloten. De samenvoeging van parochies heeft veel onrust en verdriet veroorzaakt, maar op diaconaal vlak ook impulsen gegeven. En hoewel het aantal diaconale vrijwilligers en PCI-bestuurders afneemt, hebben de grote crisissen van de laatste jaren laten zien, dat in geval van urgente nood nog steeds veel mensen spontaan in actie komen (vluchtelingenopvang 2015, coronacrisis 2020).

Literatuur

L. Brouwer en E. Schraven, Eindrapport van de commissie diakonale activiteiten in de Nederlandse kerkprovincie, maart 1984.

Annelies van Heijst, Liefdewerk. Een herwaardering van de caritas bij de Arme Zusters van het Goddelijk Kind, sinds 1852, Hilversum, 2002

Henk Meeuws, Diaconie en caritas in de rooms-katholieke kerk. In: Hub Crijns e.a. (red), Barmhartigheid en gerechtigheid, Kampen, 2004, p. 52-59

Special over (inter)parochiële caritasinstellingen (pci’s), Diakonie & Parochie, Jg. 4, nr. 2, november 1991

donderdag 12 maart 2020

Historische modellen van diaconie. Deel 6


VAN DE FRANSE TIJD (1795) TOT INVOERING BIJSTANDSWET (1965) – MAATSCHAPPELIJK WERK EN SOCIAAL-CHARITATIEVE CENTRA

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het maartnummer (2020-01) verscheen het zesde deel. Dit is een uitvoeriger versie. 


In de vorige twee delen heb ik de rol belicht van de katholieke armbesturen, de congregaties en lekenverenigingen op het gebied van de katholieke armenzorg in de anderhalve eeuw tussen de Bataafse Republiek en de invoering van de bijstandswet. Het accent lag daarbij op de negentiende eeuw. In dit deel besteed ik aandacht aan de ontwikkeling van het (katholieke) maatschappelijk werk in de twintigste eeuw. ‘Maatschappelijk werk’ bestreek in die tijd een breder terrein dan nu en zou je kunnen zien als een bijzondere uitwerking van de niet-materiële armenzorg.

De tweede helft van de negentiende eeuw liet veel veranderingen zien. De opkomende industrialisatie ging gepaard met een trek van werkzoekende arbeiders naar de steden. Arbeiders en ambachtslieden organiseerden zich in vakorganisaties en voerden actie om hun situatie te verbeteren. Onderwijsmogelijkheden namen toe. Oude elites kregen minder macht. Nieuwe politieke bewegingen op basis van geloof of levensbeschouwing kwamen op: liberalen, gereformeerden, katholieken en socialisten. Die kozen geleidelijk voor maatschappelijke blokvorming als strategie om zich sterk te maken. In een tijd van snelle veranderingen bood de eigen zuil beschutting. (Van der Linde, 2007, 151-152)

Het werkveld van de armenzorg veranderde daardoor. De klassieke vormen van bedeling door kerkelijke armbesturen en particuliere initiatieven waren niet toereikend. De burgerlijke armbesturen gingen een grotere rol spelen (zie deel 4). De rol van de overheid nam toe via subsidies, wetgeving en toezicht. Nieuwe vormen van armenzorg kwamen op, die uitgingen van mensen uit de middenklasse. Er vond een overgang plaats van vrije tijdswerk naar beroepsarbeid, ook voor vrouwen.  En er werden speciale opleidingen hiervoor in het leven geroepen.

Elberfelder stelsel

De nieuwe vormen van armenzorg bouwden voort op historische voorbeelden. Een daarvan is het Elberfelder stelsel. Elberfeld was een stadje in het Wuppertal (nu stadsdeel van Wuppertal), waar rond 1850 de gemeentelijke armenzorg op een nieuwe leest werd geschoeid. Het stelsel berustte op de volgende beginselen (Bijlsma/Jansen, 42. Michielse 86):

  1. Een kleinschalige aanpak door verdeling van de stad in 252 kwartieren. Vijftien kwartieren vormden samen een wijk.
  2. Elk kwartier van vier tot maximaal tien gezinnen werd toebedeeld aan een vrijwillige armenbezoeker.
  3. Bij het toekennen van hulp stond de individuele aanpak voorop. Als een arme familie een verzoek tot ondersteuning deed, legde de armenbezoeker eerst een huisbezoek af om de aanvraag te onderzoeken. 
  4. Elke veertien dagen kwamen de armenbezoekers in een wijk bijeen, waar onder leiding van de wijkvoorzitter de aanvragen werden behandeld. Werd een aanvraag toegekend, dan kreeg de armenbezoeker het geld, de voedselbonnen of kleding op de volgende bijeenkomst om het naar het gezin te brengen. De ondersteuning was voor maximaal twee weken. Daarna moest weer een nieuwe aanvraag worden ingediend en moest de familie weer worden bezocht.
  5. Een belangrijke taak was ook om voor armen die konden werken, werk te zoeken.
Het nieuwe systeem, een vorm van patronaatswerk, had veel succes en werd door veel steden in Duitsland overgenomen. In Nederland kende de Armenwet een veel beperkter rol toe aan de gemeentelijke overheid. Hier vormde het Elberfelder stelsel met zijn individuele aanpak en zijn nadruk op ‘hulp tot zelfhulp’ de inspiratiebron voor de oprichting van allerlei nieuwe ‘Vereenigingen voor Vrijwillige Armenzorg’, zoals ‘Liefdadigheid naar Vermogen’ in Amsterdam (1871), ‘Vereeniging tot verbetering van Armenzorg’ in Rotterdam (1877) en Utrecht (1890) en ‘Tot heil der armen’ in Dordrecht (1880).

Andere werksoorten

Er kwamen ook andere werksoorten op aan het eind van de negentiende eeuw. Het kruiswerk richtte zich op preventie van ziekten, verbetering van de hygiëne en gezondheidsvoorlichting. De eerste afdeling van het Witte Kruis werd in Hilversum opgericht in 1875. Het woningwerk ontstond in Amsterdam, waar woningopzichteressen wekelijks in elk gezin kwamen om de huur te innen en over woongewoonten te praten.  Het eerste volkshuis Ons Huis in de Amsterdamse Jordaan (1892) kan gezien worden als de start van het buurthuiswerk. Bij veel van deze initiatieven speelden vrouwen een belangrijke rol en ze konden dit werk ook beroepsmatig gaan uitoefenen. Dat verhoogde de vraag naar professionele scholing

Beroepsopleiding

In september 1899 startte de eerste ‘Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid’ in een leslokaal van Ons Huis in Amsterdam. Na de spoorwegstaking van 1903 werd de naam veranderd in ‘School voor Maatschappelijk Werk’: de oude naam riep teveel associaties op met socialisme. De opleiding wilde ‘algemeen’ zijn, maar paste politiek meer in de links-liberale en sociaaldemocratische richting en levensbeschouwelijk in die van het vrijzinnig protestantisme. Men richtte zich bij de start op vijf werksoorten: inspectrice van arbeiderswoningen, armenzorg, Toynbee-werk (Volkshuizen), zorg voor kinderen in tehuizen en opzichterschap in fabrieken. De opleiding was een mix van theoretische en praktische vorming.              
De schoolstrijd was nog maar nauwelijks geëindigd, of de katholieken richtten ook eigen opleidingen op. De eerste Rooms-katholieke School voor Maatschappelijk Werk opende in 1920 haar deuren in Sittard. Het initiatief daartoe was genomen door het Limburgse Groene Kruis, die daarmee niet alleen de sociale omstandigheden wilde verbeteren, maar ok de positie van de kerk wilde versterken in de Limburgse industriegebieden. Een jaar later startte op initiatief van de RK Vrouwenbond een tweede katholieke school voor maatschappelijk werk in Amsterdam. Grondlegster en jarenlang directrice was Fé Haye (1891-1948), die via de priester Alphons Ariëns het maatschappelijk werk had leren kennen.
De verschillen tussen de opleidingen zaten vooral op het gebied van de godsdienstige vorming. De katholieke scholen hadden ook een eigen vak ‘sociaal werk in de parochie’. (Van der Linde, 2012)

Methodiek

Maar de opleidingen verschilden niet zoveel van elkaar in het op de praktijk gerichte onderwijs en de methodieklessen. Daarin nam het social casework een belangrijke plaats in. Die methode was in het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten ontwikkeld, met name door Mary Richmond. Daarin werd voortgebouwd op het armenbezoek door vrijwilligers van het Elbenfelder stelsel. Aan armenzorg en individuele hulpverlening moet onderzoek voorafgaan. En de werker moet de cliënten actief betrekken bij de aanpak van hun problemen. Daarvoor kunnen hulpbronnen worden gemobiliseerd in de persoon van de cliënt, zijn gezin en familie, de omgeving, particuliere verenigingen en overheidsinstellingen. In Nederland zijn aan het social casework vooral de namen verbonden van de hervormde docent J.H. Adriani en zijn van huis uit gereformeerde leerlinge Marie Kamphuis. Maar de eerste Nederlandse vertaling van Richmond’s standaardwerk Social Cadework verscheen al in 1926 van de hand van zuster Marie Onnen onder de titel ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de Nederlandse Vereniging voor Armenzorg en Weldadigheid, waarin een groot aantal organisaties op het gebied van de armenzorg sinds 1908 samenwerkten, haar naam in de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werk.
Die naamsverandering was tekenend. ‘Maatschappelijk werk’ werd gezien als de toekomst voor de armenzorg. De nieuwe vereniging wilde een federatieve koepel zijn voor alle nieuwe initiatieven die zich na de bevrijding hadden gestort op de hulp aan oorlogsslachtoffers en ze kreeg de leiding in de reorganisatie en herstructurering van de sociale zorg. Al tijdens de oorlog had een kleine commissie onder leiding van Romme daartoe de eerste aanzetten gegeven.

Katholieke visie: sociaal-charitatief werk

Aan katholieke kant stond men kritisch tegenover deze ontwikkelingen. Men was bang dat met de nieuwe organisaties de overheid een monopolie zou krijgen in het maatschappelijk werk en dat dit werk zo zijn levensbeschouwelijke karakter zou verliezen. Daarom hadden de bisschoppen al in 1944 een adviescommissie Armenzorg in het leven geroepen, die in 1947 verderging als Bisschoppelijke Adviescommissie op Sociaal-charitatief terrein. Die bracht in 1948 een rapport uit, waarin werd geconstateerd dat er teveel versnippering aan katholieke kant was, teveel materiële noodleniging en te weinig betrokkenheid van de parochiële zielzorg. Daarom zouden er sociaal-charitatieve centra moeten worden opgericht, waarin alle initiatieven gebundeld konden worden. Als ideologisch uitgangspunt gold: “De plicht, rustend op iedere katholiek te zorgen voor het eeuwig heil van de evennaaste en vooral van de geloofsgenoot, eist dat hij dit (sociaal-charitatieve) werk zelf op zich neemt.” Apostolaat en naastenliefde schraagden zo dit werk. De parochie werd gezien als een groot gezin, waar de leden naar elkaar omkeken. Priesters en leken zouden moeten samenwerken en de (katholieke) maatschappelijk werkster vormde de schakel tussen zielzorg en maatschappelijk werk.

In 1950 werd in Den Bosch het Landelijk Sociaal-Charitatief Centrum (LSCC) opgericht, waarin zowel de oude armenzorg als het maatschappelijk werk samenkwamen. Het centrum bevorderde de oprichting van parochiële centra, fungeerde als adviesorgaan van de bisschoppen, trad op als vertegenwoordiger van alle katholieke charitatieve organisaties in de contacten met de overheid en onderhield ook internationale contacten. Zo was zij de officiële Nederlandse vertegenwoordiger bij Caritas Internationalis. Met een bureau van bescheiden omvang zou het LSCC grote invloed krijgen op de ontwikkeling van het maatschappelijk werk in Nederland, volgens Ney “vanwege de kwaliteit van zijn ideeën, zijn tactisch inzicht en niet op de laatste plaats wegens de kwantiteit van de maatschappelijke groep die het vertegenwoordigde.”

Subsidiariteitsbeginsel of subsidiebeginsel?

Een goed voorbeeld daarvan betreft het doordenken van de verhouding tussen de katholieke caritas en de overheid. In het LSCC-bestuur ontwikkelde de priester-jurist J.J. Loeff een nieuwe gedachtegang vanuit het subsidiariteitsbeginsel.


Traditioneel werd die verhouding hiërarchisch uitgelegd, waarbij het kerkelijke initiatief van hoger orde was dan dat van de overheid. Loeff ging uit van een complementaire (aanvullende) relatie. In zijn opvatting was het de taak van het katholiek sociaal-charitatief werk om mensen door middel van het beoefenen van caritas tot zelfheiliging te brengen, terwijl de overheid zorgde voor behoorlijke sociale voorwaarden en het ter beschikking stellen van financiën daarvoor. Sommige niet-katholieken verweten hem, dat hij de belastingbetaler wilde laten opdraaien voor de kosten van de katholieke caritas. Zijn antwoord was simpel: katholieken betalen ook belasting. Maar de overheid had wel het recht op controle van de bestedingen. Volgens de socialist Hein Vos werd het subsidiariteitsbeginsel zo meer een subsidiebeginsel onder het motto ‘wij de macht, met jullie centen’.
Die veranderde houding ten aanzien van de overheid en de instelling in 1952 van een apart Ministerie voor Maatschappelijk Werk leidde tot een grote bloei van de levensbeschouwelijk georganiseerde immateriële hulp en dienstverlening.
Begin jaren zestig bestonden er naast het LSCC zeven diocesane centra, 25 provinciale en regionale centra (waaronder het Katholiek Sociaal Caritatief Centrum Friesland – zie het artikel van Jan Bosman in de vorige D&P), honderden parochiële centra en ruim 200 stedelijke of interparochiële centra. In het bestuur van het LSCC waren naast de diocesane centra ook landelijke instellingen vertegenwoordigd als het Katholiek Verbond voor Kinderbescherming, de Reclasseringsvereniging, de Nationale Katholieke Stichting voor Bijzonder Gezinswerk en Jeugdzorg, de RK Vereniging voor Woonwagenwerken, de RK Cupertinostichting (zwakzinnigenzorg), de Vincentiusvereniging en het Ned. R.K. Huisvestingscomité, waaruit Mensen in Nood zou voortkomen. Die samenstelling weerspiegelt de ontwikkeling, dat in de loop van de jaren vijftig de sociaal-charitatieve centra zich steeds meer gingen toeleggen op het maatschappelijk werk en de traditionele armenzorg vrijwel geheel uit beeld verdween. Door de toenemende professionalisering ging het maatschappelijk werk ook steeds meer afstand nemen van de oude vormen van naastenliefde en apostolaat. “Wanneer het maatschappelijk werk bedoelt, de medemens te helpen zichzelf weer te helpen, komt dit wel eens erg in het gedrag waar religieuzen levensmiddelen, kleding en geld ter beschikking krijgen voor hun gezinnen, i.p.v. de mensen zelf te activeren om doeltreffende oplossingen te zoeken door bijvoorbeeld scholing, goede budgettering, advies vragen bij bureau voor huwelijksmoeilijkheden etc.” concludeerden twee zusters die zelf maatschappelijk werkster waren. (in Van Heijst, 423)

Van liefdadigheidsstaat naar verzorgingsstaat

In de afgelopen drie delen heb ik een aantal ontwikkelingen geschetst op het gebied van de katholieke armenzorg in de periode van 1795 tot 1965. Die periode zou je inhoudelijk kunnen typeren als een ontwikkeling van liefdadigheidsstaat naar verzorgingsstaat. Aanvankelijk lag het initiatief bij particulieren en kerkelijke instellingen. In de loop der tijd werd de invloed van de overheid groter, waarbij het goed is onderscheid te maken tussen drie rollen van de overheid in de relatie met het particulier initiatief: geldverstrekker, wetgever en toezichthouder. Op het gebied van de materiële armenzorg zagen we, dat de rol van geldverstrekker al snel groeide en de overheid ook zelf meer en meer uitvoerder werd. Met de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 verdween de kerkelijke armenzorg naar de marge. Op het gebied van de immateriële armenzorg ontstonden er allerlei vormen van maatschappelijk werk, door katholieken ook wel sociaal-charitatief werk genoemd. Die sector groeide niet door een indamming van het particulier initiatief, maar juist door ondersteuning en regulering. De overheid had het particulier initiatief nodig, omdat zij zelf niet de netwerken van voorzieningen kon leveren en het particulier initiatief had de financiën van de overheid nodig voor de uitbouw, terwijl toezicht en opleidingseisen voor de nodige kwaliteitsverbetering zorgden. Het aanvankelijke voornemen in de jaren vijftig om de armenzorg en het maatschappelijk werk in één wet systematisch en in onderling verband te regelen, ging niet door. De Welzijnswet zou pas later komen.

Belangrijkste literatuur


Jan Bijlsma en Hay Janssen, Sociaal werk in Nederland. Vijfhonderd jaar verheffen en verbinden, Bussum 2008

Lambert J. Giebels, Beel: van vazal tot onderkoning. Biografie 1902-1977, Den Haag/Nijmegen, 2017

Annelies van Heijst, Marjet Derks en Marit Monteiro, Ex caritate. Kloosterleven, apostolaat en nieuwe spirit van actieve vrouwelijke religieuzen in Nederland in de 19e en 20e eeuw, Hilversum, 2010

Maarten van der Linde, Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland, Amsterdam, 2007

Maarten van der Linde. Erfgoed van het Hoger SociaalAgogisch Onderwijs. Terugblik op ruim honderd jaar opleiden voor sociale beroepen 1899 – 2012, versie 3.0, Utrecht, 2012

H.C.M. Michielse, De burger als andragoog. Een geschiedenis van 125 jaar welzijnszorg (1848-1972),  Amsterdam, 1977