dinsdag 15 april 2014
zondag 13 april 2014
Northern Cross 13 april
Northern Cross 2Maxton-JedburghVandaag (zondag) hebben we de tweede etappe gelopen. Je kan merken, dat we enige ervaring opbouwen: vanochtend vertrokken we een kwartier eerder en liep alles veel gesmeerder. Ook vandaag hebben we een groot deel over Saint Cuthbertś Way gelopen, die een stuk Dere Street volgt, de oude Romeinse weg. Die is te herkennen aan de bijna kaarsrechte lijn door het landschap. Op het eind van de dag hebben we St. Cuthbertś Way verlaten om naar Jedburgh te lopen, waar we overnachten in de parochiezaal van de katholieke parochie. Maar voordat we ons daar om vijf uur meldden, hebben we nog een korte viering gehad in de noord transept van Jedburgh Abbey, een van de oude abdijruines in de Borders.Ik laat het even bij dit korte bericht. Ik heb nu de gelegenheid om het te publiceren.
dinsdag 8 april 2014
Historische modellen van diaconie
In een vorige blog heb ik al even verwezen naar een inleiding van Peter Nissen over modellen van diaconie in de loop van de geschiedenis. Nissen wilde laten zien hoe bepaalde vormgevingen van diaconie te begrijpen zijn vanuit het kerkmodel en de samenleving van die tijd. Hij verdeelde de kerkgeschiedenis daartoe in zes fasen. Elke fase heeft zijn eigen diaconaal model. Die diaconale modellen blijven vaak wel voortbestaan in latere fasen, maar passen dan veel minder bij de nieuwe maatschappelijke omstandigheden. Ik wil de zes modellen hier kort schetsen. Mijn veronderstelling daarbij is, dat zij een raamwerk bieden om de literatuur die ik deze maanden ga bestuderen te ordenen. De modellen kunnen dan wat meer vlees en inhoud krijgen. En wellicht moeten zij verfijnd worden. De tijd zal het leren.
Het diaconale programma van deze gemeenschappen valt te lezen in Hand. 2 en 4. Degenen die tot geloof kwamen, verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder de behoeftigen. (Hand 2,45) Voorop staat de zorg voor de menselijke waardigheid, de zorg dat niemand gebrek zal lijden. Om die aandacht te waarborgen wordt er ook een ambt ingesteld (Hand. 6). De term 'diaken' zal hiervoor pas later gebruikt worden. Zoals onderzoek van de exegeet Collins heeft uitgewezen, is een diaken geen nederige tafeldienaar, maar een bemiddelaar, een doorgever. Als de kerk dus diaconie bedrijft, geeft ze door wat ze zelf ontvangen heeft, n.l. liefde, barmhartigheid.
De diaconie is in deze (en de volgende) periode een kerntaak van de kerk. Ze kende ook een grote veelzijdigheid. Voor mensen die financieel gebrek leden, werd er gecollecteerd. De collecte is een van de oudste elementen van de eucharistieviering. De opbrengst werd beheerd door de bisschop en vervolgens door de diaken verdeeld onder de behoeftigen (vgl. Laurentius). Maar er was ook zorg voor zieken en ouderen. Er werd gedaan aan arbeidsbemiddeling. Veel zorg werd er besteed aan gevangenen, de dwangarbeiders in de mijnen of op de galeien. Ze zorgden voor vreemdelingen door het bieden van gastvrijheid. Wanneer een onbekende op doorreis overleed, zorgde men voor een begrafenis. Hiervoor werden zelfs uitvaartfondsen gevormd, collegia funeraria.
Nissen maakt deze verwijzing niet, maar je kan in deze beschrijving goed de werken van barmhartigheid herkennen, ontleend aan Mt. 25.
Die groei vraagt om structuren, die de eenheid en de identiteit van de kerk konden bewaken. Het is de tijd dat de canon wordt vastgesteld, de dogma's geformuleerd en het ambt een duidelijke structuur krijgt: bisschop, priester en diaken.
De nieuwe positie van de kerk biedt nieuwe mogelijkheden om de diaconie vorm te geven. Het Romeinse rijk kende geen stelsel van sociale voorzieningen. De bisschoppen beginnen bij de bisschopskerk een opvang voor zieke pelgrims in te stellen. (hospitium in het Latijn). Dat is het begin van de hospitalen of gasthuizen, ziekenzorg die voortkomt uit gastvrijheid.
Het ambt van diaken wordt in de vierde eeuw minder belangrijk. Het waarborgen van de diaconie wordt toevertrouwd aan een nieuwe institutie, de kloosters.
De kloosters zijn ontstaan in de vierde eeuw, toen monniken zich terugtrokken van de wereld in de woestijnen van Egypte, Syrië en Palestina. Door bisschop Basilius van Caesarea zijn ze aan het eind van de vierde eeuw weer meer in de wereld gebracht doordat ze sterk aan de bisschopskerk verbonden werden. Deze kloosters gaan de zorg op zich nemen voor alle instituties: de ziekenhuizen, de armenzorg, de weeshuizen en het onderwijs. Hiermee treedt een 'verkloostering' van de diaconie op, die tot nu zijn sporen nalaat. De diaconie vertrekt uit het leven van de plaatselijke geloofsgemeenschap en wordt een zaak van de religieuzen.
Bij de kerstening van West- en Noord-Europa hebben de monniken een belangrijke rol gespeeld. De kloosters werden de centra van het kerkelijk leven.
Wat begon in de vorige periode, zet zich nu verscherpt door. Het kloosterlijke model van de diaconie is het hoofdmodel.
In de elfde, twaalfde eeuw zien we de opkomst van de steden, met name in Italië, Zuid-Frankrijk en Vlaanderen. De handel komt op. Mensen trekken naar de stad om er carrière te maken. De rijke burgers komen op, maar we zien tegelijk ook nieuwe vormen van armoede in de stad. De kloosters kunnen daarop moeilijk inspelen, omdat ze vooral op het platteland gevestigd zijn, ver van de steden. Daarom wordt er gezocht naar nieuwe vormen van kloosterleven, die kunnen ingaan op de nieuwe noden. Een treffend voorbeeld zijn de Minderbroeders. Franciscus wilde niet een orde stichten die aalmoezen aan de armen gaf, de mindere broeders gaven zichzelf als aalmoes aan de armen. De kloosters van de Franciscanen vind je in deze eeuwen daarom niet in het hart van de stadscentra, waar de stenen gebouwen staan, maar aan de rand waar de armen wonen.
Daarnaast zien we een andere ontwikkeling. Rijke burgers in de stad gaan zelf diaconale initiatieven nemen. Ze gaan schenkingen doen voor het stichten van weeshuizen, brooduitdelingen aan de armen worden ingesteld, leprozenhuizen, hofjes voor behoeftige alleenstaanden. Nissen tekent daarbij aan, dat deze diaconale initiatieven een kenmerkende uiting zijn van de toenemende individualisering. De stichting dient het eigen zielenheil, niet langer staat het doorgeven van barmhartigheid voorop.
In de latere eeuwen wordt armenzorg ook ingezet in het streven naar een duidelijke confessionele identiteit. De kerk wil gelovigen aan zich binden en de diaconie is daarbij een instrument. Als de armen 's zondags ter kerke gaan, krijgen ze b.v. een broodpenning waarmee ze bij de bakkerij van de diaconie op maandag brood kunnen krijgen. Het diaconaal centrum De Bakkerij in Leiden heeft nog een aantal van die broodpenningen.
Typisch voor deze periode is volgens Nissen het ontstaan van de verenigings diaconie. Een karakteristiek voorbeeld zijn de Vincentiusconferenties, waartoe Frederic Ozanam in Franrijk het initiatief nam. In 1846 werd in Den Haag de eerste Nederlandse conferentie gesticht. De Vincentiusvereniging is een lekenbeweging. Ozanam wilde de armen thuis opzoeken. De leden van de Vincentiusvereniging moesten kunnen voelen, zien wat het betekende arm te zijn. Daarom gingen ze maandelijks bij de armen op huisbezoek. Voor Ozanam was het ideaal om in de armen Christus te ontmoeten. Door dit nauwe contact met de armen zou het ook mogelijk moeten zijn om passende hulp te bieden, die de hulpbehoevende geleidelijk in staat stelt zelf oplossingen te vinden.
Anderen hechten een groter belang aan de congregaties die in de loop van de negentiende eeuw werden opgericht. Die bouwden in de loop van de eeuw een groot netwerk op van scholen, ziekenhuizen en andere zorginstellingen. Het initiatief ging soms uit van een plaatselijke pastoor of een plaatselijk comité van vooraanstaande katholieken. In Tilburg bracht pastoor J. Zwijsen enkele vrouwen bij elkaar in 1832. Deze gemeenschap groeide uit tot de congregatie van de Zusters van Liefde van O.L. Vrouw, Moeder van Barmhartigheid. Op haar hoogtepunt telde deze congregatie duizenden vrouwen, die actief waren in de ziekenzorg, bejaardenzorg en onderwijs in Nederland en daarbuiten. In Breda verzamelden de regenten van het plaatselijke gasthuis een groepje vrouwen om daar als verpleegster te gaan werken. Dat was de start van de congregatie van zusters Franciscanessen. (Diaconie in beweging, p. 155)
Nissen geeft voor deze fase eigenlijk geen voorbeeld, maar een aantal aansporingen. Mij lijkt typerend, dat door het verminderen van het belang van de andere diaconale actoren op het katholieke erf, zoals de religieuzen, de katholieke maatschappelijke organisaties en het categoriaal pastoraat de parochie de belangrijkste actor wordt.
Eerste fase: de jonge kerk
In de eerste fase van het christendom bestaat de kerk uit kleine gemeenschappen van christenen, die nog sterk leven in de verwachting van de spoedige wederkomst van de Heer. De lokale gemeenschappen kennen een grote mate van pluriformiteit.Het diaconale programma van deze gemeenschappen valt te lezen in Hand. 2 en 4. Degenen die tot geloof kwamen, verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder de behoeftigen. (Hand 2,45) Voorop staat de zorg voor de menselijke waardigheid, de zorg dat niemand gebrek zal lijden. Om die aandacht te waarborgen wordt er ook een ambt ingesteld (Hand. 6). De term 'diaken' zal hiervoor pas later gebruikt worden. Zoals onderzoek van de exegeet Collins heeft uitgewezen, is een diaken geen nederige tafeldienaar, maar een bemiddelaar, een doorgever. Als de kerk dus diaconie bedrijft, geeft ze door wat ze zelf ontvangen heeft, n.l. liefde, barmhartigheid.
De diaconie is in deze (en de volgende) periode een kerntaak van de kerk. Ze kende ook een grote veelzijdigheid. Voor mensen die financieel gebrek leden, werd er gecollecteerd. De collecte is een van de oudste elementen van de eucharistieviering. De opbrengst werd beheerd door de bisschop en vervolgens door de diaken verdeeld onder de behoeftigen (vgl. Laurentius). Maar er was ook zorg voor zieken en ouderen. Er werd gedaan aan arbeidsbemiddeling. Veel zorg werd er besteed aan gevangenen, de dwangarbeiders in de mijnen of op de galeien. Ze zorgden voor vreemdelingen door het bieden van gastvrijheid. Wanneer een onbekende op doorreis overleed, zorgde men voor een begrafenis. Hiervoor werden zelfs uitvaartfondsen gevormd, collegia funeraria.
Nissen maakt deze verwijzing niet, maar je kan in deze beschrijving goed de werken van barmhartigheid herkennen, ontleend aan Mt. 25.
Tweede fase: de kerk ontwikkelt zich tot rijkskerk
Naarmate de kerk groeit worden vanaf de tweede eeuw structuurvragen belangrijker. In het begin van de vierde eeuw wordt het christendom een erkende godsdienst en in 380 zelfs rijkskerk.Die groei vraagt om structuren, die de eenheid en de identiteit van de kerk konden bewaken. Het is de tijd dat de canon wordt vastgesteld, de dogma's geformuleerd en het ambt een duidelijke structuur krijgt: bisschop, priester en diaken.
De nieuwe positie van de kerk biedt nieuwe mogelijkheden om de diaconie vorm te geven. Het Romeinse rijk kende geen stelsel van sociale voorzieningen. De bisschoppen beginnen bij de bisschopskerk een opvang voor zieke pelgrims in te stellen. (hospitium in het Latijn). Dat is het begin van de hospitalen of gasthuizen, ziekenzorg die voortkomt uit gastvrijheid.
Het ambt van diaken wordt in de vierde eeuw minder belangrijk. Het waarborgen van de diaconie wordt toevertrouwd aan een nieuwe institutie, de kloosters.
De kloosters zijn ontstaan in de vierde eeuw, toen monniken zich terugtrokken van de wereld in de woestijnen van Egypte, Syrië en Palestina. Door bisschop Basilius van Caesarea zijn ze aan het eind van de vierde eeuw weer meer in de wereld gebracht doordat ze sterk aan de bisschopskerk verbonden werden. Deze kloosters gaan de zorg op zich nemen voor alle instituties: de ziekenhuizen, de armenzorg, de weeshuizen en het onderwijs. Hiermee treedt een 'verkloostering' van de diaconie op, die tot nu zijn sporen nalaat. De diaconie vertrekt uit het leven van de plaatselijke geloofsgemeenschap en wordt een zaak van de religieuzen.
Derde fase: een kloosterlijke kerk
Met de kerstening van West- en Noord-Europa in de vroege Middeleeuwen verplaatst het zwaartepunt van de christelijke gemeenschap zich van het Mediterrane gebied naar het noorden. De Franken en later de Duitse keizers nemen de rol van de Romeinse keizer over als beschermheer van de kerk. Het christendom komt ook in ene andere cultuur terecht, wat vraagt om aanpassingen in de stijl van vieren, de theologie en het kerkelijk recht.Bij de kerstening van West- en Noord-Europa hebben de monniken een belangrijke rol gespeeld. De kloosters werden de centra van het kerkelijk leven.
Wat begon in de vorige periode, zet zich nu verscherpt door. Het kloosterlijke model van de diaconie is het hoofdmodel.
Vierde fase: Hoge Middeleeuwen tot de achttiende eeuw
Deze periode wordt gekenmerkt door een toenemende individualisering, ook in de beleving van de godsdienst, en door confessionalisering, die politieke, theologische en culturele kenmerken heeft. Door de Reformatie ontstaan er verschillende christelijke kerkgenootschappen.In de elfde, twaalfde eeuw zien we de opkomst van de steden, met name in Italië, Zuid-Frankrijk en Vlaanderen. De handel komt op. Mensen trekken naar de stad om er carrière te maken. De rijke burgers komen op, maar we zien tegelijk ook nieuwe vormen van armoede in de stad. De kloosters kunnen daarop moeilijk inspelen, omdat ze vooral op het platteland gevestigd zijn, ver van de steden. Daarom wordt er gezocht naar nieuwe vormen van kloosterleven, die kunnen ingaan op de nieuwe noden. Een treffend voorbeeld zijn de Minderbroeders. Franciscus wilde niet een orde stichten die aalmoezen aan de armen gaf, de mindere broeders gaven zichzelf als aalmoes aan de armen. De kloosters van de Franciscanen vind je in deze eeuwen daarom niet in het hart van de stadscentra, waar de stenen gebouwen staan, maar aan de rand waar de armen wonen.
Daarnaast zien we een andere ontwikkeling. Rijke burgers in de stad gaan zelf diaconale initiatieven nemen. Ze gaan schenkingen doen voor het stichten van weeshuizen, brooduitdelingen aan de armen worden ingesteld, leprozenhuizen, hofjes voor behoeftige alleenstaanden. Nissen tekent daarbij aan, dat deze diaconale initiatieven een kenmerkende uiting zijn van de toenemende individualisering. De stichting dient het eigen zielenheil, niet langer staat het doorgeven van barmhartigheid voorop.
In de latere eeuwen wordt armenzorg ook ingezet in het streven naar een duidelijke confessionele identiteit. De kerk wil gelovigen aan zich binden en de diaconie is daarbij een instrument. Als de armen 's zondags ter kerke gaan, krijgen ze b.v. een broodpenning waarmee ze bij de bakkerij van de diaconie op maandag brood kunnen krijgen. Het diaconaal centrum De Bakkerij in Leiden heeft nog een aantal van die broodpenningen.
Vijfde fase: Negentiende eeuw tot het Tweede Vaticaans Concilie
De kerk kan in deze periode getypeerd worden als een defensieve kerk in een met toenemende mate pluriforme en moderne samenleving. De samenleving verandert sterk door de Verlichting, de Industriële Revolutie en de verstedelijking. De kerk zet zich af tegen de moderne natiestaat, maar gaat haar na verloop van tijd ook imiteren. Ze maakt gebruik van de moderne vrijheden. Vrijheid van onderwijs - zie de opbouw van een stelsel van katholiek onderwijs -, vrijheid van drukpers - de katholieke kranten -, vrijheid van vereniging.Typisch voor deze periode is volgens Nissen het ontstaan van de verenigings diaconie. Een karakteristiek voorbeeld zijn de Vincentiusconferenties, waartoe Frederic Ozanam in Franrijk het initiatief nam. In 1846 werd in Den Haag de eerste Nederlandse conferentie gesticht. De Vincentiusvereniging is een lekenbeweging. Ozanam wilde de armen thuis opzoeken. De leden van de Vincentiusvereniging moesten kunnen voelen, zien wat het betekende arm te zijn. Daarom gingen ze maandelijks bij de armen op huisbezoek. Voor Ozanam was het ideaal om in de armen Christus te ontmoeten. Door dit nauwe contact met de armen zou het ook mogelijk moeten zijn om passende hulp te bieden, die de hulpbehoevende geleidelijk in staat stelt zelf oplossingen te vinden.
Anderen hechten een groter belang aan de congregaties die in de loop van de negentiende eeuw werden opgericht. Die bouwden in de loop van de eeuw een groot netwerk op van scholen, ziekenhuizen en andere zorginstellingen. Het initiatief ging soms uit van een plaatselijke pastoor of een plaatselijk comité van vooraanstaande katholieken. In Tilburg bracht pastoor J. Zwijsen enkele vrouwen bij elkaar in 1832. Deze gemeenschap groeide uit tot de congregatie van de Zusters van Liefde van O.L. Vrouw, Moeder van Barmhartigheid. Op haar hoogtepunt telde deze congregatie duizenden vrouwen, die actief waren in de ziekenzorg, bejaardenzorg en onderwijs in Nederland en daarbuiten. In Breda verzamelden de regenten van het plaatselijke gasthuis een groepje vrouwen om daar als verpleegster te gaan werken. Dat was de start van de congregatie van zusters Franciscanessen. (Diaconie in beweging, p. 155)
Zesde fase: na het Tweede Vaticaans Concilie
De kerk is op zoek naar nieuwe oriëntaties. Vaticanum II wilde de luiken naar de wereld openen, Het is de fase van een dienende kerk, die steeds meer in de marge komt te staan van de pluriforme samenleving.Nissen geeft voor deze fase eigenlijk geen voorbeeld, maar een aantal aansporingen. Mij lijkt typerend, dat door het verminderen van het belang van de andere diaconale actoren op het katholieke erf, zoals de religieuzen, de katholieke maatschappelijke organisaties en het categoriaal pastoraat de parochie de belangrijkste actor wordt.
Slotbeschouwing
In mijn sabbatverlof wil ik meer kennis krijgen van de geschiedenis van caritas en kerkelijke armenzorg in Nederland. Dat betekent, dat ik mij vooral bezig zal houden met de vierde en de vijfde fase van Nissen.vrijdag 4 april 2014
Motieven om te pelgrimeren
Volgende week vrijdagavond 11 april word ik verwacht in de Holy Trinity Hall in Melrose. Daar verzamelen zich de ongeveer twaalf deelnemers, die dit jaar meelopen met de Melrose leg van de Northern Cross pilgrimage Ook op andere plekken komen pelgrims bijeen. Langs zeven routes lopen zij in de Goede Week naar Lindisfarne (Holy Island). Op vrijdagochtend komen alle groepen samen bij de kust en lopen zij gezamenlijk over de oude pelgrimsroute naar dit getijde eiland. De pelgrimage wordt afgesloten op Paaszondag. Zelf zal ik dan nog veertien dagen op Lindisfarne blijven. Ik heb gekozen voor de route van Melrose naar Lindisfarne, omdat die grotendeels de route volgt van de St Cuthbert's Way. Dat is een voetpad, dat in 1996 is geopend en is vernoemd naar de Angelsaksische heilige St Cuthbert. Als zestienjarige jongen trad Cuthbert in 651 in het klooster van Melrose in. In 664 werd hij prior van het klooster op Lindisfarne. Vanaf 676 leidde hij een kluizenaarsleven op de Farne eilanden om in 685 benoemd te worden als bisschop van Lindisfarne. Hij stierf in 687. Meer over deze heilige in een van de volgende blogs.
Waarom heb ik gekozen voor deze niet zo bekende pelgrimstocht? Zes jaar geleden volgde ik op Iona een week met als thema 'Pilgrim people, pilgrim church'. Ian Bradley, docent praktische theologie en kerkgeschiedenis aan de universiteit van St Andrew's, presenteerde daar een aantal hoofdstukken uit zijn op dat moment nog niet verschenen boek 'Pilgrimages'. Het laatste hoofdstuk gaat over de St Cuthbert's Way. Ray Simpson, stichter van de Community of Aidan and Hilda op Lindisfarne, deelde met ons zijn inzichten over Keltische spiritualiteit en pelgrimeren. Van hem hoorde ik voor het eerst over de Northern Cross pilgrimage.
In 2011 en 2013 hebben Desiree en ik de Goede Week en Pasen meegemaakt op Iona. Hoe verschillend die weken ook waren, ik heb zelden zo intensief en bewust de Goede Week beleefd en toegeleefd naar het paastriduum. (De foto's zijn van de kruisweg over het eiland op Goede Vrijdag).
Waarom heb ik gekozen voor deze niet zo bekende pelgrimstocht? Zes jaar geleden volgde ik op Iona een week met als thema 'Pilgrim people, pilgrim church'. Ian Bradley, docent praktische theologie en kerkgeschiedenis aan de universiteit van St Andrew's, presenteerde daar een aantal hoofdstukken uit zijn op dat moment nog niet verschenen boek 'Pilgrimages'. Het laatste hoofdstuk gaat over de St Cuthbert's Way. Ray Simpson, stichter van de Community of Aidan and Hilda op Lindisfarne, deelde met ons zijn inzichten over Keltische spiritualiteit en pelgrimeren. Van hem hoorde ik voor het eerst over de Northern Cross pilgrimage.
In 2011 en 2013 hebben Desiree en ik de Goede Week en Pasen meegemaakt op Iona. Hoe verschillend die weken ook waren, ik heb zelden zo intensief en bewust de Goede Week beleefd en toegeleefd naar het paastriduum. (De foto's zijn van de kruisweg over het eiland op Goede Vrijdag).
Ik verwacht dat deelname aan de Northern Cross Pilgrimage mij ook een bijzondere invulling van de Goede Week geeft. Het biedt mij tevens de mogelijkheid om ook eens Lindisfarne te bezoeken, acht dagen te lopen door een bijzondere streek, onderweg ontmoetingen te hebben met andere pelgrims, etc.
Motieven moderne pelgrims
Bradley's boek over pelgrimeren bestaat uit twee delen: een algemeen deel en portretten van 13 bedevaartsoorden of pelgrimstochten in Europa, zowel rooms-katholieke als protestantse. Hij constateert, dat pelgrimeren in de laatste dertig jaar weer populair is geworden. Waren de motieven van pelgrims daarvoor vooral religieus van aard, nu zijn ze een amalgaam van persoonlijke motieven.
Dat is heel goed zichtbaar bij de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela. Die wordt door heel uiteenlopende mensen gelopen. Van backpackers uit Australië, Nieuw Zeeland en de Verenigde Staten voor wie de route populair is vanwege de goedkope overnachtingsmogelijkheden tot net gepensioneerden, die deze overgang in levensfase willen markeren, van jongeren uit Spanje die elkaars gezelschap zoeken tot mensen die aangetrokken zijn door de culturele rijkdom langs de route, van mensen die een ontslag, verlies of crisis willen verwerken tot mensen die komen vanwege een gelofte. Bij de refugio in Roncesvalles kunnen de pelgrims als motief een of meerdere van de volgende categorieën aankruisen: religieus, spiritueel, recreatief, cultureel of sportief. (Bradley, p. 109).
De Noorse St Olaf's pelgrimsweg van Oslo naar Nidaros (Trondheim) hanteert vergelijkbare simpele categorieën, maar legt net weer even andere accenten: historische belangstelling, sociaal contact, culturele interesse, natuur, religieus geloof en gezondheid. (Bradley, p. 153)
In het eerste deel van zijn boek geeft hij ook een mooie omschrijving van dit complex van motieven: "De zoektocht naar een diepere spiritualiteit en naar mentale, fysieke en psychologische heelwording is gemengd met een zucht naar avontuur, een verlangen om de sleur te doorbreken, de horizon te verbreden en een nieuwe en andere ervaring op te doen. Pelgrimages worden nog steeds ondernomen, net zoals vaak in de Middeleeuwen, als boetedoening, als onderdeel van een poging om het eigen leven te heroriënteren en een nieuwe start te maken, hindernissen te overwinnen en - al is het maar tijdelijk - een eenvoudiger en minder comfortabele leefstijl te leiden." (Bradley, p. 16) Hij voegt er aan toe, dat veel pelgrims ook de ervaring van gemeenschap tijdens een pelgrimstocht waarderen. Vaak gaan ze ook op pelgrimstocht om een kroonjaar of significante gebeurtenis in het eigen leven te markeren.
Klassieke motieven
Pelgrimages kenden ook een grote bloeiperiode in de Middeleeuwen. Andriessen maakt onderscheid tussen twee soorten pelgrims: de vrijwillige en de verplichte pelgrims. De tweede soort kennen we nu niet meer. Maar in de Middeleeuwen was het heel gewoon, dat mensen op bedevaart gingen op grond van een veroordeling. Bij de Ierse monniken begon dat al vroeg. In Adomnan's Life of St Columba staat een verhaal dat Columba (521-597) een Ierse jongeman, die in zijn vaderland een moord had begaan en 'een lange reis had ondernomen om zijn zonden uit te wissen op een pelgrimage', eerst zeven jaar naar Tiree stuurt en vervolgens terug naar huis om het goed te maken. (Low, p. 165) Vanaf de negende eeuw wordt dit ook een gebruik op het continent. Aanvankelijk werd een strafbedevaart alleen opgelegd voor zware misdaden. Vanaf de dertiende eeuw pasten de kerkelijke autoriteiten deze straf ook toe voor minder zware vergrijpen. Hoe zwaarder het vergrijp, hoe verder weg het bedevaartsoord dat bezocht moest worden. Bij thuiskomst moest de pelgrim dan via een verwijsbrief laten zien, dat hij zijn verplichting was nagekomen. Het wegsturen op een bedevaart had voor beide partijen voordelen. De veroordeelde was een tijd weg uit de eigen gemeenschap, de gemoederen konden zo tot rust komen. En de pelgrim zelf kreeg de gelegenheid zich onderweg op zijn zonden te bezinnen.
Maar de meeste pelgrims waren toch vrijwillige pelgrims. Die gingen op pad uit godsvruchtige redenen. Ze pelgrimeerden vanwege een gelofte, om genezing te zoeken, uit dankbaarheid, uit vrijwillige boetedoening, omwille van het eeuwige heil, tot verdieping van het geestelijk leven, uit devotie tot een bepaalde heilige, vanwege tradities in de families, uit zucht naar avontuur en uit 'heimwee' naar de verte. (Andriessen, p. 14) Bradley noemt ook nog het verlangen om weg te vluchten uit de druk en de verantwoordelijkheden van het dagelijks bestaan. Zo veroordeelde het Concilie van Chalons-sur Saone in 813 arme mensen die op bedevaart gingen primair omdat het hen een gemakkelijke gelegenheid bood om te bedelen. (Bradley, 44)
Het valt mij op, dat de laatste motieven in dit overzicht tamelijk werelds zijn. Ook uit andere verslagen en vermaningen blijkt, dat religieuze motieven wel voorop stonden, maar dat andere motieven zeker ook een rol speelden. De Canterbury tales van Chaucer laten ook andere aspecten zien.
Geraadpleegde literatuur:
H. Andriessen en C. Mooren, Pelgrimeren in de praktijk, Nijmegen, 2000
Ian Bradley, Pilgrimages, A spiritual and cultural journey, Oxford, 2009
Mary Low, St Cuthbert's Way. A pilgrim's companion, Glasgow, 1999/2009
vrijdag 21 maart 2014
Pelgrimeren en diaconie
Pelgrimeren en diaconie, de twee hoofdthema's van mijn sabbat, hebben verschillende raakvlakken. Ik noem er enkele:
1. De rol van kloosters
Historisch speelden kloosters een belangrijke rol, zowel bij de ontwikkeling van diaconie als bij pelgrimeren.
In zijn historische schets van de diaconie typeert Peter Nissen de fase tussen het einde van het Romeinse rijk en de Hoge Middeleeuwen als het kloosterlijke model van diaconie. Het zijn de kloosters, verbonden aan de bisschopskerk, die de zorg gaan dragen voor armenzorg en de daaruit voortkomende instituties, zoals ziekenhuizen, weeshuizen, armenhuizen, onderwijs. De eerste ziekenhuizen ontstaan uit de opvanghuizen voor zieke pelgrims (hospitium in het Latijn). Woorden als hospitaal en gasthuis herinneren hier nog aan. Ziekenzorg komt voort uit gastvrijheid.
Bij de ontwikkeling van (middeleeuwse) bedevaarten spelen kloosters ook een belangrijke rol. Het vestigen van een klooster bij een heilige plek (het bedevaartsoord) ligt voor de hand. Later worden kloosters soms ook doelbewust gesticht langs drukke pelgrimswegen om onderdak te kunnen bieden aan de pelgrimsstromen.
Op zijn webpagina over zorggeschiedenis geeft Jurjen Vis een mooi voorbeeld uit ons eigen land: "Zo komt het oudste Alkmaarse gasthuis (1341) voort uit het gasthuis bij de Abdij van Egmond. Dat was ontstaan omdat pelgrims vanaf de vroege middeleeuwen (8ste eeuw) genezing zochten en vonden bij het gebeente van Sint Adalbert dat in Egmond werd bewaard."
2. Spiritualiteit
Een pelgrim verlaat zijn vertrouwde bestaan en gaat op weg naar een heilige plaats, een plek waar een heilige is gestorven of waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaats gevonden. De weg die een pelgrim gaat, staat symbool voor de levensweg en voor de geloofsweg.
Als je goed luistert naar het verhaal van de Barmhartige Samaritaan kan je heel wat parallellen ontdekken.
Maar de hardheid van ons gemoed en ons eigenbelang
zijn tegenkrachten, die maar moeizaam overwonnen worden.
3. De pelgrimstocht als vindplaats van diaconie
Mensen gaan om heel verschillende redenen op pelgrimstocht of bedevaart. Op dit complex van motieven kom in zeker nog terug. Een van de motieven is het zoeken van genezing, lichamelijk, psychisch en/of geestelijk. Dat is heel duidelijk bij mensen die naar Lourdes gaan. Een pelgrimstocht wordt ook vaak ondernomen als overgangsritueel van de ene levensfase naar de andere. Hoeveel mensen lopen niet naar Santiago als ze hun studie hebben afgesloten, met pensioen gaan of een relatie is beeindigd.
4. Aalmoezen geven/barmhartigheid doen
Het geven van aalmoezen was vroeger een standaardpraktijk van mensen die op bedevaart gingen. Een zitplaats bij de ingang van een bedevaartskerk was een zeer begeerde plek voor bedelaars en zwervers. Daar viel wat te halen.
De ervaring van een bedevaart zet mensen aan om hun gedrag blijvend te veranderen en te gaan wijden aan het helpen van anderen.
Onlangs kwam ik ook een mooi verhaal tegen in het boek van Gert Landman over het Ierse hoogkruis in De Bilt. In de herfst van 2013 is daar een hoogkruis opgericht om te gedenken, dat rond het jaar 1113 enkele ridders zich terug trokken in het veen om er een klooster te stichten. Een middeleeuwse kroniek meldt dat één van deze ridders, waarschijnlijk Theoderik, vooraf op bedevaart was geweest naar de louteringsgrot van St. Patrick in Noord-West Ierland. Uit heel Europa kwamen daar ridders naar toe om boete te doen voor hun krijgsverleden en een ander leven te beginnen.
Kennelijk heeft die ebdevaart indruk gemaakt. Gelouterd kwam Theoderik terug en stichtte samen met ridder Herman het Sint Laurensklooster bij Oostbroek. (Laurens is de diaken Laurentius, een populaire diaconale heilige die ook patroonheilige is van de steden Alkmaar en Rotterdam).Vanuit het klooster werd het omliggende moerasgebied ontgonnen en zo ontstonden in de loop van enkele eeuwen de kernen van de huidige gemeente De Bilt.
5. Financieren van een bedevaart
In mijn cursus 'Het Handwerk van de PCI' gaat een van de oefeningen over criteria voor financiele hulpverlening. De meest heftige emoties roept een aanvraag op voor de bekostiging van een bedevaart naar Lourdes voor een oudere vrouw die ziekelijk is, al enige jaren niet op vakantie is geweest en de bedevaart niet zelf kan betalen. Is dit nu een nood, die een PCI kan bekostigen? Voor sommigen is het ecident, anderen zijn mordicus tegen.
6. De pelgrimstocht als fondswerving voor een goed doel
Sportieve prestaties zijn tegenwoordig in als middel om geld in te zamelen voor een goed doel. Jij ziet af en tegelijk wordt een ander er beter van. Dat zie je vooral bij de kankerbestrijding (denk aan Alpe d'HuZes, RopaRun, Samenloop voor Hoop, Mariekeloop e.d.). Maar mensen gaan ook op weg naar Santiago en laten zich sponsoren voor een ontwikkelingsproject of een ander goed doel.
Misschien zijn er nog wel meer raakvlakken of kunnen de raakvlakken nog wat pregnanter ingevuld worden. De tijd zal het leren.
1. De rol van kloosters
Historisch speelden kloosters een belangrijke rol, zowel bij de ontwikkeling van diaconie als bij pelgrimeren.
In zijn historische schets van de diaconie typeert Peter Nissen de fase tussen het einde van het Romeinse rijk en de Hoge Middeleeuwen als het kloosterlijke model van diaconie. Het zijn de kloosters, verbonden aan de bisschopskerk, die de zorg gaan dragen voor armenzorg en de daaruit voortkomende instituties, zoals ziekenhuizen, weeshuizen, armenhuizen, onderwijs. De eerste ziekenhuizen ontstaan uit de opvanghuizen voor zieke pelgrims (hospitium in het Latijn). Woorden als hospitaal en gasthuis herinneren hier nog aan. Ziekenzorg komt voort uit gastvrijheid.
Bij de ontwikkeling van (middeleeuwse) bedevaarten spelen kloosters ook een belangrijke rol. Het vestigen van een klooster bij een heilige plek (het bedevaartsoord) ligt voor de hand. Later worden kloosters soms ook doelbewust gesticht langs drukke pelgrimswegen om onderdak te kunnen bieden aan de pelgrimsstromen.
Op zijn webpagina over zorggeschiedenis geeft Jurjen Vis een mooi voorbeeld uit ons eigen land: "Zo komt het oudste Alkmaarse gasthuis (1341) voort uit het gasthuis bij de Abdij van Egmond. Dat was ontstaan omdat pelgrims vanaf de vroege middeleeuwen (8ste eeuw) genezing zochten en vonden bij het gebeente van Sint Adalbert dat in Egmond werd bewaard."
2. Spiritualiteit
Een pelgrim verlaat zijn vertrouwde bestaan en gaat op weg naar een heilige plaats, een plek waar een heilige is gestorven of waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaats gevonden. De weg die een pelgrim gaat, staat symbool voor de levensweg en voor de geloofsweg.
Als je goed luistert naar het verhaal van de Barmhartige Samaritaan kan je heel wat parallellen ontdekken.
‘Er was eens iemand die van
Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem
zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten.
Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen,
liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het
zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan
echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie
en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en
bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf
hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten
moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” (Lc 10, 30 -35)
Diaconie - zorg verlenen aan
een mens in nood - is heel concreet handelen, maar het is ook een spirituele
activiteit (vgl. de beleidsnota diaconie van het aartsbisdom Utrecht, 'In Gods naam doen', p. 42-43). Je kan het zien als een weg gaan, een weg met verschillende
stappen.
De eerste stap is: je
openstellen voor de ander en diens nood. Dat houdt ook in: je losmaken van iets
anders, van je eigen besognes, je eigen vooropgezette ideeën en bedoelingen. De
priester en de leviet waren daartoe niet in staat. Zij - en wij - ontlopen de
ellende graag.
De tweede stap: de Samaritaan
loopt er niet met een boog omheen, maar hij stapt er op af. Toen hij de man aan
de kant van de weg zag liggen, kreeg hij medelijden. Je moet eerst zien, dan
gebeurt er iets met je.
Derde stap: als je zo geraakt
wordt, sta je voor een keuze: vluchten of iets doen. Het draaipunt van
toewijding naar toewending ligt bij het geraakt worden door de ander, door God.
Je gaat een verbinding aan met de ander. Toewijding en zorg krijgen zo een
praktische gestalte.
De vierde stap: je moet een
nieuwe bekoring overwinnen: jezelf onmisbaar maken. De Samaritaan draagt de
zorg over aan de herbergier en vervolgt zijn weg. Hij blijft wel betrokken,
maar schakelt anderen in.
Zo diaconie bedrijven heeft
wel wat van het gaan van een pelgrimsweg. Of zoals Herman Andriessen eens
schreef:
De weg naar klare barmhartigheid
Wat is moeilijker dan de weg
naar klare barmhartigheid?
Zonder barmhartigheid kan
niemand bestaan.Maar de hardheid van ons gemoed en ons eigenbelang
zijn tegenkrachten, die maar moeizaam overwonnen worden.
De pelgrimsweg is voor deze
dingen een werkelijke leerschool,
want hij maakt ons tot armen
in een vreemd land....3. De pelgrimstocht als vindplaats van diaconie
Mensen gaan om heel verschillende redenen op pelgrimstocht of bedevaart. Op dit complex van motieven kom in zeker nog terug. Een van de motieven is het zoeken van genezing, lichamelijk, psychisch en/of geestelijk. Dat is heel duidelijk bij mensen die naar Lourdes gaan. Een pelgrimstocht wordt ook vaak ondernomen als overgangsritueel van de ene levensfase naar de andere. Hoeveel mensen lopen niet naar Santiago als ze hun studie hebben afgesloten, met pensioen gaan of een relatie is beeindigd.
4. Aalmoezen geven/barmhartigheid doen
Het geven van aalmoezen was vroeger een standaardpraktijk van mensen die op bedevaart gingen. Een zitplaats bij de ingang van een bedevaartskerk was een zeer begeerde plek voor bedelaars en zwervers. Daar viel wat te halen.
De ervaring van een bedevaart zet mensen aan om hun gedrag blijvend te veranderen en te gaan wijden aan het helpen van anderen.
Onlangs kwam ik ook een mooi verhaal tegen in het boek van Gert Landman over het Ierse hoogkruis in De Bilt. In de herfst van 2013 is daar een hoogkruis opgericht om te gedenken, dat rond het jaar 1113 enkele ridders zich terug trokken in het veen om er een klooster te stichten. Een middeleeuwse kroniek meldt dat één van deze ridders, waarschijnlijk Theoderik, vooraf op bedevaart was geweest naar de louteringsgrot van St. Patrick in Noord-West Ierland. Uit heel Europa kwamen daar ridders naar toe om boete te doen voor hun krijgsverleden en een ander leven te beginnen.
Kennelijk heeft die ebdevaart indruk gemaakt. Gelouterd kwam Theoderik terug en stichtte samen met ridder Herman het Sint Laurensklooster bij Oostbroek. (Laurens is de diaken Laurentius, een populaire diaconale heilige die ook patroonheilige is van de steden Alkmaar en Rotterdam).Vanuit het klooster werd het omliggende moerasgebied ontgonnen en zo ontstonden in de loop van enkele eeuwen de kernen van de huidige gemeente De Bilt.
5. Financieren van een bedevaart
In mijn cursus 'Het Handwerk van de PCI' gaat een van de oefeningen over criteria voor financiele hulpverlening. De meest heftige emoties roept een aanvraag op voor de bekostiging van een bedevaart naar Lourdes voor een oudere vrouw die ziekelijk is, al enige jaren niet op vakantie is geweest en de bedevaart niet zelf kan betalen. Is dit nu een nood, die een PCI kan bekostigen? Voor sommigen is het ecident, anderen zijn mordicus tegen.
6. De pelgrimstocht als fondswerving voor een goed doel
Sportieve prestaties zijn tegenwoordig in als middel om geld in te zamelen voor een goed doel. Jij ziet af en tegelijk wordt een ander er beter van. Dat zie je vooral bij de kankerbestrijding (denk aan Alpe d'HuZes, RopaRun, Samenloop voor Hoop, Mariekeloop e.d.). Maar mensen gaan ook op weg naar Santiago en laten zich sponsoren voor een ontwikkelingsproject of een ander goed doel.
Misschien zijn er nog wel meer raakvlakken of kunnen de raakvlakken nog wat pregnanter ingevuld worden. De tijd zal het leren.
maandag 10 maart 2014
Pelgrimeren (1)
Het is niet voor het eerst, dat ik mij ga verdiepen in de literatuur over pelgrimeren. In 2010 leidde ik een project bij het bisdom Rotterdam over pelgrimages en bedevaarten onder de titel 'Met lichaam, ziel en geest op stap'. In dat kader heb ik toen ook enige literatuur bestudeerd. De tekst die nu volgt, is een enigszins bewerkte versie van een tekst die ik indertijd voor de website van het bisdom heb geschreven. Hij kan mooi dienen als uitgangsbasis voor mijn sabbatverlof.
Pelgrimeren
Als uitgangspunt gebruikte ik toen de omschrijving van Ian Bradley uit zijn boek 'Pilgrimage' (2009)
het achterlaten van het dagelijks leven op een reis op zoek naar spiritueel welzijn.
De reis gaat daarbij naar een plaats waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaats gevonden of waar een heilige wordt herdacht. Die reis kan lang zijn of kort, maar essentieel is dat je je eigen woonplaats, je werkplek, je parochie verlaat: je moet je dagelijks leven achterlaten.
Later kwam ik ook een omschrijving tegen van P.J. Margry, die in zijn bondigheid mij ook aanspreekt. Een bedevaart of pelgrimage is een "religieus geïnspireerde individuele of collectieve tocht naar een heilige plaats."
De getallenIn de christelijke bedevaarttraditie is het aanwezig zijn op de heilige plaats het meest essentieel. Alleen al in West-Europa zijn meer dan 6000 levende bedevaartplaatsen vastgesteld. Deze pelgrimsoorden zijn voor 66 % gewijd aan Maria, voor 26 % aan een apostel of heilige en voor 7 % aan Christus. De digitale databank ‘Bedevaart en bedevaartplaatsen in Nederland’ vermeldt 666 bedevaartplaatsen, die in ons land bestaan (250) of ooit hebben bestaan. Ongeveer vijftig daarvan liggen in de provincie Zuid-Holland. De bedevaarten uit de Middeleeuwen verdwenen hier na de reformatie, toen het katholieken in de Republiek verboden werd hun godsdienst publiekelijk uit te oefenen. Mensen die toch op bedevaart wilden, weken uit naar bedevaartoorden net over de grens zoals Kevelaer en Scherpenheuvel.
In de 19e of 20e eeuw hebben een aantal plaatsen een herleving gekend of werden een nieuwe bedevaartplaats. Momenteel kent het bisdom Rotterdam tien levende bedevaartplaatsen.
De reisVeel bedevaarten hebben de vorm van een georganiseerde gezamenlijke gebedstocht. Maar mensen gaan ook individueel op reis naar een pelgrimsoord of een andere betekenisvolle plek.
Pelgrimeren beperkt zich niet tot de christelijke wereld. Ook andere culturen kennen dit verschijnsel. Pelgrimeren heeft een antropologische basis: de mens op zoek naar het heilige, op zoek naar de zin van het bestaan.
Met lichaam...Pelgrimeren is een heel lijfelijke en zintuiglijke activiteit. Tijdens een pelgrimage kun je allerlei dingen doen: lopen, zingen, bidden, praten, symbolische handelingen verrichten (stenen wegwerpen, water sprenkelen, handen laten opleggen, e.d.). Het is voor velen gemakkelijker om je geloof lopend te uiten dan pratend. Een aantrekkelijke kant van pelgrimeren is verder, dat je tijdelijk deel uit maakt van een egalitaire gemeenschap: tijdens een pelgrimstocht vallen allerlei sociale verschillen weg.
...ziel en geest
Pelgrimeren is een populair thema, dat brede groepen aanspreekt, ook mensen die niet of niet meer zo kerks zijn. Het is zo ook relevant in het kader van de missionaire kerk. In onze cultuur is het immers niet zo vanzelfsprekend om met anderen over zingeving en spiritualiteit te spreken. Pelgrimerend wandelen maakt dat gemakkelijker. In de ontmoeting met anderen komen mensen al pratend tot gedachten en inzichten die ze wellicht niet eerder uit konden of wilden spreken. En daarin kan, soms, ook iets oplichten van de Ander. Dat gebeurt bijna terloops en ongezocht.
Gemeenschap
De pelgrimstocht biedt het kader, waarin deze ontmoetingen kunnen plaats vinden. Je kunt je aansluiten bij de tijdelijke gemeenschap onderweg, bij het grotere gebeuren in het bedevaartsoord, bij de geloofsbeleving die daaruit spreekt, bij degenen die je hierin zijn voorgegaan. De routes naar Santiago de Compostela of andere grotere bedevaartplaatsen zijn kralensnoeren van verhalen van pelgrims.
Geloofsweg
Ten slotte, de pelgrimsweg kun je zien als een symbool van de levensweg én van de geloofsweg. Op de pelgrimsweg treden dezelfde verschijnselen op als op de andere wegen: de werking van het verlangen, onderlinge conflicten, gelukservaringen, ervaringen van eenzaamheid en samenzijn, confrontatie met eigen beperkingen, twijfel, vinden van zin en geloof.
Veel pelgrims hebben de ervaring opgedaan, dat een pelgrimstocht een weldadige werking heeft. Zij zijn zich meer bewust geworden van de kwaliteit van het leven. Tijdens een pelgrimstocht neem je even afstand van het gewone dagelijkse leven en worden basale zaken belangrijk.
Nu kan niet iedereen een lange pelgrimstocht maken, maar ook beknopte vormen kunnen spiritueel weldadig zijn. En je kunt de beleving cultiveren door bewust enige rituelen en handelingselementen in te bouwen in de trits voorbereiding – vertrek (achterlaten) – onderweg zijn – aankomen – terugreizen. Een afwisseling van lopen, zingen, zwijgen, lezen van teksten en gezamenlijke reflectie daarop is daarbij behulpzaam.
Pelgrimeren
Als uitgangspunt gebruikte ik toen de omschrijving van Ian Bradley uit zijn boek 'Pilgrimage' (2009)
het achterlaten van het dagelijks leven op een reis op zoek naar spiritueel welzijn.
De reis gaat daarbij naar een plaats waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaats gevonden of waar een heilige wordt herdacht. Die reis kan lang zijn of kort, maar essentieel is dat je je eigen woonplaats, je werkplek, je parochie verlaat: je moet je dagelijks leven achterlaten.
Later kwam ik ook een omschrijving tegen van P.J. Margry, die in zijn bondigheid mij ook aanspreekt. Een bedevaart of pelgrimage is een "religieus geïnspireerde individuele of collectieve tocht naar een heilige plaats."
De getallenIn de christelijke bedevaarttraditie is het aanwezig zijn op de heilige plaats het meest essentieel. Alleen al in West-Europa zijn meer dan 6000 levende bedevaartplaatsen vastgesteld. Deze pelgrimsoorden zijn voor 66 % gewijd aan Maria, voor 26 % aan een apostel of heilige en voor 7 % aan Christus. De digitale databank ‘Bedevaart en bedevaartplaatsen in Nederland’ vermeldt 666 bedevaartplaatsen, die in ons land bestaan (250) of ooit hebben bestaan. Ongeveer vijftig daarvan liggen in de provincie Zuid-Holland. De bedevaarten uit de Middeleeuwen verdwenen hier na de reformatie, toen het katholieken in de Republiek verboden werd hun godsdienst publiekelijk uit te oefenen. Mensen die toch op bedevaart wilden, weken uit naar bedevaartoorden net over de grens zoals Kevelaer en Scherpenheuvel. In de 19e of 20e eeuw hebben een aantal plaatsen een herleving gekend of werden een nieuwe bedevaartplaats. Momenteel kent het bisdom Rotterdam tien levende bedevaartplaatsen.
De reisVeel bedevaarten hebben de vorm van een georganiseerde gezamenlijke gebedstocht. Maar mensen gaan ook individueel op reis naar een pelgrimsoord of een andere betekenisvolle plek.
Pelgrimeren beperkt zich niet tot de christelijke wereld. Ook andere culturen kennen dit verschijnsel. Pelgrimeren heeft een antropologische basis: de mens op zoek naar het heilige, op zoek naar de zin van het bestaan.
Met lichaam...Pelgrimeren is een heel lijfelijke en zintuiglijke activiteit. Tijdens een pelgrimage kun je allerlei dingen doen: lopen, zingen, bidden, praten, symbolische handelingen verrichten (stenen wegwerpen, water sprenkelen, handen laten opleggen, e.d.). Het is voor velen gemakkelijker om je geloof lopend te uiten dan pratend. Een aantrekkelijke kant van pelgrimeren is verder, dat je tijdelijk deel uit maakt van een egalitaire gemeenschap: tijdens een pelgrimstocht vallen allerlei sociale verschillen weg.
...ziel en geest
Pelgrimeren is een populair thema, dat brede groepen aanspreekt, ook mensen die niet of niet meer zo kerks zijn. Het is zo ook relevant in het kader van de missionaire kerk. In onze cultuur is het immers niet zo vanzelfsprekend om met anderen over zingeving en spiritualiteit te spreken. Pelgrimerend wandelen maakt dat gemakkelijker. In de ontmoeting met anderen komen mensen al pratend tot gedachten en inzichten die ze wellicht niet eerder uit konden of wilden spreken. En daarin kan, soms, ook iets oplichten van de Ander. Dat gebeurt bijna terloops en ongezocht.
Gemeenschap
De pelgrimstocht biedt het kader, waarin deze ontmoetingen kunnen plaats vinden. Je kunt je aansluiten bij de tijdelijke gemeenschap onderweg, bij het grotere gebeuren in het bedevaartsoord, bij de geloofsbeleving die daaruit spreekt, bij degenen die je hierin zijn voorgegaan. De routes naar Santiago de Compostela of andere grotere bedevaartplaatsen zijn kralensnoeren van verhalen van pelgrims.
Geloofsweg
Ten slotte, de pelgrimsweg kun je zien als een symbool van de levensweg én van de geloofsweg. Op de pelgrimsweg treden dezelfde verschijnselen op als op de andere wegen: de werking van het verlangen, onderlinge conflicten, gelukservaringen, ervaringen van eenzaamheid en samenzijn, confrontatie met eigen beperkingen, twijfel, vinden van zin en geloof.
Veel pelgrims hebben de ervaring opgedaan, dat een pelgrimstocht een weldadige werking heeft. Zij zijn zich meer bewust geworden van de kwaliteit van het leven. Tijdens een pelgrimstocht neem je even afstand van het gewone dagelijkse leven en worden basale zaken belangrijk.
Nu kan niet iedereen een lange pelgrimstocht maken, maar ook beknopte vormen kunnen spiritueel weldadig zijn. En je kunt de beleving cultiveren door bewust enige rituelen en handelingselementen in te bouwen in de trits voorbereiding – vertrek (achterlaten) – onderweg zijn – aankomen – terugreizen. Een afwisseling van lopen, zingen, zwijgen, lezen van teksten en gezamenlijke reflectie daarop is daarbij behulpzaam.
Abonneren op:
Posts (Atom)



