donderdag 12 maart 2020

Historische modellen van diaconie. Deel 6


VAN DE FRANSE TIJD (1795) TOT INVOERING BIJSTANDSWET (1965) – MAATSCHAPPELIJK WERK EN SOCIAAL-CHARITATIEVE CENTRA

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het maartnummer (2020-01) verscheen het zesde deel. Dit is een uitvoeriger versie. 


In de vorige twee delen heb ik de rol belicht van de katholieke armbesturen, de congregaties en lekenverenigingen op het gebied van de katholieke armenzorg in de anderhalve eeuw tussen de Bataafse Republiek en de invoering van de bijstandswet. Het accent lag daarbij op de negentiende eeuw. In dit deel besteed ik aandacht aan de ontwikkeling van het (katholieke) maatschappelijk werk in de twintigste eeuw. ‘Maatschappelijk werk’ bestreek in die tijd een breder terrein dan nu en zou je kunnen zien als een bijzondere uitwerking van de niet-materiële armenzorg.

De tweede helft van de negentiende eeuw liet veel veranderingen zien. De opkomende industrialisatie ging gepaard met een trek van werkzoekende arbeiders naar de steden. Arbeiders en ambachtslieden organiseerden zich in vakorganisaties en voerden actie om hun situatie te verbeteren. Onderwijsmogelijkheden namen toe. Oude elites kregen minder macht. Nieuwe politieke bewegingen op basis van geloof of levensbeschouwing kwamen op: liberalen, gereformeerden, katholieken en socialisten. Die kozen geleidelijk voor maatschappelijke blokvorming als strategie om zich sterk te maken. In een tijd van snelle veranderingen bood de eigen zuil beschutting. (Van der Linde, 2007, 151-152)

Het werkveld van de armenzorg veranderde daardoor. De klassieke vormen van bedeling door kerkelijke armbesturen en particuliere initiatieven waren niet toereikend. De burgerlijke armbesturen gingen een grotere rol spelen (zie deel 4). De rol van de overheid nam toe via subsidies, wetgeving en toezicht. Nieuwe vormen van armenzorg kwamen op, die uitgingen van mensen uit de middenklasse. Er vond een overgang plaats van vrije tijdswerk naar beroepsarbeid, ook voor vrouwen.  En er werden speciale opleidingen hiervoor in het leven geroepen.

Elberfelder stelsel

De nieuwe vormen van armenzorg bouwden voort op historische voorbeelden. Een daarvan is het Elberfelder stelsel. Elberfeld was een stadje in het Wuppertal (nu stadsdeel van Wuppertal), waar rond 1850 de gemeentelijke armenzorg op een nieuwe leest werd geschoeid. Het stelsel berustte op de volgende beginselen (Bijlsma/Jansen, 42. Michielse 86):

  1. Een kleinschalige aanpak door verdeling van de stad in 252 kwartieren. Vijftien kwartieren vormden samen een wijk.
  2. Elk kwartier van vier tot maximaal tien gezinnen werd toebedeeld aan een vrijwillige armenbezoeker.
  3. Bij het toekennen van hulp stond de individuele aanpak voorop. Als een arme familie een verzoek tot ondersteuning deed, legde de armenbezoeker eerst een huisbezoek af om de aanvraag te onderzoeken. 
  4. Elke veertien dagen kwamen de armenbezoekers in een wijk bijeen, waar onder leiding van de wijkvoorzitter de aanvragen werden behandeld. Werd een aanvraag toegekend, dan kreeg de armenbezoeker het geld, de voedselbonnen of kleding op de volgende bijeenkomst om het naar het gezin te brengen. De ondersteuning was voor maximaal twee weken. Daarna moest weer een nieuwe aanvraag worden ingediend en moest de familie weer worden bezocht.
  5. Een belangrijke taak was ook om voor armen die konden werken, werk te zoeken.
Het nieuwe systeem, een vorm van patronaatswerk, had veel succes en werd door veel steden in Duitsland overgenomen. In Nederland kende de Armenwet een veel beperkter rol toe aan de gemeentelijke overheid. Hier vormde het Elberfelder stelsel met zijn individuele aanpak en zijn nadruk op ‘hulp tot zelfhulp’ de inspiratiebron voor de oprichting van allerlei nieuwe ‘Vereenigingen voor Vrijwillige Armenzorg’, zoals ‘Liefdadigheid naar Vermogen’ in Amsterdam (1871), ‘Vereeniging tot verbetering van Armenzorg’ in Rotterdam (1877) en Utrecht (1890) en ‘Tot heil der armen’ in Dordrecht (1880).

Andere werksoorten

Er kwamen ook andere werksoorten op aan het eind van de negentiende eeuw. Het kruiswerk richtte zich op preventie van ziekten, verbetering van de hygiëne en gezondheidsvoorlichting. De eerste afdeling van het Witte Kruis werd in Hilversum opgericht in 1875. Het woningwerk ontstond in Amsterdam, waar woningopzichteressen wekelijks in elk gezin kwamen om de huur te innen en over woongewoonten te praten.  Het eerste volkshuis Ons Huis in de Amsterdamse Jordaan (1892) kan gezien worden als de start van het buurthuiswerk. Bij veel van deze initiatieven speelden vrouwen een belangrijke rol en ze konden dit werk ook beroepsmatig gaan uitoefenen. Dat verhoogde de vraag naar professionele scholing

Beroepsopleiding

In september 1899 startte de eerste ‘Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid’ in een leslokaal van Ons Huis in Amsterdam. Na de spoorwegstaking van 1903 werd de naam veranderd in ‘School voor Maatschappelijk Werk’: de oude naam riep teveel associaties op met socialisme. De opleiding wilde ‘algemeen’ zijn, maar paste politiek meer in de links-liberale en sociaaldemocratische richting en levensbeschouwelijk in die van het vrijzinnig protestantisme. Men richtte zich bij de start op vijf werksoorten: inspectrice van arbeiderswoningen, armenzorg, Toynbee-werk (Volkshuizen), zorg voor kinderen in tehuizen en opzichterschap in fabrieken. De opleiding was een mix van theoretische en praktische vorming.              
De schoolstrijd was nog maar nauwelijks geëindigd, of de katholieken richtten ook eigen opleidingen op. De eerste Rooms-katholieke School voor Maatschappelijk Werk opende in 1920 haar deuren in Sittard. Het initiatief daartoe was genomen door het Limburgse Groene Kruis, die daarmee niet alleen de sociale omstandigheden wilde verbeteren, maar ok de positie van de kerk wilde versterken in de Limburgse industriegebieden. Een jaar later startte op initiatief van de RK Vrouwenbond een tweede katholieke school voor maatschappelijk werk in Amsterdam. Grondlegster en jarenlang directrice was Fé Haye (1891-1948), die via de priester Alphons Ariëns het maatschappelijk werk had leren kennen.
De verschillen tussen de opleidingen zaten vooral op het gebied van de godsdienstige vorming. De katholieke scholen hadden ook een eigen vak ‘sociaal werk in de parochie’. (Van der Linde, 2012)

Methodiek

Maar de opleidingen verschilden niet zoveel van elkaar in het op de praktijk gerichte onderwijs en de methodieklessen. Daarin nam het social casework een belangrijke plaats in. Die methode was in het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten ontwikkeld, met name door Mary Richmond. Daarin werd voortgebouwd op het armenbezoek door vrijwilligers van het Elbenfelder stelsel. Aan armenzorg en individuele hulpverlening moet onderzoek voorafgaan. En de werker moet de cliënten actief betrekken bij de aanpak van hun problemen. Daarvoor kunnen hulpbronnen worden gemobiliseerd in de persoon van de cliënt, zijn gezin en familie, de omgeving, particuliere verenigingen en overheidsinstellingen. In Nederland zijn aan het social casework vooral de namen verbonden van de hervormde docent J.H. Adriani en zijn van huis uit gereformeerde leerlinge Marie Kamphuis. Maar de eerste Nederlandse vertaling van Richmond’s standaardwerk Social Cadework verscheen al in 1926 van de hand van zuster Marie Onnen onder de titel ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de Nederlandse Vereniging voor Armenzorg en Weldadigheid, waarin een groot aantal organisaties op het gebied van de armenzorg sinds 1908 samenwerkten, haar naam in de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werk.
Die naamsverandering was tekenend. ‘Maatschappelijk werk’ werd gezien als de toekomst voor de armenzorg. De nieuwe vereniging wilde een federatieve koepel zijn voor alle nieuwe initiatieven die zich na de bevrijding hadden gestort op de hulp aan oorlogsslachtoffers en ze kreeg de leiding in de reorganisatie en herstructurering van de sociale zorg. Al tijdens de oorlog had een kleine commissie onder leiding van Romme daartoe de eerste aanzetten gegeven.

Katholieke visie: sociaal-charitatief werk

Aan katholieke kant stond men kritisch tegenover deze ontwikkelingen. Men was bang dat met de nieuwe organisaties de overheid een monopolie zou krijgen in het maatschappelijk werk en dat dit werk zo zijn levensbeschouwelijke karakter zou verliezen. Daarom hadden de bisschoppen al in 1944 een adviescommissie Armenzorg in het leven geroepen, die in 1947 verderging als Bisschoppelijke Adviescommissie op Sociaal-charitatief terrein. Die bracht in 1948 een rapport uit, waarin werd geconstateerd dat er teveel versnippering aan katholieke kant was, teveel materiële noodleniging en te weinig betrokkenheid van de parochiële zielzorg. Daarom zouden er sociaal-charitatieve centra moeten worden opgericht, waarin alle initiatieven gebundeld konden worden. Als ideologisch uitgangspunt gold: “De plicht, rustend op iedere katholiek te zorgen voor het eeuwig heil van de evennaaste en vooral van de geloofsgenoot, eist dat hij dit (sociaal-charitatieve) werk zelf op zich neemt.” Apostolaat en naastenliefde schraagden zo dit werk. De parochie werd gezien als een groot gezin, waar de leden naar elkaar omkeken. Priesters en leken zouden moeten samenwerken en de (katholieke) maatschappelijk werkster vormde de schakel tussen zielzorg en maatschappelijk werk.

In 1950 werd in Den Bosch het Landelijk Sociaal-Charitatief Centrum (LSCC) opgericht, waarin zowel de oude armenzorg als het maatschappelijk werk samenkwamen. Het centrum bevorderde de oprichting van parochiële centra, fungeerde als adviesorgaan van de bisschoppen, trad op als vertegenwoordiger van alle katholieke charitatieve organisaties in de contacten met de overheid en onderhield ook internationale contacten. Zo was zij de officiële Nederlandse vertegenwoordiger bij Caritas Internationalis. Met een bureau van bescheiden omvang zou het LSCC grote invloed krijgen op de ontwikkeling van het maatschappelijk werk in Nederland, volgens Ney “vanwege de kwaliteit van zijn ideeën, zijn tactisch inzicht en niet op de laatste plaats wegens de kwantiteit van de maatschappelijke groep die het vertegenwoordigde.”

Subsidiariteitsbeginsel of subsidiebeginsel?

Een goed voorbeeld daarvan betreft het doordenken van de verhouding tussen de katholieke caritas en de overheid. In het LSCC-bestuur ontwikkelde de priester-jurist J.J. Loeff een nieuwe gedachtegang vanuit het subsidiariteitsbeginsel.


Traditioneel werd die verhouding hiërarchisch uitgelegd, waarbij het kerkelijke initiatief van hoger orde was dan dat van de overheid. Loeff ging uit van een complementaire (aanvullende) relatie. In zijn opvatting was het de taak van het katholiek sociaal-charitatief werk om mensen door middel van het beoefenen van caritas tot zelfheiliging te brengen, terwijl de overheid zorgde voor behoorlijke sociale voorwaarden en het ter beschikking stellen van financiën daarvoor. Sommige niet-katholieken verweten hem, dat hij de belastingbetaler wilde laten opdraaien voor de kosten van de katholieke caritas. Zijn antwoord was simpel: katholieken betalen ook belasting. Maar de overheid had wel het recht op controle van de bestedingen. Volgens de socialist Hein Vos werd het subsidiariteitsbeginsel zo meer een subsidiebeginsel onder het motto ‘wij de macht, met jullie centen’.
Die veranderde houding ten aanzien van de overheid en de instelling in 1952 van een apart Ministerie voor Maatschappelijk Werk leidde tot een grote bloei van de levensbeschouwelijk georganiseerde immateriële hulp en dienstverlening.
Begin jaren zestig bestonden er naast het LSCC zeven diocesane centra, 25 provinciale en regionale centra (waaronder het Katholiek Sociaal Caritatief Centrum Friesland – zie het artikel van Jan Bosman in de vorige D&P), honderden parochiële centra en ruim 200 stedelijke of interparochiële centra. In het bestuur van het LSCC waren naast de diocesane centra ook landelijke instellingen vertegenwoordigd als het Katholiek Verbond voor Kinderbescherming, de Reclasseringsvereniging, de Nationale Katholieke Stichting voor Bijzonder Gezinswerk en Jeugdzorg, de RK Vereniging voor Woonwagenwerken, de RK Cupertinostichting (zwakzinnigenzorg), de Vincentiusvereniging en het Ned. R.K. Huisvestingscomité, waaruit Mensen in Nood zou voortkomen. Die samenstelling weerspiegelt de ontwikkeling, dat in de loop van de jaren vijftig de sociaal-charitatieve centra zich steeds meer gingen toeleggen op het maatschappelijk werk en de traditionele armenzorg vrijwel geheel uit beeld verdween. Door de toenemende professionalisering ging het maatschappelijk werk ook steeds meer afstand nemen van de oude vormen van naastenliefde en apostolaat. “Wanneer het maatschappelijk werk bedoelt, de medemens te helpen zichzelf weer te helpen, komt dit wel eens erg in het gedrag waar religieuzen levensmiddelen, kleding en geld ter beschikking krijgen voor hun gezinnen, i.p.v. de mensen zelf te activeren om doeltreffende oplossingen te zoeken door bijvoorbeeld scholing, goede budgettering, advies vragen bij bureau voor huwelijksmoeilijkheden etc.” concludeerden twee zusters die zelf maatschappelijk werkster waren. (in Van Heijst, 423)

Van liefdadigheidsstaat naar verzorgingsstaat

In de afgelopen drie delen heb ik een aantal ontwikkelingen geschetst op het gebied van de katholieke armenzorg in de periode van 1795 tot 1965. Die periode zou je inhoudelijk kunnen typeren als een ontwikkeling van liefdadigheidsstaat naar verzorgingsstaat. Aanvankelijk lag het initiatief bij particulieren en kerkelijke instellingen. In de loop der tijd werd de invloed van de overheid groter, waarbij het goed is onderscheid te maken tussen drie rollen van de overheid in de relatie met het particulier initiatief: geldverstrekker, wetgever en toezichthouder. Op het gebied van de materiële armenzorg zagen we, dat de rol van geldverstrekker al snel groeide en de overheid ook zelf meer en meer uitvoerder werd. Met de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 verdween de kerkelijke armenzorg naar de marge. Op het gebied van de immateriële armenzorg ontstonden er allerlei vormen van maatschappelijk werk, door katholieken ook wel sociaal-charitatief werk genoemd. Die sector groeide niet door een indamming van het particulier initiatief, maar juist door ondersteuning en regulering. De overheid had het particulier initiatief nodig, omdat zij zelf niet de netwerken van voorzieningen kon leveren en het particulier initiatief had de financiën van de overheid nodig voor de uitbouw, terwijl toezicht en opleidingseisen voor de nodige kwaliteitsverbetering zorgden. Het aanvankelijke voornemen in de jaren vijftig om de armenzorg en het maatschappelijk werk in één wet systematisch en in onderling verband te regelen, ging niet door. De Welzijnswet zou pas later komen.

Belangrijkste literatuur


Jan Bijlsma en Hay Janssen, Sociaal werk in Nederland. Vijfhonderd jaar verheffen en verbinden, Bussum 2008

Lambert J. Giebels, Beel: van vazal tot onderkoning. Biografie 1902-1977, Den Haag/Nijmegen, 2017

Annelies van Heijst, Marjet Derks en Marit Monteiro, Ex caritate. Kloosterleven, apostolaat en nieuwe spirit van actieve vrouwelijke religieuzen in Nederland in de 19e en 20e eeuw, Hilversum, 2010

Maarten van der Linde, Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland, Amsterdam, 2007

Maarten van der Linde. Erfgoed van het Hoger SociaalAgogisch Onderwijs. Terugblik op ruim honderd jaar opleiden voor sociale beroepen 1899 – 2012, versie 3.0, Utrecht, 2012

H.C.M. Michielse, De burger als andragoog. Een geschiedenis van 125 jaar welzijnszorg (1848-1972),  Amsterdam, 1977


maandag 27 januari 2020


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 5: VAN DE FRANSE TIJD (1795) TOT INVOERING BIJSTANDSWET (1965) – DE RELIGIEUZE CONGREGATIES EN DE LEKENVERENIGINGEN



Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het decembernummer (2019-04) verscheen het vijfde deel. Dit is een uitvoeriger versie. Het eerste deel ging over diaconie in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, het tweede deel besloeg de periode van de hoge middeleeuwen tot de reformatie, het derde deel de periode van de reformatie tot de Franse tijd, het vierde deel ging over de katholieke armbesturen vanaf de Franse tijd tot de invoering van de Bijstandswet. Dit vijfde deel gaat in op twee andere spelers in dezelfde tijd. 

De invoering van de Bijstandswet in 1965 kan gezien worden als de voorlopige afronding van een proces, waarin de rol van de landelijke overheid in de armenzorg steeds sterker werd en het recht op bestaanszekerheid de plaats ging innemen van vrijwillige bijdragen van kerkelijke en particuliere initiatieven in de dagelijkse strijd van armen om te overleven. Tegelijk laat deze periode ook de ontwikkeling zien van een stelsel van sociale zekerheid en van allerlei vormen van sociaal werk om mensen in noodsituaties te helpen. In het vorige deel heb ik een beknopte historische schets van deze periode gegeven en de schijnwerper gericht op de katholieke armbesturen. Nu belicht ik de rol van twee andere spelers op het veld van de katholieke armenzorg: de religieuze congregaties en de lekenverenigingen.

Katholieke herleving
De grondwet van de Bataafse Republiek in 1798 betekende voor de katholieken een gelijkstelling met andere kerkgenootschappen. Het zou nog wel een halve eeuw duren eer zij in het volledige bezit kwamen van alle burgerrechten en de bisschoppelijke hiërarchie weer werd hersteld. Maar al in de eerste helft van de negentiende eeuw groeide het katholieke zelfbewustzijn en werkte men aan een herleving van de katholieke kerk. Het emancipatiestreven leidde tot de opbouw van een katholieke zuil.

Religieuze congregaties
Een voorbeeld van de katholieke herleving is de oprichting van verschillende religieuze congregaties, zowel van vrouwen als van mannen, die zich gingen richten op allerlei vormen van onderwijs en zorg voor armen, zieken, gehandicapten, weeskinderen en ouderen. Ten tijde van de Republiek waren kloosters verboden geweest en hadden klopjes een eigentijdse invulling gegeven aan het godgewijde leven. Koning Willem I moest ook weinig hebben van katholieken. Een van zijn eerste maatregelen in 1814 was een verbod op het stichten van nieuwe kloostergemeenschappen en op het aannemen van novicen in bestaande gemeenschappen. Dat verbod zou pas in 1840 worden opgeheven. Toch werden in deze eerste decennia in verschillende plaatsen initiatieven genomen, die leidden tot religieuze congregaties. En na 1840 ging het rap. In de loop van de negentiende eeuw werden 42 nieuwe congregaties van actieve vrouwelijke religieuzen opgericht, in de twintigste eeuw volgden er nog eens 28. En dan nam de kerkelijke overheid ook nog verschillende maatregelen om wildgroei tegen te gaan en te voorkomen, dat elke ambitieuze pastoor een eigen congregatie oprichtte om de maatschappelijke noden in zijn parochie te bestrijden.

Dochters van Maria en Joseph
De congregatie van de ‘Dochters van Maria en Joseph’ in Den Bosch, ook wel bekend als de ‘Zusters van de Choorstraat’, is de oudste. In het begin van de negentiende eeuw groeide de bevolking van Den Bosch snel. Veel mensen leefden in gebrekkige omstandigheden. Vaak had een gezin slechts een eenkamerwoning tot zijn beschikking, hoeveel kinderen er ook waren. Van de 12.000 inwoners van Den Bosch moesten er 4000 bedeeld worden. En kwam je van buiten de stad, dan kon je nergens op rekenen. Er was dan ook een grote groep verwaarloosde en verstoten kinderen. Het weeshuis nam alleen wezen op van burgers van de stad. Arme wezen en verlaten kinderen werden zo mogelijk tegen kost en inwoning als gratis arbeidskracht uitbesteed bij ambachtslieden of boeren buiten de stad (‘besteld’).
Rond 1815 gingen twee jonge vrouwen uit gegoede kringen, Maria Catharina Sweens en Petronella Dymphna Coppens (1790-1878), zich ook toeleggen op het bestellen en kleden van arme kinderen, waarschijnlijk op aanraden van kapelaan Jacobus Heeren (1775- 1859). De vraag bleek zo groot, dat zij ook met financiële hulp van het Armbestuur niet voldoende kleding bijeen konden brengen. Ze zochten daarom vier andere vrouwen erbij en vormden eind 1816 een naaikring, die elke maandag bijeen kwam. Aanvankelijk gebeurde dat bij toerbeurt bij een van de vrouwen thuis, maar vanaf de zomer van 1817 konden zij terecht in de kamer van Anna Catharina van Hees (1768-1825), die in Den Bosch bekend stond als ‘Heilig Kaatje’ vanwege haar visioenen,  ascetisch leven en liefdewerken. Door die eigen werkplek breidde de groep vrouwen, die bereid waren om arme kinderen te bestellen of voor hen te naaien alras uit.
Een jaar later stelde de vader van Coppens een van zijn woningen ter beschikking waar veertien vrouwen hun naaiwerk verrichtten ten behoeve van 49 kinderen.



Pastoor Heeren

Vincentiaanse invloeden
Terwijl de jonge vrouwen zich diaconaal inzetten, werkten Heeren en Van Hees toe naar de oprichting van een religieuze gemeenschap van ‘zusters van liefde’. Al in augustus 1816 had Heeren kanunnik Pierre Joseph Triest (1760-1836) in Gent opgezocht. Triest stond bekend om zijn tomeloze zorg voor noodlijdenden. Vanaf 1802 had hij gratis scholen voor arme kinderen, doven en blinden opgericht, in 1803 een vrouwencongregatie Zusters van Liefde van Jezus en Maria en in 1807 de Congregatie van de Broeders van Liefde ‘ter leniging van sociale noden’. Deze stichtingen waren sterk geïnspireerd door de ‘Dochters van Liefde’, die Vincent de Paul en Louise de Marillac in de zeventiende eeuw in Frankrijk hadden opgericht. (Zie voor de Vincentiaanse spiritualiteit ook D&P 2017/1, p. 2-7.)
Zij wilden geen religieuze gemeenschap in de klassieke zin, maar een ‘klooster’ dat binnenstebuiten was gekeerd. Het startpunt lag buiten de gemeenschap: bij de zieken, de armsten, de lichamelijk en geestelijk beperkten, de wezen. De Dochters van Liefde zijn
            veel meer blootgesteld aan buiten
            dan de andere religieuzen, omdat zij doorgaans
geen ander klooster hebben dan de huizen van de zieken,
geen andere cel dan een huurkamer,
geen andere kapel dan de parochiekerk,
geen andere pandgang dan de straten van de stad
of de zalen van de ziekenhuizen.
Vincent structureerde het leven van de zusters vanuit drie coördinaten: luisteren naar de zwakken en zieken, eerbied hebben voor God en heilige schroom. Die kwamen in de plaats van het slot, de tralies en de sluier.
Triest wilde wel enige zusters uit Gent ter beschikking stellen, maar dan moest de Bossche vestiging een dochterinstelling worden. Zover is het niet gekomen. Heeren en Van Hees kozen hun eigen weg en al biddend en netwerkend werkten zij toe naar een eigen gemeenschap. Als stichtingsdatum wordt 7 juli 1820 aangehouden. Op deze feestdag van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch betrokken vijf vrouwen een groot huis aan de Choorstraat na eerst in juni op een bedevaart naar Kevelaer te zijn geweest om Gods zegen over dit initiatief af te smeken. Anna Catharina van Hees was veruit de oudste en werd gekozen tot Moeder Overste. De eerder genoemde Petronella Coppens en Catharina van Grinsven werden haar assistentes. Naar buiten toe werd alles vermeden om de indruk te wekken, dat hier sprake was van een religieuze gemeenschap. De vrouwen kleedden zich in het zwart en paars of blauw met een wit mutsje, zoals alle vrouwen, en ze lieten zich aanspreken als ‘juffrouw’. Pas in 1842 zouden zij een habijt aantrekken.
Na de stichting gingen zij door met het besteden van kinderen en na 1841, toen het complex werd uitgebreid, namen zij ook jonge meisjes in huis op. Maar de belangrijkste bestaansgrond was aanvankelijk de verzorging van twaalf oudere vrouwen, waarvoor met het Bossche Armbestuur een contract was afgesloten op naam van Coppens en Van Grinsven. Daarvoor was het huis ook aangekocht. Het zou nog vele jaren duren voor de congregatie door de wereldlijke overheid én de kerkelijke overheden als zelfstandige organisatie werd erkend. De eerste vijf zusters deden in 1822 pas hun tijdelijke geloften, en de eerste eeuwige geloften werden in 1835 afgelegd. Jacobus Heeren, als directeur van de congregatie, ontwikkelde de regel, die in 1850 door Rome werd goedgekeurd. In allerlei bepalingen is de geest van Vincentius daarin te herkennen, om te beginnen in de ‘werken der liefdadigheid’ als vierde gelofte.
Het werk van de zusters breidde zich gestaag uit. Aanvankelijk richtten zij zich op de verzorging van armen en van verwaarloosde kinderen. Vanaf 1838 gingen zij zich ook wijden aan onderwijs, in het bijzonder aan doofstomme en geestelijk gehandicapte kinderen, en vanaf 1845 namen ze de zorg op zich voor weeskinderen. Er kwamen zo’n twintig vestigingen in Noord-Brabant en nog een aantal elders in het land. In de twintigste eeuw zouden zij ook in een aantal missiegebieden gaan werken.

Andere voorbeelden
Een dergelijk portret zou ook van de andere congregaties te geven zijn. Ze hebben vaak een aantal kenmerken gemeenschappelijk. Het start met het waarnemen van een lokale nood, vaak door een parochiepriester met enig organisatietalent. Die probeert enige jonge vrouwen of mannen te interesseren om hier hun leven aan te wijden. Tegelijk spreekt hij vermogende parochianen aan om dit initiatief te ondersteunen en te financieren, waaronder het katholiek armbestuur en andere liefdadigheidsverenigingen. Als er voldoende draagvlak is, wordt een huis betrokken en start de congregatie. Daarvoor wordt een eigen leefregel opgesteld, vaak uitgaand van de bestaande regels van Augustinus, Franciscus, Dominicus of Vincentius.
Niet alle initiatieven zijn succesvol: het leiden van een huis vraagt de nodige capaciteiten, zowel op spiritueel vlak als in het omgaan met mensen en middelen. Soms duurt het een tijdje eer de juiste vrouw of man gevonden is. Slaagt het initiatief, dan oefent het ook aantrekkingskracht op de omgeving uit: nieuwe roepingen worden geworven of melden zich zelf aan en nieuwe noden worden opgepakt, op eigen initiatief van de congregatie of op verzoek van een parochie of armbestuur elders.

Vernieuwing
De explosieve groei, zowel aan de vraagkant (hulpbehoevenden) als aan de aanbodkant (verzorgende zusters en broeders) wijst er volgens Annelies van Heijst op, dat de congregaties een nieuw en passend antwoord moeten zijn geweest op de veranderende negentiende-eeuwse samenleving. Nieuw was de wijze waarop de religieuzen hun leven inrichtten, geheel toegewijd aan de noodlijdenden. Ze verbonden hun eigen levenslot aan dat van de mensen in nood. Nieuw was het massale karakter, zowel aan de kant van de zorggevers als de zorgontvangers. De initiatieven ontwikkelden zich tot grote en professionele instituties. Nieuw was daarmee ook de structurele invloed op het katholieke volksdeel en de bredere samenleving. Ook in economisch opzicht vormde de inzet van religieuzen mede de basis voor de latere verzorgingsstaat.

Lekenverenigingen
Naast de armbesturen en de religieuze congregaties waren ook verenigingen belangrijke spelers op het gebied van de armenzorg en het beginnende sociaal werk. Het schoolvoorbeeld van een dergelijke vereniging was de protestant-liberale Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuijzen en zijn zoon en arts Martinus hadden deze in 1784 in Edam opgericht. Als doel stelden zij: de verheffing van de gewone man en vrouw uit armoede, onwetendheid en ziekte door het verspreiden van kennis en deugd onder het volk. In de loop der tijd kwamen er driehonderd plaatselijke afdelingen, waarvan de leden vooral afkomstig waren uit de hogere standen. Het Nut richtte lagere scholen en bibliotheken op, nam initiatieven op het gebied van gezondheidsvoorlichting en propageerde vernieuwing van het gevangeniswezen. Ook stichtte het Nut de eerste kweekschool voor onderwijzers in 1795 en de Nutsspaarbank in 1818. In de eerste helft van de negentiende eeuw sloten ook sommige katholieken zich aan bij het Nut, maar ze bleven een kleine minderheid. Liever kozen zij voor eigen initiatieven, omdat zij ook een maatschappelijke achterstand hadden in te halen.

Amsterdamse verenigingen
In de jaren veertig van de negentiende eeuw worden in Amsterdam een aantal katholieke liefdadigheidsverenigingen opgericht, waarbij het Nut model heeft gestaan. In november 1841 richtten de arts Willem Cramer (1820-1889) en de Jezuïet Arnoldus Frentrop (1802-1865) de Vereniging tot Weldadigheid van de Allerheiligsten Verlosser op.  Aanvankelijk richtte deze vereniging zich op armenzorg door bijvoorbeeld het uitdelen van aalmoezen en ziekenverzorging. Later begaf zij zich op het terrein van het kleuter- en lager onderwijs voor katholieke meisjes in Amsterdam. In de eerste honderd jaar van haar bestaan stichtte en bestuurde de Vereeniging zo’n 25 (basis-)scholen.


Pater Frentrop sj


Vrijwel gelijktijdig begon Frentrop ook met een damesvereniging. Lid waren vooral echtgenotes en vrouwelijke verwanten van de heren. De vrouwen waren veel praktischer dan de heren. In 1844 hielpen zij 142 gezinnen met in totaal 460 kinderen via het verstrekken van geld, kleren en voedsel. Ook hadden zij katoen gekocht, waarvan de arme vrouwen hemden konden maken en zo een extra bron van inkomsten kregen. De hemden werden weer verkocht binnen de damesvereniging. Hulp en toezicht op het gedrag gingen hand in hand. In tien jaar tijd ontwikkelde zich een complete organisatie met zes afdelingen. Ook plaatsten de vrouwen kinderen “die anders nog op straat zouden rondzwerven” op door hem samen met Frentrop opgerichte kosteloze bewaarscholen.
In 1845 richtte Frentrop ook nog de Heerenvereniging tot Weldadigheid op, die binnen tien jaar een reeks instellingen onder haar hoede had: het Aloysiusgesticht voor arme jongens, het Huis der Voorzienigheid voor arme verlaten meisjes, een armenschool, een volksbibliotheek voor de behoeftige klasse en de landbouwkolonie Aloysiuskolonie ofwel De Heibloem in Heythuysen (1852). De gedachte achter deze landbouwkolonie was, dat werken op het land vooral ook geestelijk gezond zou zijn voor zwerfjongeren uit Amsterdam, hen een energiek en zinvol levensritme kon geven en geloof in de toekomst.
De priester Pieter Hesseveld (1806-1859) nam de geestelijke verzorging op zich van de eerste twee gestichten en was ook een begenadigd pedagoog. Hij vond dat opvoeding 24 uur per dag duurde. De godsdienstige opvoeding moest het kind geheel en al vormen. Hij wilde ook, dat de kinderen een beroep leerden zodat ze niet van de bedeling afhankelijk bleven. Doel van het Aloysiusgesticht was dan ook “jeugdige verschoppelingen ambachtelijk onderwijs geven, zodat zij zich in de nieuwe maatschappij een plaats konden verwerven, en hen daarnaast vertrouwd maken met de katholieke levensbeschouwing, opdat zij in hun verdere leven niet zouden verdwalen.”


Het Sint Aloysiusgesticht Amsterdam

Aanvankelijk verzorgden drie Broeders van Maastricht de eerste bewoners van het Aloysiusgesticht. Toen na vijf jaar deze broeders werden teruggehaald, richtten Frentrop en Hesseveld een eigen broedercongregatie op, de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten. De Heerenvereniging zorgde voor financiën. Hesseveld vond zestien donateurs bereid jaarlijks driehonderd gulden te doneren en Frentrop organiseerde loterijen en weldadigheidsconcerten. Voor het meisjesgesticht De Voorzienigheid klopten zij vergeefs aan bij enige vrouwencongregaties. Daarop mobiliseerde Hesseveld vrouwen uit eigen kring, familieleden en bekenden. Dat leidde tot de Arme Zusters van het Goddelijk Kind, ofwel de Zusters van de Voorzienigheid.
  
Zoals de Amsterdamse verenigingen waren er talloze andere. Sommige waren landelijke verenigingen met plaatselijke afdelingen. Het bekendste voorbeeld is de Vincentiusvereniging, waarvan de eerste Nederlandse afdeling in 1846 in Den Haag werd opgericht. Het doel was zowel religieus (zelfheiliging van de leden en het kweken van een geest van naastenliefde) als diaconaal (het wekelijks bezoeken van arme gezinnen om hen er maatschappelijk en religieus bovenop te helpen). Het bijzondere van dit patronaatswerk was, dat het werd uitgevoerd door leken. De Vincentiusvereniging is in D & P al geregeld beschreven (zie b.v. 2019/2, p. 14-17).
In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werden tal van verenigingen opgericht om specifieke maatschappelijke noden te bestrijden. Twee willekeurige voorbeelden: de priester Alphons Ariëns, voorman van de katholieke arbeidersbeweging, stond aan de wieg van vele plaatselijke kruisverbonden, Maria-verenigingen en Sint Annaverenigingen, die zich inzetten voor drankbestrijding bij respectievelijk mannen, vrouwen en kinderen. Uit al deze plaatselijke afdelingen is Sobriëtas voortgekomen, de landelijke organisatie voor katholieke drankbestrijding. En aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd het RK Huisvestingscomité  (RKHC) opgericht voor de opvang van oorlogskinderen. Vijf jaar later waren er 275 plaatselijke comités, in 1921 zelfs 439.  

Tot besluit
De katholieke armenzorg was in de negentiende en twintigste eeuw een samenspel tussen katholieke armbesturen, religieuze congregaties en lekenverenigingen, die soms in eendrachtige samenwerking, dan weer in competitie met elkaar inspeelden op de noden in de eigen omgeving en tal van instellingen in het leven riepen op het gebied van onderwijs en zorg die deel uitmaakten van de katholieke zuil. Hoe het daarmee vergaan is na de invoering van de Bijstandswet, is onderwerp van deel VI.


Gebruikte literatuur:

Charles Caspers en Kees Waaijman, De wortels, de twijgen en de vruchten van de boom. De Vincentiaanse liefde in de spiritualiteit van de Dochters van Maria en Joseph. Adveniat geloofseducatie, Baarn, 2013

Charles Caspers, Zacht, doch krachtdadig. Anna Catharina van Hees en de oorsprong van de Congregatie Dochters van Maria en Joseph. Adveniat Geloofseducatie, Baarn, 2015

Annelies van Heijst. Liefdewerk. Een herwaardering van de caritas bij de Arme Zusters van het Goddelijk Kinds, sinds 1852. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2002

Maarten van der Linde, Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland, Uitgeverij SWP, Amsterdam, 2007



maandag 16 september 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL IV: VAN FRANSE TIJD (1795) TOT INVOERING BIJSTANDSWET (1965) – DE KATHOLIEKE ARMBESTUREN

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het septembernummer (2019-03) verscheen het vierde deel. Dit is een uitvoeriger versie. Het eerste deel ging over diaconie in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, het tweede deel besloeg de periode van de hoge middeleeuwen tot de reformatie, het derde deel de periode van de reformatie tot de Franse tijd. 

Aan het eind van de achttiende eeuw waren in Nederland enige duizenden lokale armenzorginstellingen actief: particuliere, burgerlijke (stedelijke) en vooral kerkelijke instellingen. Het grote aantal kerkelijke instellingen had niet alleen te maken met de historische wortels van de armenzorg in de kerk (zie voorgaande delen). Minstens zo belangrijk was de religieuze differentiatie na de Reformatie. In de loop van de achttiende eeuw werden onder druk van de economische omstandigheden overal de verschillende kerkgenootschappen gedwongen om hun eigen armen te gaan verzorgen (het ‘Amsterdamse model’ – zie deel 3). Dat gold aanvankelijk de rijkere protestantse migrantengemeenschappen (de Waalse, Schotse en Lutherse kerk), later ook de doopsgezinden, remonstranten, joden en katholieken. Officieel mochten de katholieke staties geen eigendommen bezitten, legaten ontvangen en fondsen vormen, maar gaandeweg de achttiende eeuw kwamen daarop uitzonderingen voor de katholieke armenzorg. Zo konden er ook katholieke armbesturen worden opgericht of kregen bestaande initiatieven van katholieken toestemming om legaten te ontvangen.
Thuiswonende armen kregen meestal een klein bedrag en brood, soms ook andere levensmiddelen, kleding en brandstof. De hoogte van de uitkering was afhankelijk van het gevoerde beleid, de inkomsten van de instelling en het aantal bedeelden, maar het was altijd te weinig om van rond te komen. Het was bedoeld als aanvulling. Kinderen en ouderen, die waren opgenomen in een instelling, werden wel volledig verzorgd, maar moesten meewerken, binnen of buiten huis, en hun eventuele verdiensten afstaan.

Acten van indemniteit

De Republiek kende geen landelijke regelingen op het gebied van de armenzorg. Ze was geen nationale staat, maar meer een verband van zeven gewesten (en nog meer steden). In tijden van oorlog met een vijand van buiten werkten zij samen onder leiding van Holland, in tijden van vrede streefde elke stad zijn eigen belang na. Elke stad stelde dan ook zijn eigen regels op het gebied van de armenzorg. Om de instroom van nieuwe armen moeilijker te maken gingen steden vanaf het einde van de zeventiende eeuw een ’acte van indemniteit’ eisen. Daarin verklaarde de stad van herkomst of een armbestuur uit die plaats, dat zij de kosten van de armenzorg voor hun rekening zouden nemen als de nieuwe inwoner binnen een jaar een beroep zou doen op ondersteuning. Die termijn van een jaar werd door sommige steden al snel opgeschroefd tot twee, vier of zelfs vijf jaar, met name in de buitengewesten. De Hollandse steden hielden het vaker bij één jaar, omdat zij een grotere behoefte hadden aan nieuwe arbeidskrachten. Bedenk overigens, dat het hierbij niet slechts om een papieren maatregel ging of een vorm van symboolpolitiek. Zeker twintig procent van de stadsbevolking kreeg jaarlijks enige vorm van armenzorg. In tijden van economische crisis, natuurrampen, oorlogsgeweld of epidemieën van pest of veeziekten kon dat aandeel zelfs tijdelijk verdubbelen. Het terugvorderen van geleverde ondersteuning op de stad van herkomst of het betreffende burgerlijk of kerkelijk armbestuur leverde tal van problemen op. Daarbij kwamen soms kerk en stedelijke overheid ook tegenover elkaar te staan. Nu eens wilde een geloofsgemeenschap een belijdend kerklid van buiten graag opnemen, die geweerd werd door de stad, dan weer weigerde een katholiek armbestuur om armenzorg te vergoeden omdat de betreffende persoon niet met Pasen naar de kerk was gegaan of een dronkaard was.

Franse tijd: poging tot centralisering

De verhouding tussen kerk en overheid in de armenzorg was een steeds terugkerend thema in de hele periode van deze bijdrage. Dat begon al direct bij de machtsovername door de patriotten in 1795. Zij waren kinderen van de Verlichting en hadden weinig op met de christelijke liefdadigheid. Die kweekte maar luiheid. Alleen mensen die fysiek niet konden werken, zouden moeten worden ondersteund. Alle anderen konden beter te werk worden gesteld in pauperfabrieken, spinscholen en andere werkhuizen. Voor de bestrijding van de armoede verwachtten zij daarnaast veel van onderwijs en zedelijke verbetering van de armen. Een typisch voorbeeld daarvan is de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die in 1784 was gesticht door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen en veel heeft betekend voor de volksontwikkeling. Zo stichtte het Nut de eerste kweekschool voor onderwijzers in 1795 en de Nutsspaarbank in 1818.


Jan Nieuwenhuijzen Door Adriaan de Lelie - www.rijksmuseum.nl : Home : Info : Pic, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3949764 

Al vrij snel na de machtsovername gingen stemmen op om de ondersteuning van alle behoeftigen over te laten aan de burgerlijke overheid en de fondsen van de kerkelijke armenzorg bijeen te voegen in een nationale armenkas. Omdat de vrijwillige bijdragen waarschijnlijk zouden wegvallen, zou een armenbelasting voor aanvullende financiering moeten zorgen. De landelijke armenwet van 1800 ging niet zo ver, maar verklaarde de armenzorg wel tot publieke dienst. Een algemene armenkas zou de armen helpen, die geen beroep konden doen op een kerk. De kerkelijke armbesturen mochten onder toezicht doorgaan met het bedelen van hun armen en moesten opgave doen van hun vermogen. Indien zij niet in staat waren hun armen te ondersteunen, konden zij die overdoen aan de algemene armenkas samen met het vermogen. De kerkelijke armbesturen gingen hierin niet mee en de staat had geen geld over voor de algemene armenkas. Dus strandde deze poging tot centralisatie. De wet werd ingetrokken.
Toen het koninkrijk Holland werd ingelijfd bij Frankrijk in 1810 en koning Lodewijk, de broer van Napoleon, aan de kant werd gezet, is ook geprobeerd om de armenzorg op Franse leest te schoeien. De nieuwe machthebbers wilden de armenzorg opnieuw centraliseren, maar dan op regionaal of stedelijk niveau. Elke hoofdstad van een kanton zou een centraal bureau van weldadigheid krijgen en per gemeente zouden de armenzorginstellingen worden samengevoegd. Maar ook de invoering hiervan werd tegengewerkt en de val van Napoleon verhinderde verdere uitvoering.

In het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden (vanaf 1813) bleven de kerkelijke armenzorginstellingen de boventoon voeren. In december 1814 vaardigde koning Willem I een besluit uit, waarbij de inrichting van het armbestuur en van het bestuur van de godshuizen (een verordening uit de Franse tijd) vervallen werd verklaard en werd vervangen door een met de „oude Vaderlandsche gebruiken" meer overeenkomstig bestuur. Maar niet alle Franse decreten werden afgeschaft; ze bleven nog een tijd geldig. Naar verluidt zou koning Willem I ook gecharmeerd zijn geweest van een centrale regeling zoals de Franse armenwet. Naar de mening van de koning ontbrak het de bestaande armenzorg aan een „algemeen plan", aan samenwerking van de verschillende armbesturen en „bedwang" over de behoeftigen. Prompt werd een commissie ingericht om een en ander voor te bereiden. Dat heeft uiteindelijk alleen maar geleid tot de Wet op de Domicilie van Onderstand van 1818, die de acten van indemniteit verving en bepaalde dat na vier jaar verblijf en het betalen van belastingen in een nieuwe gemeente daar hulp gevraagd kon worden. Dat is de eerste landelijke regeling.
Alle andere aspecten van de armenzorg werden gereguleerd door plaatselijke bepalingen.

Armenwet 1854

In 1848 waren in Nederland 2137 diaconieën en kerkelijke armbesturen actief, 1134 openbare en 81 gecombineerde armeninstellingen. In 370 gemeenten waren enkel kerkelijke armbesturen actief, in 539 andere gemeenten opereerden zij naast openbare instellingen.
1848 was ook het jaar, dat overal in Europa onrust ontstond vanwege de slechte economische omstandigheden en hongersnoden vanwege de aardappelziekte. Nederland kreeg een nieuwe grondwet, waarin de macht van de koning werd ingeperkt en armenzorg tot onderwerp van staatszorg werd verklaard. Nadat een poging van de liberaal Thorbecke was gestrand om een armenwet in te voeren, waarin de staat veel meer zeggenschap had, trad in 1854 de eerste armenwet in werking. Kort samengevat berustte die op drie beginselen:
1.      De armenzorg werd overgelaten aan de kerkelijke en particuliere instellingen.
2.      Dubbele bedeling werd niet toegestaan.
3.      Het burgerlijk armbestuur mocht slechts hulp geven bij ‘volstrekte onvermijdelijkheid’.
De wet dwong de kerkelijke armbesturen niet tot hulp aan geloofsgenoten, schreef geen criteria of hoogte van de uitkering voor, maar verplichtte hen alleen de gegevens voor de jaarverslagen van het armwezen te verschaffen. Bij een wetswijziging in 1870 werd de verblijfsgemeente de gemeente die voor de armenzorg moest zorgen. Dat gold zowel voor burgerlijke als kerkelijke armbesturen. Daarmee kwam een einde aan de wet op de domicilie van onderstand.

Armenwet 1912

De industrialisering vanaf 1870 leidde tot verpaupering van de arbeiders. Het bestaande armenzorgstelsel kon deze groeiende sociale problematiek niet aan. De kerkelijke en particuliere instellingen beschikten over te weinig inkomsten en vrijwilligers en werkten niet samen, de burgerlijke armbestuur waren met handen en voeten gebonden. Verschillende pogingen om dit stelsel te vernieuwen stuitten op tegenstand van de kerken. De nieuwe armenwet uit 1912 liet het primaat wel bij de kerken, maar het verbod op dubbele bedeling werd afgeschaft. In de grotere steden kwamen armenraden, waar kerkelijke en particuliere initiatieven aan mee konden doen. Het burgerlijke armenbestuur werd verplicht een register van bedeelden bij te houden. De andere instellingen konden informatie over hun bedeelden verschaffen , maar waren daartoe niet verplicht. Hoewel de instelling van armenraden niet bracht wat er van verhoopt was, heeft zij op onderdelen van de zorg wel geleid tot meer samenwerking in de loop van de 20e eeuw. Je kan dan denken aan de kinderbescherming, de gezinsverzorging, de reclassering en de bejaardenzorg.

Sociale zekerheid

Onder invloed van de arbeidersbeweging ontwikkelde zich naast de armenzorg ook een stelsel van sociale zekerheid. De ongevallenwet (1901) was de eerste. Daarna volgden de ziektewet (1913 en 1930) en de ouderdomswet (1919). Het werkloosheidsbesluit (1917) en verschillende steunregelingen in de jaren dertig zorgden voor ondersteuning van werklozen. Na de Tweede Wereldoorlogen kwamen er nog andere regelingen: de AOW (1956), de AWW (1959) en de Bijstandswet (1965) Voor de ontvangers betekenden zij veelal een verbetering van hun situatie: de uitkeringen waren hoger en zekerder. Het belang van de traditionele armenzorg nam hiertoe snel af (van 65 % in 1903) tot 10 % in 1960). De sociale zekerheidswetgeving verdrong uiteindelijk de kerkelijke armenzorg, maar ontlastte haar ook. Een toenemend deel van de uitgaven van kerkelijke en particuliere instellingen werd via subsidies door de overheid bekostigd. Ook binnen de armenzorg nam het belang van de kerkelijke armenzorg in die periode af.
De hoogte van de uitkeringen verschilde van streek tot streek, afhankelijk ook van het gevoerde beleid, het aantal armen en de inkomsten van de betreffende instelling. Voor 1930 zijn enige cijfers bekend. Een gemiddelde uitkering van het burgerlijk armbestuur bedroeg toen 180 gulden per gezin, van een kerkelijke en particuliere instelling 100 gulden. Maar de verschillen tussen de kerkgenootschappen waren aanzienlijk. De gereformeerde armenzorg keerde zelfs iets meer uit dan het burgerlijk armbestuur. Dat was het dubbele van de hervormde uitkering en zelfs vier keer zoveel als de katholieke bijdrage.
In de loop van de tijd nam ook het percentage ondersteunden af. In 1929 steunde de katholieke armenzorg nog 55 % van de katholieke ondersteunden tegen 30 procent in 1963. Ter vergelijking: de protestantse cijfers bedroegen respectievelijk 43 % en 29 %.
Deze cijfers met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het percentage ondersteunden laat een belangrijke trek van de katholieke armenzorg voor de gehele periode zien: liever een groter aantal katholieken steunen met een kleiner bedrag dan een deel overdragen aan het burgerlijk armbestuur en de rest meer geven. Die voorkeur heeft alles te maken met de geschiedenis van de katholieken in de Nederlandse samenleving. Enerzijds de trots van een verdrukte minderheid, die nu het kan zo lang mogelijk wil laten zien dat zij haar eigen boontjes kan doppen en haar geloofsgenoten kan onderhouden. Daarbij is de armenzorg niet alleen een manier om armen financiële en materiële bijstand te verlenen, maar ook om hen bij de kerk te behouden en zo bij te dragen aan hun geestelijk heil. En ze werd ook ingegeven door een zeker wantrouwen tegenover de overheid, die werd gedomineerd door protestanten.

Katholieke armenzorg

Tegen deze achtergrond wil ik drie soorten spelers op het veld van de katholieke armenzorg nader belichten: de katholieke armbesturen, de religieuze congregaties van zusters en broeders en de lekenverenigingen. De armbesturen hebben hun wortels in de Republiek, de andere twee zijn nieuw voor deze periode. Hun geschiedenis is niet zelden verweven, maar ze leggen hun eigen accenten en hebben hun eigen werkwijzen.

Katholieke armbesturen

Al in de zeventiende eeuw hadden in sommige steden rijke katholieken initiatieven opgezet om hun arme geloofsgenoten te ondersteunen (zie Amsterdam en Rotterdam in het vorige deel of de Aalmoezenierskamer in Utrecht  in 1674). Aanvankelijk moest dat semi-clandestien en mocht men geen legaten ontvangen. In de achttiende eeuw kwam hiervoor steeds vaker toestemming. Tot de eerste plaatsen behoorden Hoorn, Delft, Rotterdam (1729) en Leiden (1737). Maar niet alleen in steden kwamen er katholieke armbesturen. Zo werden rond 1780 in de Zuid-Hollandse dorpen Zoetermeer en Zegwaart de katholieke armen afgescheiden van het Grote of Politieke Armbestuur (het burgerlijk armbestuur). Het Katholiek Armbestuur kreeg 1/3e van de inkomsten mee. (Zie ook mijn eerdere blog over de stadspelgrimage in Zoetermeer) De oprichtingsdatum van het R.K. Armwezen in Hoogmade (bij Leiden) is onbekend, maar er is een inventarislijst uit 1781.
In veel plaatsen waren er dus in de eerste helft van de 19de eeuw katholieke armbesturen actief, maar niet overal. Zo meldt Melief, dat een aantal parochies in Zeeland en Gelderland geen armbestuur had of dat alleen de pastoor het armbestuur vormde.
Van sommige katholieke armbesturen is een reglement uit die tijd bekend. Zo mocht het katholiek armbestuur in Deventer geen hulp verlenen aan “luiaards of verkwisters”. De armen werden zoveel mogelijk buiten de stad besteed, terwijl hun namen ’s zondags vanaf de preekstoel werden bekend gemaakt. Het bestuur vergaderde één keer per week. Bij verzuim zonder voorafgaand bericht van verhindering moest een lid zes stuivers boete betalen.

Parochiële armbesturen

De nieuwe grondwet van 1848 had niet alleen geleid tot de Armenwet van 1854, maar ook de weg vrij gemaakt voor het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. De nieuwe bisschop van Haarlem, Mgr. Van Vree, wilde de katholieke armenzorg onder het gezag van de bisschoppen brengen en voorkomen dat de overheid regulerend zou optreden. Op zijn initiatief stelden de bisschoppen gezamenlijk een Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere kerkelijke instellingen van liefdadigheid in (1855). Voortaan benoemde de bisschop de bestuursleden en niet het bestuur zelf of het gemeentebestuur, wat soms nog het geval was. En elk bestuur moest een bisschoppelijk commissaris als adviseur toelaten in het bestuur. Met dit reglement kwamen ook alle particuliere instellingen van katholieken (zoals ziekenhuizen of weeshuizen) onder bisschoppelijk toezicht.


Oprichting Rooms-Katholiek Parochiaal Armbestuur der stad Utrecht

De invoering van het reglement verliep niet overal soepel. In Nijmegen weigerde het katholieke Armbestuur, dat sinds 1827 actief was en ook een eigen ziekenhuisje en scholen had, zijn zelfstandigheid prijs te geven. Daarop richtte de bisschop van Den Bosch in april 1857 een nieuw R.K. Parochiaal Armbestuur van Nijmegen op voor de vier gezamenlijke parochies. Met een beginkapitaal van honderd gulden en de bisschoppelijke zegen ging het nieuwe bestuur van start. Dankzij royale giften, legaten en straat- en kerkcollectes kreeg het al snel voldoende armslag om niet alleen de individuele ondersteuning van arme geloofsgenoten ter hand te nemen, maar ook te starten met een eigen ziekenhuis en eigen scholen. Daarvoor werd de medewerking verkregen van de Zusters van Liefde. Het oude katholieke Armbestuur bleef nog functioneren tot 1865, maar gaf toen de strijd op en droeg haar bezittingen over.
In Leiden gebeurde iets soortgelijks. Daar werd het katholieke armbestuur, dat ook een eigen weeshuis had, bij de invoering van de Armenwet beschouwd als gemeentelijke instelling, terwijl de bisschop van Haarlem het een kerkelijke instelling vond. Die richtte in 1878 een eigen R.K. Parochiaal Armbestuur op en enige jaren later ook twee parochiële weeshuizen. Toen de gemeente de subsidie voor het katholieke armbestuur tussen 1869 en 1888 afbouwde, werd de financiële positie steeds moeilijker. Uiteindelijk leidde dat tot een fusie in 1914.

In beginsel had elke parochie een eigen parochieel armbestuur. In de grotere steden bleef de opvolger van het oude katholieke armbestuur vaak als centraal orgaan fungeren voor alle parochies. Door de toenemende verstedelijking breidde het aantal parochies zich in de loop der tijd uit. Pastoors van de nieuwe parochies hadden soms de indruk, dat hun armen achtergesteld bleven en wilden een eigen armbestuur hebben om het directe contact met de arme parochianen te kunnen onderhouden. In verschillende steden leidde dat alsnog in de jaren 1910-1920 tot de oprichting van eigen parochiële armbesturen. Zij zorgden zelf voor de bedeling, maar werden gesubsidieerd door het stedelijke parochiële armbestuur. Dat ging zich meer en meer toeleggen op de exploitatie van weeshuizen, bejaardenhuizen en andere inrichtingen.

De bedeling in de praktijk

Parochiële armbesturen voorzagen niet alleen in eerste levensbehoeften als brood en aardappelen, kleding en brandstof. Ze zorgden soms ook voor het kleden van arme kinderen voor hun eerste communie en van armen voor hun bruiloft. Het katholiek armbestuur van de Sint Servatius in Maastricht besteedde in 1917 een vijfde van haar budget hieraan.

De inkomsten kwamen deels uit eigen vermogen, deels uit nalatenschappen, legaten en giften van welgestelde parochianen, deels uit actieve fondswerving. Wekelijks werd een gewone kerkcollecte gehouden voor de armen. Daarnaast waren er tot zes keer per jaar buitengewone of open-schaalcollectes, meestal na een ‘liefdadigheidspredicatie’. Ook werd er voor de armen gecollecteerd bij begrafenissen, op Allerzielen of op andere christelijke feestdagen. In sommige parochies bestond de gewoonte om een huis-aan-huiscollecte te houden op de Quatertemperdagen (bijzondere vasten en gebedsdagen aan het begin van elk jaargetijde. Ze werden in een notitieboekje uit 1879 van het Armbestuur in Woubrugge nader omschreven als de ‘Kwaadertempeldagen’).
Tegelijk heerste ook toen al concurrentie op de katholieke chari-markt: voor steeds meer bestemmingen werd een beroep gedaan op de vrijgevigheid van de parochianen. Het Parochiaal Armbestuur van Rotterdam én alle pastoors deden daarom al in maart 1879 de volgende oproep: “Geloofsgenooten, die de beurs opent om den hongersnood in China te helpen lenigen, die de missie in midden Afrika te hulp komt, die in Noorwegen ondersteunt, die in Algiers uwe gaven verspreidt, die met één woord van de Equator tot de Polen sporen uwer menschlievendheid achterlaat, gij zult ons uwe offers niet onthouden ten behoeve uwer arme geloofs- en natuurgenooten ter instandhouding der Katholijke arme scholen uwer stad.”
De afgunst van de hedendaagse werkgroepen diaconie op de vele missionaire collectes op het collecterooster kent hier een vroege voorloper.

Belangrijkste bronnen:

Ronald Grootveld, Armenzorg in Zoetermeer-Zegwaart in de 18de eeuw. In: ;t Seghen Waert. Jg 32, aflevering 4, november 2013, p. 2-12

Marco H.D. van Leeuwen, Armenzorg en charitas, ca 1800 -2000. Een historische erfenis. In: Ronald van der Bie en Pit Dehing (red), Nationaal goed. Feiten en cijfers over onze samenleving, circa 1800 – 1999,Voorburg, 1999, p.159-178 (en drie onderliggende opstellen:

M.J. van Lieburg. Het Sint-Laurensinstituut. 1651 - 1857 - 2007. De geschiedenis van de katholieke charitas te Rotterdam

P.B.A. Melief, De strijd om de armenzorg in Nederland, 1795 – 1854, Groningen, 1955

Martine Wansbeek-Zijbrands , De katholieke armen- en wezenzorg in Leiden, 1572-1979, in: Jaarboek Dirk van Eck, 2001, p. 41-60

dinsdag 11 juni 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE


DEEL 3: VAN REFORMATIE TOT FRANSE TIJD (1572-1795)

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het juninummer (2019-02) verscheen het derde deel. Dit is een wat uitvoeriger versie. Het eerste deel ging over diaconie in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, het tweede deel besloeg de periode van de hoge middeleeuwen tot de reformatie.

Aan het eind van de Middeleeuwen was het landschap van de armenzorg tamelijk versnipperd. Het geven van aalmoezen aan armen was een van de goede werken, waardoor mensen de hemel konden verdienen. Zij hadden daartoe ook volop de gelegenheid. Er woonden veel armen in de steden en de fysieke afstand tussen rijk en arm was klein. Wel was rond 1500 de houding ten opzichte van armoede veranderd. Niet langer beschouwde men elke arme als dichter staand bij Christus en daarom een geliefd object van naastenliefde. Men ging een onderscheid maken tussen mensen, die door arbeid in hun levensonderhoud konden voorzien, en de ‘echte’ armen, die daartoe niet in staat waren vanwege hun leeftijd, ziekte of beperking. Steden gingen ook het bedelen aan banden leggen. Ze gaven alleen toestemming aan bepaalde categorieën, b.v. de eigen inwoners of de echte armen, of beperkten de tijd (drie dagen).  Maar geen enkel bedelverbod heeft het spontaan geven van aalmoezen aan bedelaars kunnen voorkomen.

Naast de spontane onderlinge hulp kende de middeleeuwse samenleving ook georganiseerde vormen van armenzorg en diaconie. Armen konden terecht bij de parochiekerk of een klooster voor meer geregelde uitdelingen van brood, turf en kleding. Door schenkingen en legaten waren de kerkelijke armenfondsen vaak vermogend geworden.

Daarnaast waren er andere instellingen ontstaan. De stedelijke overheid of de plaatselijke heer benoemde de Heilige Geestmeesters of huiszittenmeesters, die de zelfstandig wonende armen ondersteunden en de bezittingen van de Tafel van de Heilige Geest beheerden. De uitdeling kon incidenteel zijn, bij ziekte of kraambed, of meer structureel, b.v. bij ouderdom. De Heilige Geestmeesters zorgden ook voor de weeskinderen, vondelingen en verlaten kinderen. Die werden in het algemeen uitbesteed bij pleeggezinnen. Maar aan het eind van de Middeleeuwen werden ook de eerste weeshuizen opgericht. Vermogende particulieren stichtten een eigen gasthuis of liefdadigheidshofje. Die waren bestemd voor arme inwoners, waarbij vaak een of meerdere kamers bij voorrang werden toegewezen aan familieleden van de stichter. Veel gasthuizen ontwikkelden zich in de loop der tijd tot proveniershuizen. Vermogende burgers kochten zich in deze huizen in en kregen zo huisvesting, levensonderhoud ‘(‘prove’) en een decente begrafenis. Met de inkoopsommen en andere schenkingen kon het gasthuis een kapitaal vormen, waaruit het huis kon worden geëxploiteerd en ook enige armen worden gehuisvest.



Andere gasthuizen richtten zich op de verpleging van zieken en ontwikkelden zich tot hospitalen. Ook hier is sprake van enige specialisering. Denk aan de leprozerieën voor melaatsen en de pesthuizen, vaak net buiten de stadsmuren, of de eerste dolhuizen.

Voor rondreizende pelgrims, zwervers en andere passanten hadden gasthuizen vaak een aparte ruimte beschikbaar, de baaierd, waar ze konden overnachten.

Dit plaatje is niet volledig. Gilden en broederschappen steunden vaak hun eigen leden, als ze door ziekte of ouderdom behoeftig werden. En er waren soms nog incidentele uitdelingen van fundaties of bij begrafenissen en uitvaartdiensten van vermogende stadsbewoners. Kortom, de sociale kaart van de armenzorg aan het eind van de Middeleeuwen was complex en gericht op verschillende groepen. De voorzieningen waren kleinschalig en in de meeste gevallen slechts een aanvulling op het noodzakelijke inkomen.

 

Vives



De veranderde houding ten opzichte van armoede en arbeid is goed zichtbaar in de publicaties van humanisten als Erasmus, Coornhert en Vives. Juan Luis Vives (1492-1540) schreef in 1526 in Brugge een traktaat over armenzorg, ‘De subventione pauperum’ (‘Over de hulpverlening aan de armen’). De gedachten die hij daarin ontvouwt, zijn niet geheel nieuw, maar zijn verdienste is vooral dat hij ze systematisch op een rijtje zet. Zijn werk bestaat uit twee boeken. In het eerste boek behandelt hij de morele achtergronden van armenzorg. In lijn met de middeleeuwse traditie beschouwt hij zorg voor de armen als invulling van de christelijke plicht tot naastenliefde en de armoede zelf als een geschenk van God. Maar hij trekt andere conclusies. De armen moeten hun lot aanvaarden, een deugdzaam leven leiden en zich vooral niet vergrijpen aan andermans bezit. Maar ze mogen wel hun lot zien te verbeteren. Wie kan werken, moet dat doen. De rijken hebben de plicht tot naastenliefde, maar dat is niet alleen een zaak van het individu of de kerk. Ook de stedelijke overheid moet zich daarmee bemoeien. Die moet er voor zorgen, dat alle armen geholpen worden en dat de armoede op een meer structurele wijze wordt bestreden. In het tweede boek ontvouwt hij daarvoor een uitgewerkt programma. Zo pleit hij ervoor, dat het stadsbestuur een overzicht maakt van alle armen in de stad en van alle instellingen en hun financiën ook controleert. De beschikbare financiële middelen zouden doelmatiger worden aangewend, als zij zouden worden beheerd door één centrale instelling, de ‘ghemeene buerze’. Alle armen moeten werken voor de kost. Naast een arbeidsplicht moet er daarom gezorgd worden voor werkverschaffing en voor onderwijs.

De voorstellen van Vives hadden hun invloed op het beleid van steden in de Zuidelijke Nederlanden, zoals Lille (1527), Gent (1535), Breda (1536), Antwerpen (1540), Leuven (1541) en Mechelen (1535). Keizer Karel V vaardigde in 1531 zelfs een edict uit voor heel de Nederlanden. Arme mensen werd verbonden hun woonplaats te verlaten, behalve in geval van rampen of oorlogen. Parochies werden verplicht om de arme inwoners behoorlijk te ondersteunen. Bestaande fondsen moesten zo efficiënt mogelijk worden aangewend.  Mensen die verhuisd waren, mochten pas na een jaar een beroep op armenzorg doen. Het is opvallend, dat in de Noordelijke Nederlanden dit edict nauwelijks effect heeft gehad. Veranderingen werden maar heel geleidelijk ingevoerd, en kwamen vooral na de Opstand.

 

De Reformatie


In dezelfde tijd komt de Reformatie op met vergelijkbare kritiek op de middeleeuwse armenzorg en diaconie. Ook zij keert zich tegen bedelen. Mensen moeten door eigen arbeid in hun behoeften voorzien. Het geven van aalmoezen en het doen van goede werken worden niet langer beschouwd als middelen die kunnen bijdragen tot het zielenheil. Verlossing is een kwestie van genade en niet van eigen verdienste. Maar de werken van barmhartigheid blijven populair, nu als teken van genade.

De Reformatoren koppelen diaconie ook weer nauwer aan de plaatselijke gemeente. Luther vertrouwde de armenzorg toe aan de overheid, totdat de gemeente zozeer een Bijbelse gemeenschap zou zijn, dat zij de zorg zelf zou kunnen uitvoeren. Hij adviseerde daarom kerkelijke inkomsten voor een gemeentelijke armenkas te gebruiken. Bucer en Calvijn gaan veel verder met de organisatie van de diaconie. Zij kennen de diaconie een fundamentele plaats toe en waarderen het ambt van diaken op. Naast een rol bij het avondmaal krijgt de diaken een belangrijke taak bij het verlenen van de zorg en wordt hij ook opgenomen in het bestuur van de kerkelijke gemeente. Daarvoor wordt teruggegrepen op het voorbeeld van de vroege kerk en worden allerlei theologische motieven gebruikt. Maar volgens de kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch speelden ook pragmatische redenen een belangrijke rol. De Middeleeuwse structuur van de liefdadigheid, die was uitgeoefend door de religieuze orden en broederschappen, was in de gebieden, waar de Reformatoren het voor het zeggen hadden, door hen compleet ontmanteld. De diakenen moesten dit gat vullen.

 

De Opstand


In 1568 begint de tachtigjarige oorlog tegen de Spanjaarden. Vanaf 1572 kiezen verschillende Hollandse steden de kant van prins Willem van Oranje. In de jaren daarna zullen andere steden en provincies volgen. De aanhangers van de nieuwe religie grijpen de macht. Ze verbieden de publieke uitoefening van het katholieke geloof en ontbinden de religieuze orden. Kerkelijke goederen worden geconfisqueerd. De kerkgebouwen gaan over naar de nieuwe religie, die de publieke kerk wordt. Zij begint ook meteen met de oprichting van een diaconie. Met deze organisatievorm hadden protestantse vluchtelingen uit de Nederlanden al de nodige ervaring opgedaan in Londen, Emden en andere verblijfplaatsen in het buitenland. Elke vluchtelingengemeenschap had daar een eigen diaconie, die arme lidmaten ondersteunde. Dit model van kerkelijke armenzorg wordt nu ook in de Nederlandse steden gevolgd. Aanvankelijk richt de diaconie zich vooral op de armenzorg voor de eigen leden, daarbij gebruik makend van de oude aanwezige fondsen voor armenzorg van de parochie en de opbrengsten van de wekelijkse collecte. Dat vraagt al de nodige inzet.

Een andere ontwikkeling is, dat de stedelijke overheden hun controle versterken over de armenzorg. Zij wijzen vrijgekomen kloostergebouwen toe aan gasthuizen en weeshuizen, die daardoor een ruimere behuizing krijgen. Andere instellingen ontvangen inkomsten uit kerkelijke goederen. De stadsbestuurders gaan meer toezicht uitoefenen over de besteding van de gelden en de benoeming van bestuurders en nemen een meer coördinerende taak op zich,.

 

Gevolgen voor de armenzorg


Vanuit een buitenperspectief hebben opstand en reformatie weinig veranderd aan de armenzorg. Er is een grote mate aan continuïteit als je kijkt naar de particuliere instellingen (gasthuizen, weeshuizen, hofjes) en stedelijke voorzieningen (Heilige Geestmeesters, huiszittenmeesters). En waar de parochies, kloosters en broederschappen zijn weggevallen, komt de protestantse diaconie op en krijgen andere instellingen voor armenzorg ruimere financiële mogelijkheden en faciliteiten. In de zeventiende eeuw zal dit geheel zich verder ontwikkelen.

Vanuit het binnenperspectief van de katholieke gemeenschap is de situatie wel aanzienlijk veranderd. De priesters waren verdreven, de kerken afgepakt, de kerkelijke armenzorgvoorzieningen overgenomen. Met allerlei maatregelen probeerden de Staten van Holland de uitoefening van de katholieke religie te ontmoedigen. De uitvoering van deze plakkaten verschilde overigens van stad tot stad. Amsterdam was bij voorbeeld veel toleranter dan andere steden. En als de Spaanse legers in de buurt waren, was de repressie groter. Ook na het einde van de tachtigjarige oorlog in 1648 nam in tijden van oorlog de onderdrukking toe (de katholieken werden nooit volledig vertrouwd), om daarna weer af te zwakken. En tegen betaling was er in de praktijk vaak meer mogelijk dan officieel was toegestaan.

In de eerste decennia na de Opstand hielden de katholieken zich zeer gedeisd. Rond 1600 begonnen ze onder leiding van Sasbout Vosmeer weer met het opbouwen van een kerkelijke organisatie. Niet in juridische zin, want dat was en bleef tot de Franse tijd verboden. Maar wel praktisch. Er kwamen staties, waar priesters de mis vierden bij particulieren thuis of in schuilkerken. In het pastoraat en de geloofsvorming speelden de klopjes een belangrijke rol.

De klopjes waren een eigentijds antwoord op het kloosterverbod van de Reformatie. Deze ongehuwde vrouwen, die een kuisheidsgelofte hadden afgelegd, zetten zich in voor allerlei taken in het onderwijs, voor de kerk, in de ziekenzorg, als turfsteekster of als huishoudster. Ze woonden in kleine groepjes, zelfstandig of bij familie thuis en werden ook wel geestelijke dochter of geestelijke maagd genoemd. Haarlem en Gouda telden in de zeventiende eeuw constant zo’n 300 kloppen.

 

Modellen van armenzorg


De ontwikkeling van de katholieke armenzorg in de zeventiende en achttiende eeuw kan inzichtelijk gemaakt worden met een modern schema voor lokaal diaconaat, ontwikkeld door Marja Jager-Vreugdenhil en Roel Kuijper. Dat schema gaat uit van twee dimensies (interne gerichtheid-externe gerichtheid, resp. informele en formele organisatie).

 

Diaconie gericht op mensen buiten de eigen gemeenschap
 
 
 
Huiszittenmeesters
 
Delftse model
Diaconie gericht op mensen binnen de eigen gemeenschap
 
 
Onderlinge hulpverlening
Protestantse diaconie
 
Amsterdamse model
 
 
 
Informeel
Formeel

 

In de eerste decennia was de situatie tamelijk diffuus. De gereformeerde kerk was de publieke kerk, maar lang niet alle kerkgangers namen de stap om belijdend lid te worden. Dat deed slechts tien procent. Ook katholieken volgden diensten in de inmiddels protestantse kerken, trouwden er (totdat de katholieke kerk dat verbood) en lieten er zich begraven. Daarnaast kwam men in het geheim bijeen. Voor de armenzorg kon men niet meer terecht bij de eigen voorzieningen, maar nog wel bij de stedelijke huiszittenmeesters of Heilige Geestmeesters, zeker als die katholiek waren. Pas langzaam werden katholieken uit deze functies geweerd. Maar ook daarna konden katholieken nog lange tijd bedeeld worden door stedelijke armenzorginstellingen. Soms had ook de protestantse diaconie een ruime taakopvatting en wilde iedereen bedelen. Of kreeg die taak toegewezen door het stadsbestuur, zoals in Rotterdam. Maar bedeling door de diaconie had wel een nadeel: het ging vaak gepaard met morele druk om zich aan te sluiten bij de gereformeerde kerk. Dat gold te meer bij opname in een weeshuis of oudeliedenhuis.

 

Delftse model


In een aantal steden kwam het tot nauwe samenwerking tussen de stedelijke armenzorg en de diaconie. In Leiden werden in 1582 de drie colleges van huiszittenmeesters van de voormalige parochies en de diaconie samengevoegd in het Huiszittenhuis, dat zowel gereformeerden als niet-gereformeerden ondersteunde. In Delft werd in 1613 de Kamer van Charitate opgericht. Het stadsbestuur stelde zes meesters van Charitate aan, de kerkenraad zes diakenen. Samen beslisten zij over alle hulpvragende Delftenaren. Bij een positief besluit ontving men een bedelingsbriefje. Op vertoon van dat briefje kon men dan wekelijks de toegekende hoeveelheid roggebrood, een paar stuivers en in de winter turf ophalen bij het uitdeelpunt. De gereformeerden op zaterdag, de anderen op woensdag. Elk half jaar werd de hulpvraag opnieuw getoetst.

Dit systeem heeft lange tijd gefunctioneerd, maar onder invloed van economische recessies moest er tegen het einde van de zeventiende eeuw wel herhaaldelijk bezuinigd worden. Het aantal bedeelde gezinnen werd ingekrompen tot 1100, gezinnen met één kind werden niet meer geholpen en kerkgangers van de Franse kerk werden verwezen naar hun eigen kerkgenootschap. Dat ging later ook gelden voor leden van de andere kerkgenootschappen.

 

Onderlinge hulpverlening


Vanaf 1600 werkten katholieken weer aan de opbouw van een kerkelijke organisatie, veelal in het verborgene. Het was de staties niet toegestaan om eigendommen te bezitten of fondsen te vormen. Daarom was men aanvankelijk vooral aangewezen op onderlinge hulp. Rijkere katholieken hielpen arme geloofsgenoten financieel of materieel. Ook de klopjes waren actief op dit terrein. Ze hielpen bij de uitdelingen van brood en turf en als houvrouwen door hulpbehoevenden bij hen thuis op te nemen en te verzorgen. De colleges van kerkmeesters, die vanaf 1600 door Sasbout Vosmeer werden ingesteld, moesten niet alleen zorg dragen voor de priesters maar ook voor de armen. In Delft werd in 1633 een fundatie opgericht, waarvan een deel was bestemd voor de armen.

In Rotterdam kwamen eind 1650 23 vermogende katholieken bijeen om de situatie te bespreken van de vele armen, “die door gebreck van noodich onderhoud óf comen te vervallen tot groote ellende en gebreckelijckheden, óf genootzaeckt werden – om ’t leven te behouden – haer te begeven tot ongeoorlofde secten, tot merckelijck gevaer van haere zielen en desreputatie van de Catholijcke gemeente voornoemt.” Ze besloten een Gemene Armenbeurs op te richten met een bestuur van acht leden, twee uit elke statie. Bij dit initiatief waren geen geestelijken betrokken en zij werden ook niet opgenomen in het bestuur, een veiligheidsmaatregel om te voorkomen dat de armenbeurs gezien werd als een religieuze instelling. Dat tot nu toe veel hulp onderling geleverd werd, blijkt wel uit de volgende oproep: alle gemeenteleden “die tot noch toe in ’t byzonder beswaert zijn geweest, met weeckelijck off maendelijck onderhouwt van eenige arme persoone, zullen de naemen en gelegentheijt van dezelve aende regente bekent maeken en verzoeken moge, indien zij zulcks geraden vinden, van soodaenige lasten ontslagen en bevrijt te zijn.” De Gemeene Beurs ging nu zorgen voor de armenzorg aan alle katholieken en zou in de achttiende eeuw ook katholieke wees- en armenhuizen oprichten. Die taak werd ook steeds omvangrijker, vanwege de groei van de stad en daarbinnen ook het aandeel van de katholieken (van 7 % in 1622 tot 27 % rond 1800). Die groei kwam met name door de instroom van arme handwerkslieden uit Brabant en Duitsland. Deze laatste werden ook wel bovelanders genoemd. Toen de armenbeurs eenmaal functioneerde, zette de gereformeerde diaconie de uitdeling van brood en turf aan katholieken stop. Wel kreeg men toestemming om wekelijks met de collecteschaal langs de huizen van de katholieken te gaan. Tot het begin van de achttiende eeuw heeft de Gemeene Armenbeurs de katholieke armen in de stad Rotterdam ondersteund, ongeacht de statie waartoe men behoorde. Daarna kwamen er ook armenbesturen in de afzonderlijke staties, die steeds meer zelf de armenzorg gingen uitvoeren.

 

Amsterdamse model


In Amsterdam was al vrij snel sprake van een strikte scheiding tussen stedelijke en kerkelijke armenzorg. Meer dan in andere steden waren hier ook andere geloofsgemeenschappen aanwezig: protestanten uit Duitsland, Frankrijk, Engeland en Schotland, doopsgezinden, remonstranten (na 1619), joden en katholieken. Het Amsterdamse stadsbestuur was veel toleranter dan de Hollandse Staten. De koopman won het van de dominee: wilde men zaken blijven doen met het buitenland, kon men intern niet al te hard optreden. Het gevolg was, dat men katholieken in Amsterdam al vrij snel dingen toestond die elders verboden waren. Je kan dit ook anders formuleren: de verschillende geloofsgroepen werden al snel gedwongen om te zorgen voor de eigen weeskinderen, armen en ouderen. Waarschijnlijk begon al rond 1600 (in ieder geval voor 1607) het Rooms Catholijck Oude Armen Kantoor met zijn werkzaamheden, het ondersteunen van weesjongens en arme volwassenen. Aanvankelijk was het nog geen echt kantoor en werkten de betrokken particulieren vanuit hun eigen huizen, maar in de loop van de zeventiende eeuw betrok men ene eigen kantoorruimte, waar de armbezorgers vergaderden en waar ook de uitdelingen plaats vonden.



Dit Amsterdamse model zou in de loop van de achttiende eeuw het dominante model in heel Nederland worden onder invloed van economische crises.

In Haarlem klaagden de stadsaalmoezeniers al in 1652 dat de arme katholieken een onevenredig groot deel van hun middelen opeisten. In 1656 berekenden zij, dat de katholieke armen hen jaarlijks 22.000 gulden kostten, terwijl de katholieken slechts 4.000 gulden bijdroegen via de huis-aan-huiscollectes voor de stadsarmen. Een oplossing werd gevonden in een extra bijdrage van de katholieke gemeenschap van 3.000 gulden. Uiteindelijk werd in 1715 de zorg voor de katholieke armen aan de katholieke gemeenschap overgedragen. Wel kreeg men dispensatie voor het ontvangen van legaten.


 

Gebruikte literatuur

De belangrijkste bronnen voor dit artikel waren:

R. Lesaffer, Vives, Brugge en de armenzorg. In: Tijdschrift voor Sociaal Recht, 2006, p. 559-567
 
M.J. van Lieburg, Het Sint Laurensinstituut, 1651-1857-2007 De geschiedenis van de katholieke charitas te Rotterdam, Rotterdam, 2007
 
Diarmaid MacCulloch, Reformation. Europe’s House Divided. 1490-1700, 2004. De opmerking over het diakenambt is te vinden op  p. 238
 
Jo Spaans, Weduwen, wezen en vreemdelingen. Sociale zorg en tolerantie. In: Thimo de Nijs en Eelco Beukers (red), Geschiedenis van Holland 1572 – 1795, Hilversum, 2002, p. 255-286

Jurjen Vis, Liefde het fundament. 400 Jaar Roomsch Catholijk Oude Armen Kantoor in Amsterdam, Amsterdam 2008

Ingrid van der Vlis, Armenzorg volgens het Delftse model. Een unieke formule in de ‘Gouden’ zeventiende eeuw. In: Delf. Cultuurhistorisch magazine voor Delft. Jg. 14, nr. 3, najaar 2012, p. 4-8