Posts tonen met het label geschiedenis diaconie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis diaconie. Alle posts tonen

maandag 16 september 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL IV: VAN FRANSE TIJD (1795) TOT INVOERING BIJSTANDSWET (1965) – DE KATHOLIEKE ARMBESTUREN

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het septembernummer (2019-03) verscheen het vierde deel. Dit is een uitvoeriger versie. Het eerste deel ging over diaconie in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, het tweede deel besloeg de periode van de hoge middeleeuwen tot de reformatie, het derde deel de periode van de reformatie tot de Franse tijd. 

Aan het eind van de achttiende eeuw waren in Nederland enige duizenden lokale armenzorginstellingen actief: particuliere, burgerlijke (stedelijke) en vooral kerkelijke instellingen. Het grote aantal kerkelijke instellingen had niet alleen te maken met de historische wortels van de armenzorg in de kerk (zie voorgaande delen). Minstens zo belangrijk was de religieuze differentiatie na de Reformatie. In de loop van de achttiende eeuw werden onder druk van de economische omstandigheden overal de verschillende kerkgenootschappen gedwongen om hun eigen armen te gaan verzorgen (het ‘Amsterdamse model’ – zie deel 3). Dat gold aanvankelijk de rijkere protestantse migrantengemeenschappen (de Waalse, Schotse en Lutherse kerk), later ook de doopsgezinden, remonstranten, joden en katholieken. Officieel mochten de katholieke staties geen eigendommen bezitten, legaten ontvangen en fondsen vormen, maar gaandeweg de achttiende eeuw kwamen daarop uitzonderingen voor de katholieke armenzorg. Zo konden er ook katholieke armbesturen worden opgericht of kregen bestaande initiatieven van katholieken toestemming om legaten te ontvangen.
Thuiswonende armen kregen meestal een klein bedrag en brood, soms ook andere levensmiddelen, kleding en brandstof. De hoogte van de uitkering was afhankelijk van het gevoerde beleid, de inkomsten van de instelling en het aantal bedeelden, maar het was altijd te weinig om van rond te komen. Het was bedoeld als aanvulling. Kinderen en ouderen, die waren opgenomen in een instelling, werden wel volledig verzorgd, maar moesten meewerken, binnen of buiten huis, en hun eventuele verdiensten afstaan.

Acten van indemniteit

De Republiek kende geen landelijke regelingen op het gebied van de armenzorg. Ze was geen nationale staat, maar meer een verband van zeven gewesten (en nog meer steden). In tijden van oorlog met een vijand van buiten werkten zij samen onder leiding van Holland, in tijden van vrede streefde elke stad zijn eigen belang na. Elke stad stelde dan ook zijn eigen regels op het gebied van de armenzorg. Om de instroom van nieuwe armen moeilijker te maken gingen steden vanaf het einde van de zeventiende eeuw een ’acte van indemniteit’ eisen. Daarin verklaarde de stad van herkomst of een armbestuur uit die plaats, dat zij de kosten van de armenzorg voor hun rekening zouden nemen als de nieuwe inwoner binnen een jaar een beroep zou doen op ondersteuning. Die termijn van een jaar werd door sommige steden al snel opgeschroefd tot twee, vier of zelfs vijf jaar, met name in de buitengewesten. De Hollandse steden hielden het vaker bij één jaar, omdat zij een grotere behoefte hadden aan nieuwe arbeidskrachten. Bedenk overigens, dat het hierbij niet slechts om een papieren maatregel ging of een vorm van symboolpolitiek. Zeker twintig procent van de stadsbevolking kreeg jaarlijks enige vorm van armenzorg. In tijden van economische crisis, natuurrampen, oorlogsgeweld of epidemieën van pest of veeziekten kon dat aandeel zelfs tijdelijk verdubbelen. Het terugvorderen van geleverde ondersteuning op de stad van herkomst of het betreffende burgerlijk of kerkelijk armbestuur leverde tal van problemen op. Daarbij kwamen soms kerk en stedelijke overheid ook tegenover elkaar te staan. Nu eens wilde een geloofsgemeenschap een belijdend kerklid van buiten graag opnemen, die geweerd werd door de stad, dan weer weigerde een katholiek armbestuur om armenzorg te vergoeden omdat de betreffende persoon niet met Pasen naar de kerk was gegaan of een dronkaard was.

Franse tijd: poging tot centralisering

De verhouding tussen kerk en overheid in de armenzorg was een steeds terugkerend thema in de hele periode van deze bijdrage. Dat begon al direct bij de machtsovername door de patriotten in 1795. Zij waren kinderen van de Verlichting en hadden weinig op met de christelijke liefdadigheid. Die kweekte maar luiheid. Alleen mensen die fysiek niet konden werken, zouden moeten worden ondersteund. Alle anderen konden beter te werk worden gesteld in pauperfabrieken, spinscholen en andere werkhuizen. Voor de bestrijding van de armoede verwachtten zij daarnaast veel van onderwijs en zedelijke verbetering van de armen. Een typisch voorbeeld daarvan is de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die in 1784 was gesticht door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen en veel heeft betekend voor de volksontwikkeling. Zo stichtte het Nut de eerste kweekschool voor onderwijzers in 1795 en de Nutsspaarbank in 1818.


Jan Nieuwenhuijzen Door Adriaan de Lelie - www.rijksmuseum.nl : Home : Info : Pic, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3949764 

Al vrij snel na de machtsovername gingen stemmen op om de ondersteuning van alle behoeftigen over te laten aan de burgerlijke overheid en de fondsen van de kerkelijke armenzorg bijeen te voegen in een nationale armenkas. Omdat de vrijwillige bijdragen waarschijnlijk zouden wegvallen, zou een armenbelasting voor aanvullende financiering moeten zorgen. De landelijke armenwet van 1800 ging niet zo ver, maar verklaarde de armenzorg wel tot publieke dienst. Een algemene armenkas zou de armen helpen, die geen beroep konden doen op een kerk. De kerkelijke armbesturen mochten onder toezicht doorgaan met het bedelen van hun armen en moesten opgave doen van hun vermogen. Indien zij niet in staat waren hun armen te ondersteunen, konden zij die overdoen aan de algemene armenkas samen met het vermogen. De kerkelijke armbesturen gingen hierin niet mee en de staat had geen geld over voor de algemene armenkas. Dus strandde deze poging tot centralisatie. De wet werd ingetrokken.
Toen het koninkrijk Holland werd ingelijfd bij Frankrijk in 1810 en koning Lodewijk, de broer van Napoleon, aan de kant werd gezet, is ook geprobeerd om de armenzorg op Franse leest te schoeien. De nieuwe machthebbers wilden de armenzorg opnieuw centraliseren, maar dan op regionaal of stedelijk niveau. Elke hoofdstad van een kanton zou een centraal bureau van weldadigheid krijgen en per gemeente zouden de armenzorginstellingen worden samengevoegd. Maar ook de invoering hiervan werd tegengewerkt en de val van Napoleon verhinderde verdere uitvoering.

In het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden (vanaf 1813) bleven de kerkelijke armenzorginstellingen de boventoon voeren. In december 1814 vaardigde koning Willem I een besluit uit, waarbij de inrichting van het armbestuur en van het bestuur van de godshuizen (een verordening uit de Franse tijd) vervallen werd verklaard en werd vervangen door een met de „oude Vaderlandsche gebruiken" meer overeenkomstig bestuur. Maar niet alle Franse decreten werden afgeschaft; ze bleven nog een tijd geldig. Naar verluidt zou koning Willem I ook gecharmeerd zijn geweest van een centrale regeling zoals de Franse armenwet. Naar de mening van de koning ontbrak het de bestaande armenzorg aan een „algemeen plan", aan samenwerking van de verschillende armbesturen en „bedwang" over de behoeftigen. Prompt werd een commissie ingericht om een en ander voor te bereiden. Dat heeft uiteindelijk alleen maar geleid tot de Wet op de Domicilie van Onderstand van 1818, die de acten van indemniteit verving en bepaalde dat na vier jaar verblijf en het betalen van belastingen in een nieuwe gemeente daar hulp gevraagd kon worden. Dat is de eerste landelijke regeling.
Alle andere aspecten van de armenzorg werden gereguleerd door plaatselijke bepalingen.

Armenwet 1854

In 1848 waren in Nederland 2137 diaconieën en kerkelijke armbesturen actief, 1134 openbare en 81 gecombineerde armeninstellingen. In 370 gemeenten waren enkel kerkelijke armbesturen actief, in 539 andere gemeenten opereerden zij naast openbare instellingen.
1848 was ook het jaar, dat overal in Europa onrust ontstond vanwege de slechte economische omstandigheden en hongersnoden vanwege de aardappelziekte. Nederland kreeg een nieuwe grondwet, waarin de macht van de koning werd ingeperkt en armenzorg tot onderwerp van staatszorg werd verklaard. Nadat een poging van de liberaal Thorbecke was gestrand om een armenwet in te voeren, waarin de staat veel meer zeggenschap had, trad in 1854 de eerste armenwet in werking. Kort samengevat berustte die op drie beginselen:
1.      De armenzorg werd overgelaten aan de kerkelijke en particuliere instellingen.
2.      Dubbele bedeling werd niet toegestaan.
3.      Het burgerlijk armbestuur mocht slechts hulp geven bij ‘volstrekte onvermijdelijkheid’.
De wet dwong de kerkelijke armbesturen niet tot hulp aan geloofsgenoten, schreef geen criteria of hoogte van de uitkering voor, maar verplichtte hen alleen de gegevens voor de jaarverslagen van het armwezen te verschaffen. Bij een wetswijziging in 1870 werd de verblijfsgemeente de gemeente die voor de armenzorg moest zorgen. Dat gold zowel voor burgerlijke als kerkelijke armbesturen. Daarmee kwam een einde aan de wet op de domicilie van onderstand.

Armenwet 1912

De industrialisering vanaf 1870 leidde tot verpaupering van de arbeiders. Het bestaande armenzorgstelsel kon deze groeiende sociale problematiek niet aan. De kerkelijke en particuliere instellingen beschikten over te weinig inkomsten en vrijwilligers en werkten niet samen, de burgerlijke armbestuur waren met handen en voeten gebonden. Verschillende pogingen om dit stelsel te vernieuwen stuitten op tegenstand van de kerken. De nieuwe armenwet uit 1912 liet het primaat wel bij de kerken, maar het verbod op dubbele bedeling werd afgeschaft. In de grotere steden kwamen armenraden, waar kerkelijke en particuliere initiatieven aan mee konden doen. Het burgerlijke armenbestuur werd verplicht een register van bedeelden bij te houden. De andere instellingen konden informatie over hun bedeelden verschaffen , maar waren daartoe niet verplicht. Hoewel de instelling van armenraden niet bracht wat er van verhoopt was, heeft zij op onderdelen van de zorg wel geleid tot meer samenwerking in de loop van de 20e eeuw. Je kan dan denken aan de kinderbescherming, de gezinsverzorging, de reclassering en de bejaardenzorg.

Sociale zekerheid

Onder invloed van de arbeidersbeweging ontwikkelde zich naast de armenzorg ook een stelsel van sociale zekerheid. De ongevallenwet (1901) was de eerste. Daarna volgden de ziektewet (1913 en 1930) en de ouderdomswet (1919). Het werkloosheidsbesluit (1917) en verschillende steunregelingen in de jaren dertig zorgden voor ondersteuning van werklozen. Na de Tweede Wereldoorlogen kwamen er nog andere regelingen: de AOW (1956), de AWW (1959) en de Bijstandswet (1965) Voor de ontvangers betekenden zij veelal een verbetering van hun situatie: de uitkeringen waren hoger en zekerder. Het belang van de traditionele armenzorg nam hiertoe snel af (van 65 % in 1903) tot 10 % in 1960). De sociale zekerheidswetgeving verdrong uiteindelijk de kerkelijke armenzorg, maar ontlastte haar ook. Een toenemend deel van de uitgaven van kerkelijke en particuliere instellingen werd via subsidies door de overheid bekostigd. Ook binnen de armenzorg nam het belang van de kerkelijke armenzorg in die periode af.
De hoogte van de uitkeringen verschilde van streek tot streek, afhankelijk ook van het gevoerde beleid, het aantal armen en de inkomsten van de betreffende instelling. Voor 1930 zijn enige cijfers bekend. Een gemiddelde uitkering van het burgerlijk armbestuur bedroeg toen 180 gulden per gezin, van een kerkelijke en particuliere instelling 100 gulden. Maar de verschillen tussen de kerkgenootschappen waren aanzienlijk. De gereformeerde armenzorg keerde zelfs iets meer uit dan het burgerlijk armbestuur. Dat was het dubbele van de hervormde uitkering en zelfs vier keer zoveel als de katholieke bijdrage.
In de loop van de tijd nam ook het percentage ondersteunden af. In 1929 steunde de katholieke armenzorg nog 55 % van de katholieke ondersteunden tegen 30 procent in 1963. Ter vergelijking: de protestantse cijfers bedroegen respectievelijk 43 % en 29 %.
Deze cijfers met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het percentage ondersteunden laat een belangrijke trek van de katholieke armenzorg voor de gehele periode zien: liever een groter aantal katholieken steunen met een kleiner bedrag dan een deel overdragen aan het burgerlijk armbestuur en de rest meer geven. Die voorkeur heeft alles te maken met de geschiedenis van de katholieken in de Nederlandse samenleving. Enerzijds de trots van een verdrukte minderheid, die nu het kan zo lang mogelijk wil laten zien dat zij haar eigen boontjes kan doppen en haar geloofsgenoten kan onderhouden. Daarbij is de armenzorg niet alleen een manier om armen financiële en materiële bijstand te verlenen, maar ook om hen bij de kerk te behouden en zo bij te dragen aan hun geestelijk heil. En ze werd ook ingegeven door een zeker wantrouwen tegenover de overheid, die werd gedomineerd door protestanten.

Katholieke armenzorg

Tegen deze achtergrond wil ik drie soorten spelers op het veld van de katholieke armenzorg nader belichten: de katholieke armbesturen, de religieuze congregaties van zusters en broeders en de lekenverenigingen. De armbesturen hebben hun wortels in de Republiek, de andere twee zijn nieuw voor deze periode. Hun geschiedenis is niet zelden verweven, maar ze leggen hun eigen accenten en hebben hun eigen werkwijzen.

Katholieke armbesturen

Al in de zeventiende eeuw hadden in sommige steden rijke katholieken initiatieven opgezet om hun arme geloofsgenoten te ondersteunen (zie Amsterdam en Rotterdam in het vorige deel of de Aalmoezenierskamer in Utrecht  in 1674). Aanvankelijk moest dat semi-clandestien en mocht men geen legaten ontvangen. In de achttiende eeuw kwam hiervoor steeds vaker toestemming. Tot de eerste plaatsen behoorden Hoorn, Delft, Rotterdam (1729) en Leiden (1737). Maar niet alleen in steden kwamen er katholieke armbesturen. Zo werden rond 1780 in de Zuid-Hollandse dorpen Zoetermeer en Zegwaart de katholieke armen afgescheiden van het Grote of Politieke Armbestuur (het burgerlijk armbestuur). Het Katholiek Armbestuur kreeg 1/3e van de inkomsten mee. (Zie ook mijn eerdere blog over de stadspelgrimage in Zoetermeer) De oprichtingsdatum van het R.K. Armwezen in Hoogmade (bij Leiden) is onbekend, maar er is een inventarislijst uit 1781.
In veel plaatsen waren er dus in de eerste helft van de 19de eeuw katholieke armbesturen actief, maar niet overal. Zo meldt Melief, dat een aantal parochies in Zeeland en Gelderland geen armbestuur had of dat alleen de pastoor het armbestuur vormde.
Van sommige katholieke armbesturen is een reglement uit die tijd bekend. Zo mocht het katholiek armbestuur in Deventer geen hulp verlenen aan “luiaards of verkwisters”. De armen werden zoveel mogelijk buiten de stad besteed, terwijl hun namen ’s zondags vanaf de preekstoel werden bekend gemaakt. Het bestuur vergaderde één keer per week. Bij verzuim zonder voorafgaand bericht van verhindering moest een lid zes stuivers boete betalen.

Parochiële armbesturen

De nieuwe grondwet van 1848 had niet alleen geleid tot de Armenwet van 1854, maar ook de weg vrij gemaakt voor het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. De nieuwe bisschop van Haarlem, Mgr. Van Vree, wilde de katholieke armenzorg onder het gezag van de bisschoppen brengen en voorkomen dat de overheid regulerend zou optreden. Op zijn initiatief stelden de bisschoppen gezamenlijk een Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere kerkelijke instellingen van liefdadigheid in (1855). Voortaan benoemde de bisschop de bestuursleden en niet het bestuur zelf of het gemeentebestuur, wat soms nog het geval was. En elk bestuur moest een bisschoppelijk commissaris als adviseur toelaten in het bestuur. Met dit reglement kwamen ook alle particuliere instellingen van katholieken (zoals ziekenhuizen of weeshuizen) onder bisschoppelijk toezicht.


Oprichting Rooms-Katholiek Parochiaal Armbestuur der stad Utrecht

De invoering van het reglement verliep niet overal soepel. In Nijmegen weigerde het katholieke Armbestuur, dat sinds 1827 actief was en ook een eigen ziekenhuisje en scholen had, zijn zelfstandigheid prijs te geven. Daarop richtte de bisschop van Den Bosch in april 1857 een nieuw R.K. Parochiaal Armbestuur van Nijmegen op voor de vier gezamenlijke parochies. Met een beginkapitaal van honderd gulden en de bisschoppelijke zegen ging het nieuwe bestuur van start. Dankzij royale giften, legaten en straat- en kerkcollectes kreeg het al snel voldoende armslag om niet alleen de individuele ondersteuning van arme geloofsgenoten ter hand te nemen, maar ook te starten met een eigen ziekenhuis en eigen scholen. Daarvoor werd de medewerking verkregen van de Zusters van Liefde. Het oude katholieke Armbestuur bleef nog functioneren tot 1865, maar gaf toen de strijd op en droeg haar bezittingen over.
In Leiden gebeurde iets soortgelijks. Daar werd het katholieke armbestuur, dat ook een eigen weeshuis had, bij de invoering van de Armenwet beschouwd als gemeentelijke instelling, terwijl de bisschop van Haarlem het een kerkelijke instelling vond. Die richtte in 1878 een eigen R.K. Parochiaal Armbestuur op en enige jaren later ook twee parochiële weeshuizen. Toen de gemeente de subsidie voor het katholieke armbestuur tussen 1869 en 1888 afbouwde, werd de financiële positie steeds moeilijker. Uiteindelijk leidde dat tot een fusie in 1914.

In beginsel had elke parochie een eigen parochieel armbestuur. In de grotere steden bleef de opvolger van het oude katholieke armbestuur vaak als centraal orgaan fungeren voor alle parochies. Door de toenemende verstedelijking breidde het aantal parochies zich in de loop der tijd uit. Pastoors van de nieuwe parochies hadden soms de indruk, dat hun armen achtergesteld bleven en wilden een eigen armbestuur hebben om het directe contact met de arme parochianen te kunnen onderhouden. In verschillende steden leidde dat alsnog in de jaren 1910-1920 tot de oprichting van eigen parochiële armbesturen. Zij zorgden zelf voor de bedeling, maar werden gesubsidieerd door het stedelijke parochiële armbestuur. Dat ging zich meer en meer toeleggen op de exploitatie van weeshuizen, bejaardenhuizen en andere inrichtingen.

De bedeling in de praktijk

Parochiële armbesturen voorzagen niet alleen in eerste levensbehoeften als brood en aardappelen, kleding en brandstof. Ze zorgden soms ook voor het kleden van arme kinderen voor hun eerste communie en van armen voor hun bruiloft. Het katholiek armbestuur van de Sint Servatius in Maastricht besteedde in 1917 een vijfde van haar budget hieraan.

De inkomsten kwamen deels uit eigen vermogen, deels uit nalatenschappen, legaten en giften van welgestelde parochianen, deels uit actieve fondswerving. Wekelijks werd een gewone kerkcollecte gehouden voor de armen. Daarnaast waren er tot zes keer per jaar buitengewone of open-schaalcollectes, meestal na een ‘liefdadigheidspredicatie’. Ook werd er voor de armen gecollecteerd bij begrafenissen, op Allerzielen of op andere christelijke feestdagen. In sommige parochies bestond de gewoonte om een huis-aan-huiscollecte te houden op de Quatertemperdagen (bijzondere vasten en gebedsdagen aan het begin van elk jaargetijde. Ze werden in een notitieboekje uit 1879 van het Armbestuur in Woubrugge nader omschreven als de ‘Kwaadertempeldagen’).
Tegelijk heerste ook toen al concurrentie op de katholieke chari-markt: voor steeds meer bestemmingen werd een beroep gedaan op de vrijgevigheid van de parochianen. Het Parochiaal Armbestuur van Rotterdam én alle pastoors deden daarom al in maart 1879 de volgende oproep: “Geloofsgenooten, die de beurs opent om den hongersnood in China te helpen lenigen, die de missie in midden Afrika te hulp komt, die in Noorwegen ondersteunt, die in Algiers uwe gaven verspreidt, die met één woord van de Equator tot de Polen sporen uwer menschlievendheid achterlaat, gij zult ons uwe offers niet onthouden ten behoeve uwer arme geloofs- en natuurgenooten ter instandhouding der Katholijke arme scholen uwer stad.”
De afgunst van de hedendaagse werkgroepen diaconie op de vele missionaire collectes op het collecterooster kent hier een vroege voorloper.

Belangrijkste bronnen:

Ronald Grootveld, Armenzorg in Zoetermeer-Zegwaart in de 18de eeuw. In: ;t Seghen Waert. Jg 32, aflevering 4, november 2013, p. 2-12

Marco H.D. van Leeuwen, Armenzorg en charitas, ca 1800 -2000. Een historische erfenis. In: Ronald van der Bie en Pit Dehing (red), Nationaal goed. Feiten en cijfers over onze samenleving, circa 1800 – 1999,Voorburg, 1999, p.159-178 (en drie onderliggende opstellen:

M.J. van Lieburg. Het Sint-Laurensinstituut. 1651 - 1857 - 2007. De geschiedenis van de katholieke charitas te Rotterdam

P.B.A. Melief, De strijd om de armenzorg in Nederland, 1795 – 1854, Groningen, 1955

Martine Wansbeek-Zijbrands , De katholieke armen- en wezenzorg in Leiden, 1572-1979, in: Jaarboek Dirk van Eck, 2001, p. 41-60

dinsdag 11 juni 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE


DEEL 3: VAN REFORMATIE TOT FRANSE TIJD (1572-1795)

Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het juninummer (2019-02) verscheen het derde deel. Dit is een wat uitvoeriger versie. Het eerste deel ging over diaconie in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, het tweede deel besloeg de periode van de hoge middeleeuwen tot de reformatie.

Aan het eind van de Middeleeuwen was het landschap van de armenzorg tamelijk versnipperd. Het geven van aalmoezen aan armen was een van de goede werken, waardoor mensen de hemel konden verdienen. Zij hadden daartoe ook volop de gelegenheid. Er woonden veel armen in de steden en de fysieke afstand tussen rijk en arm was klein. Wel was rond 1500 de houding ten opzichte van armoede veranderd. Niet langer beschouwde men elke arme als dichter staand bij Christus en daarom een geliefd object van naastenliefde. Men ging een onderscheid maken tussen mensen, die door arbeid in hun levensonderhoud konden voorzien, en de ‘echte’ armen, die daartoe niet in staat waren vanwege hun leeftijd, ziekte of beperking. Steden gingen ook het bedelen aan banden leggen. Ze gaven alleen toestemming aan bepaalde categorieën, b.v. de eigen inwoners of de echte armen, of beperkten de tijd (drie dagen).  Maar geen enkel bedelverbod heeft het spontaan geven van aalmoezen aan bedelaars kunnen voorkomen.

Naast de spontane onderlinge hulp kende de middeleeuwse samenleving ook georganiseerde vormen van armenzorg en diaconie. Armen konden terecht bij de parochiekerk of een klooster voor meer geregelde uitdelingen van brood, turf en kleding. Door schenkingen en legaten waren de kerkelijke armenfondsen vaak vermogend geworden.

Daarnaast waren er andere instellingen ontstaan. De stedelijke overheid of de plaatselijke heer benoemde de Heilige Geestmeesters of huiszittenmeesters, die de zelfstandig wonende armen ondersteunden en de bezittingen van de Tafel van de Heilige Geest beheerden. De uitdeling kon incidenteel zijn, bij ziekte of kraambed, of meer structureel, b.v. bij ouderdom. De Heilige Geestmeesters zorgden ook voor de weeskinderen, vondelingen en verlaten kinderen. Die werden in het algemeen uitbesteed bij pleeggezinnen. Maar aan het eind van de Middeleeuwen werden ook de eerste weeshuizen opgericht. Vermogende particulieren stichtten een eigen gasthuis of liefdadigheidshofje. Die waren bestemd voor arme inwoners, waarbij vaak een of meerdere kamers bij voorrang werden toegewezen aan familieleden van de stichter. Veel gasthuizen ontwikkelden zich in de loop der tijd tot proveniershuizen. Vermogende burgers kochten zich in deze huizen in en kregen zo huisvesting, levensonderhoud ‘(‘prove’) en een decente begrafenis. Met de inkoopsommen en andere schenkingen kon het gasthuis een kapitaal vormen, waaruit het huis kon worden geëxploiteerd en ook enige armen worden gehuisvest.



Andere gasthuizen richtten zich op de verpleging van zieken en ontwikkelden zich tot hospitalen. Ook hier is sprake van enige specialisering. Denk aan de leprozerieën voor melaatsen en de pesthuizen, vaak net buiten de stadsmuren, of de eerste dolhuizen.

Voor rondreizende pelgrims, zwervers en andere passanten hadden gasthuizen vaak een aparte ruimte beschikbaar, de baaierd, waar ze konden overnachten.

Dit plaatje is niet volledig. Gilden en broederschappen steunden vaak hun eigen leden, als ze door ziekte of ouderdom behoeftig werden. En er waren soms nog incidentele uitdelingen van fundaties of bij begrafenissen en uitvaartdiensten van vermogende stadsbewoners. Kortom, de sociale kaart van de armenzorg aan het eind van de Middeleeuwen was complex en gericht op verschillende groepen. De voorzieningen waren kleinschalig en in de meeste gevallen slechts een aanvulling op het noodzakelijke inkomen.

 

Vives



De veranderde houding ten opzichte van armoede en arbeid is goed zichtbaar in de publicaties van humanisten als Erasmus, Coornhert en Vives. Juan Luis Vives (1492-1540) schreef in 1526 in Brugge een traktaat over armenzorg, ‘De subventione pauperum’ (‘Over de hulpverlening aan de armen’). De gedachten die hij daarin ontvouwt, zijn niet geheel nieuw, maar zijn verdienste is vooral dat hij ze systematisch op een rijtje zet. Zijn werk bestaat uit twee boeken. In het eerste boek behandelt hij de morele achtergronden van armenzorg. In lijn met de middeleeuwse traditie beschouwt hij zorg voor de armen als invulling van de christelijke plicht tot naastenliefde en de armoede zelf als een geschenk van God. Maar hij trekt andere conclusies. De armen moeten hun lot aanvaarden, een deugdzaam leven leiden en zich vooral niet vergrijpen aan andermans bezit. Maar ze mogen wel hun lot zien te verbeteren. Wie kan werken, moet dat doen. De rijken hebben de plicht tot naastenliefde, maar dat is niet alleen een zaak van het individu of de kerk. Ook de stedelijke overheid moet zich daarmee bemoeien. Die moet er voor zorgen, dat alle armen geholpen worden en dat de armoede op een meer structurele wijze wordt bestreden. In het tweede boek ontvouwt hij daarvoor een uitgewerkt programma. Zo pleit hij ervoor, dat het stadsbestuur een overzicht maakt van alle armen in de stad en van alle instellingen en hun financiën ook controleert. De beschikbare financiële middelen zouden doelmatiger worden aangewend, als zij zouden worden beheerd door één centrale instelling, de ‘ghemeene buerze’. Alle armen moeten werken voor de kost. Naast een arbeidsplicht moet er daarom gezorgd worden voor werkverschaffing en voor onderwijs.

De voorstellen van Vives hadden hun invloed op het beleid van steden in de Zuidelijke Nederlanden, zoals Lille (1527), Gent (1535), Breda (1536), Antwerpen (1540), Leuven (1541) en Mechelen (1535). Keizer Karel V vaardigde in 1531 zelfs een edict uit voor heel de Nederlanden. Arme mensen werd verbonden hun woonplaats te verlaten, behalve in geval van rampen of oorlogen. Parochies werden verplicht om de arme inwoners behoorlijk te ondersteunen. Bestaande fondsen moesten zo efficiënt mogelijk worden aangewend.  Mensen die verhuisd waren, mochten pas na een jaar een beroep op armenzorg doen. Het is opvallend, dat in de Noordelijke Nederlanden dit edict nauwelijks effect heeft gehad. Veranderingen werden maar heel geleidelijk ingevoerd, en kwamen vooral na de Opstand.

 

De Reformatie


In dezelfde tijd komt de Reformatie op met vergelijkbare kritiek op de middeleeuwse armenzorg en diaconie. Ook zij keert zich tegen bedelen. Mensen moeten door eigen arbeid in hun behoeften voorzien. Het geven van aalmoezen en het doen van goede werken worden niet langer beschouwd als middelen die kunnen bijdragen tot het zielenheil. Verlossing is een kwestie van genade en niet van eigen verdienste. Maar de werken van barmhartigheid blijven populair, nu als teken van genade.

De Reformatoren koppelen diaconie ook weer nauwer aan de plaatselijke gemeente. Luther vertrouwde de armenzorg toe aan de overheid, totdat de gemeente zozeer een Bijbelse gemeenschap zou zijn, dat zij de zorg zelf zou kunnen uitvoeren. Hij adviseerde daarom kerkelijke inkomsten voor een gemeentelijke armenkas te gebruiken. Bucer en Calvijn gaan veel verder met de organisatie van de diaconie. Zij kennen de diaconie een fundamentele plaats toe en waarderen het ambt van diaken op. Naast een rol bij het avondmaal krijgt de diaken een belangrijke taak bij het verlenen van de zorg en wordt hij ook opgenomen in het bestuur van de kerkelijke gemeente. Daarvoor wordt teruggegrepen op het voorbeeld van de vroege kerk en worden allerlei theologische motieven gebruikt. Maar volgens de kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch speelden ook pragmatische redenen een belangrijke rol. De Middeleeuwse structuur van de liefdadigheid, die was uitgeoefend door de religieuze orden en broederschappen, was in de gebieden, waar de Reformatoren het voor het zeggen hadden, door hen compleet ontmanteld. De diakenen moesten dit gat vullen.

 

De Opstand


In 1568 begint de tachtigjarige oorlog tegen de Spanjaarden. Vanaf 1572 kiezen verschillende Hollandse steden de kant van prins Willem van Oranje. In de jaren daarna zullen andere steden en provincies volgen. De aanhangers van de nieuwe religie grijpen de macht. Ze verbieden de publieke uitoefening van het katholieke geloof en ontbinden de religieuze orden. Kerkelijke goederen worden geconfisqueerd. De kerkgebouwen gaan over naar de nieuwe religie, die de publieke kerk wordt. Zij begint ook meteen met de oprichting van een diaconie. Met deze organisatievorm hadden protestantse vluchtelingen uit de Nederlanden al de nodige ervaring opgedaan in Londen, Emden en andere verblijfplaatsen in het buitenland. Elke vluchtelingengemeenschap had daar een eigen diaconie, die arme lidmaten ondersteunde. Dit model van kerkelijke armenzorg wordt nu ook in de Nederlandse steden gevolgd. Aanvankelijk richt de diaconie zich vooral op de armenzorg voor de eigen leden, daarbij gebruik makend van de oude aanwezige fondsen voor armenzorg van de parochie en de opbrengsten van de wekelijkse collecte. Dat vraagt al de nodige inzet.

Een andere ontwikkeling is, dat de stedelijke overheden hun controle versterken over de armenzorg. Zij wijzen vrijgekomen kloostergebouwen toe aan gasthuizen en weeshuizen, die daardoor een ruimere behuizing krijgen. Andere instellingen ontvangen inkomsten uit kerkelijke goederen. De stadsbestuurders gaan meer toezicht uitoefenen over de besteding van de gelden en de benoeming van bestuurders en nemen een meer coördinerende taak op zich,.

 

Gevolgen voor de armenzorg


Vanuit een buitenperspectief hebben opstand en reformatie weinig veranderd aan de armenzorg. Er is een grote mate aan continuïteit als je kijkt naar de particuliere instellingen (gasthuizen, weeshuizen, hofjes) en stedelijke voorzieningen (Heilige Geestmeesters, huiszittenmeesters). En waar de parochies, kloosters en broederschappen zijn weggevallen, komt de protestantse diaconie op en krijgen andere instellingen voor armenzorg ruimere financiële mogelijkheden en faciliteiten. In de zeventiende eeuw zal dit geheel zich verder ontwikkelen.

Vanuit het binnenperspectief van de katholieke gemeenschap is de situatie wel aanzienlijk veranderd. De priesters waren verdreven, de kerken afgepakt, de kerkelijke armenzorgvoorzieningen overgenomen. Met allerlei maatregelen probeerden de Staten van Holland de uitoefening van de katholieke religie te ontmoedigen. De uitvoering van deze plakkaten verschilde overigens van stad tot stad. Amsterdam was bij voorbeeld veel toleranter dan andere steden. En als de Spaanse legers in de buurt waren, was de repressie groter. Ook na het einde van de tachtigjarige oorlog in 1648 nam in tijden van oorlog de onderdrukking toe (de katholieken werden nooit volledig vertrouwd), om daarna weer af te zwakken. En tegen betaling was er in de praktijk vaak meer mogelijk dan officieel was toegestaan.

In de eerste decennia na de Opstand hielden de katholieken zich zeer gedeisd. Rond 1600 begonnen ze onder leiding van Sasbout Vosmeer weer met het opbouwen van een kerkelijke organisatie. Niet in juridische zin, want dat was en bleef tot de Franse tijd verboden. Maar wel praktisch. Er kwamen staties, waar priesters de mis vierden bij particulieren thuis of in schuilkerken. In het pastoraat en de geloofsvorming speelden de klopjes een belangrijke rol.

De klopjes waren een eigentijds antwoord op het kloosterverbod van de Reformatie. Deze ongehuwde vrouwen, die een kuisheidsgelofte hadden afgelegd, zetten zich in voor allerlei taken in het onderwijs, voor de kerk, in de ziekenzorg, als turfsteekster of als huishoudster. Ze woonden in kleine groepjes, zelfstandig of bij familie thuis en werden ook wel geestelijke dochter of geestelijke maagd genoemd. Haarlem en Gouda telden in de zeventiende eeuw constant zo’n 300 kloppen.

 

Modellen van armenzorg


De ontwikkeling van de katholieke armenzorg in de zeventiende en achttiende eeuw kan inzichtelijk gemaakt worden met een modern schema voor lokaal diaconaat, ontwikkeld door Marja Jager-Vreugdenhil en Roel Kuijper. Dat schema gaat uit van twee dimensies (interne gerichtheid-externe gerichtheid, resp. informele en formele organisatie).

 

Diaconie gericht op mensen buiten de eigen gemeenschap
 
 
 
Huiszittenmeesters
 
Delftse model
Diaconie gericht op mensen binnen de eigen gemeenschap
 
 
Onderlinge hulpverlening
Protestantse diaconie
 
Amsterdamse model
 
 
 
Informeel
Formeel

 

In de eerste decennia was de situatie tamelijk diffuus. De gereformeerde kerk was de publieke kerk, maar lang niet alle kerkgangers namen de stap om belijdend lid te worden. Dat deed slechts tien procent. Ook katholieken volgden diensten in de inmiddels protestantse kerken, trouwden er (totdat de katholieke kerk dat verbood) en lieten er zich begraven. Daarnaast kwam men in het geheim bijeen. Voor de armenzorg kon men niet meer terecht bij de eigen voorzieningen, maar nog wel bij de stedelijke huiszittenmeesters of Heilige Geestmeesters, zeker als die katholiek waren. Pas langzaam werden katholieken uit deze functies geweerd. Maar ook daarna konden katholieken nog lange tijd bedeeld worden door stedelijke armenzorginstellingen. Soms had ook de protestantse diaconie een ruime taakopvatting en wilde iedereen bedelen. Of kreeg die taak toegewezen door het stadsbestuur, zoals in Rotterdam. Maar bedeling door de diaconie had wel een nadeel: het ging vaak gepaard met morele druk om zich aan te sluiten bij de gereformeerde kerk. Dat gold te meer bij opname in een weeshuis of oudeliedenhuis.

 

Delftse model


In een aantal steden kwam het tot nauwe samenwerking tussen de stedelijke armenzorg en de diaconie. In Leiden werden in 1582 de drie colleges van huiszittenmeesters van de voormalige parochies en de diaconie samengevoegd in het Huiszittenhuis, dat zowel gereformeerden als niet-gereformeerden ondersteunde. In Delft werd in 1613 de Kamer van Charitate opgericht. Het stadsbestuur stelde zes meesters van Charitate aan, de kerkenraad zes diakenen. Samen beslisten zij over alle hulpvragende Delftenaren. Bij een positief besluit ontving men een bedelingsbriefje. Op vertoon van dat briefje kon men dan wekelijks de toegekende hoeveelheid roggebrood, een paar stuivers en in de winter turf ophalen bij het uitdeelpunt. De gereformeerden op zaterdag, de anderen op woensdag. Elk half jaar werd de hulpvraag opnieuw getoetst.

Dit systeem heeft lange tijd gefunctioneerd, maar onder invloed van economische recessies moest er tegen het einde van de zeventiende eeuw wel herhaaldelijk bezuinigd worden. Het aantal bedeelde gezinnen werd ingekrompen tot 1100, gezinnen met één kind werden niet meer geholpen en kerkgangers van de Franse kerk werden verwezen naar hun eigen kerkgenootschap. Dat ging later ook gelden voor leden van de andere kerkgenootschappen.

 

Onderlinge hulpverlening


Vanaf 1600 werkten katholieken weer aan de opbouw van een kerkelijke organisatie, veelal in het verborgene. Het was de staties niet toegestaan om eigendommen te bezitten of fondsen te vormen. Daarom was men aanvankelijk vooral aangewezen op onderlinge hulp. Rijkere katholieken hielpen arme geloofsgenoten financieel of materieel. Ook de klopjes waren actief op dit terrein. Ze hielpen bij de uitdelingen van brood en turf en als houvrouwen door hulpbehoevenden bij hen thuis op te nemen en te verzorgen. De colleges van kerkmeesters, die vanaf 1600 door Sasbout Vosmeer werden ingesteld, moesten niet alleen zorg dragen voor de priesters maar ook voor de armen. In Delft werd in 1633 een fundatie opgericht, waarvan een deel was bestemd voor de armen.

In Rotterdam kwamen eind 1650 23 vermogende katholieken bijeen om de situatie te bespreken van de vele armen, “die door gebreck van noodich onderhoud óf comen te vervallen tot groote ellende en gebreckelijckheden, óf genootzaeckt werden – om ’t leven te behouden – haer te begeven tot ongeoorlofde secten, tot merckelijck gevaer van haere zielen en desreputatie van de Catholijcke gemeente voornoemt.” Ze besloten een Gemene Armenbeurs op te richten met een bestuur van acht leden, twee uit elke statie. Bij dit initiatief waren geen geestelijken betrokken en zij werden ook niet opgenomen in het bestuur, een veiligheidsmaatregel om te voorkomen dat de armenbeurs gezien werd als een religieuze instelling. Dat tot nu toe veel hulp onderling geleverd werd, blijkt wel uit de volgende oproep: alle gemeenteleden “die tot noch toe in ’t byzonder beswaert zijn geweest, met weeckelijck off maendelijck onderhouwt van eenige arme persoone, zullen de naemen en gelegentheijt van dezelve aende regente bekent maeken en verzoeken moge, indien zij zulcks geraden vinden, van soodaenige lasten ontslagen en bevrijt te zijn.” De Gemeene Beurs ging nu zorgen voor de armenzorg aan alle katholieken en zou in de achttiende eeuw ook katholieke wees- en armenhuizen oprichten. Die taak werd ook steeds omvangrijker, vanwege de groei van de stad en daarbinnen ook het aandeel van de katholieken (van 7 % in 1622 tot 27 % rond 1800). Die groei kwam met name door de instroom van arme handwerkslieden uit Brabant en Duitsland. Deze laatste werden ook wel bovelanders genoemd. Toen de armenbeurs eenmaal functioneerde, zette de gereformeerde diaconie de uitdeling van brood en turf aan katholieken stop. Wel kreeg men toestemming om wekelijks met de collecteschaal langs de huizen van de katholieken te gaan. Tot het begin van de achttiende eeuw heeft de Gemeene Armenbeurs de katholieke armen in de stad Rotterdam ondersteund, ongeacht de statie waartoe men behoorde. Daarna kwamen er ook armenbesturen in de afzonderlijke staties, die steeds meer zelf de armenzorg gingen uitvoeren.

 

Amsterdamse model


In Amsterdam was al vrij snel sprake van een strikte scheiding tussen stedelijke en kerkelijke armenzorg. Meer dan in andere steden waren hier ook andere geloofsgemeenschappen aanwezig: protestanten uit Duitsland, Frankrijk, Engeland en Schotland, doopsgezinden, remonstranten (na 1619), joden en katholieken. Het Amsterdamse stadsbestuur was veel toleranter dan de Hollandse Staten. De koopman won het van de dominee: wilde men zaken blijven doen met het buitenland, kon men intern niet al te hard optreden. Het gevolg was, dat men katholieken in Amsterdam al vrij snel dingen toestond die elders verboden waren. Je kan dit ook anders formuleren: de verschillende geloofsgroepen werden al snel gedwongen om te zorgen voor de eigen weeskinderen, armen en ouderen. Waarschijnlijk begon al rond 1600 (in ieder geval voor 1607) het Rooms Catholijck Oude Armen Kantoor met zijn werkzaamheden, het ondersteunen van weesjongens en arme volwassenen. Aanvankelijk was het nog geen echt kantoor en werkten de betrokken particulieren vanuit hun eigen huizen, maar in de loop van de zeventiende eeuw betrok men ene eigen kantoorruimte, waar de armbezorgers vergaderden en waar ook de uitdelingen plaats vonden.



Dit Amsterdamse model zou in de loop van de achttiende eeuw het dominante model in heel Nederland worden onder invloed van economische crises.

In Haarlem klaagden de stadsaalmoezeniers al in 1652 dat de arme katholieken een onevenredig groot deel van hun middelen opeisten. In 1656 berekenden zij, dat de katholieke armen hen jaarlijks 22.000 gulden kostten, terwijl de katholieken slechts 4.000 gulden bijdroegen via de huis-aan-huiscollectes voor de stadsarmen. Een oplossing werd gevonden in een extra bijdrage van de katholieke gemeenschap van 3.000 gulden. Uiteindelijk werd in 1715 de zorg voor de katholieke armen aan de katholieke gemeenschap overgedragen. Wel kreeg men dispensatie voor het ontvangen van legaten.


 

Gebruikte literatuur

De belangrijkste bronnen voor dit artikel waren:

R. Lesaffer, Vives, Brugge en de armenzorg. In: Tijdschrift voor Sociaal Recht, 2006, p. 559-567
 
M.J. van Lieburg, Het Sint Laurensinstituut, 1651-1857-2007 De geschiedenis van de katholieke charitas te Rotterdam, Rotterdam, 2007
 
Diarmaid MacCulloch, Reformation. Europe’s House Divided. 1490-1700, 2004. De opmerking over het diakenambt is te vinden op  p. 238
 
Jo Spaans, Weduwen, wezen en vreemdelingen. Sociale zorg en tolerantie. In: Thimo de Nijs en Eelco Beukers (red), Geschiedenis van Holland 1572 – 1795, Hilversum, 2002, p. 255-286

Jurjen Vis, Liefde het fundament. 400 Jaar Roomsch Catholijk Oude Armen Kantoor in Amsterdam, Amsterdam 2008

Ingrid van der Vlis, Armenzorg volgens het Delftse model. Een unieke formule in de ‘Gouden’ zeventiende eeuw. In: Delf. Cultuurhistorisch magazine voor Delft. Jg. 14, nr. 3, najaar 2012, p. 4-8

 

vrijdag 15 maart 2019

HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 2: VAN HOGE MIDDELEEUWEN TOT REFORMATIE


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het maartnummer (2019-01) verscheen het tweede deel. Dit is een wat uitvoeriger versie.

In de vorige bijdrage heb ik de geschiedenis geschetst van diaconie en christelijke armenzorg in het eerste millennium. Individuele naastenliefde, caritas vanuit de lokale bisschopskerk en de gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters waren de belangrijkste modellen van diaconie in deze periode. Ook na het jaar 1000 blijven bisschoppen, hoge adel en kloosters dominante actoren, maar er komen ook nieuwe spelers op.

 

3. Hoge Middeleeuwen (1000-1350): semireligieuze bewegingen en broederschappen


In deze periode zien we een groei van de bevolking, onder meer door een verbetering van de landbouw, en de opkomst van de steden. De keerzijde van de bevolkingsgroei en van de stijgende mobiliteit is een nauwelijks voorstelbare groei van de armoede in diezelfde steden. Arme boeren trekken naar de stad in de hoop op een beter leven, maar kunnen ook daar nauwelijks overleven. Misoogsten en hongersnoden leiden soms tot opstanden. Vanaf de twaalfde eeuw groeit ook het aantal rondtrekkende studenten en zwervers.

 

Hervormingsbeweging van Cluny


Het ideaal van de navolging van Christus in vrijwillige armoede en in de verkondiging van het evangelie leidt tot de stichting van een hele reeks nieuwe orden en andere religieuze gemeenschappen. Bij de orden kan je onder meer denken aan de benedictijnse hervormingsbeweging van Cluny, de cisterciënzers, de kartuizers en de reguliere kanunniken.

In Cluny ontstaat naast de gebruikelijke vormen van liefdadigheid een geritualiseerde, in de liturgie opgenomen vorm van armenzorg. Als een monnik overlijdt, gaat zijn portie eten en drinken van die dag (prebende) naar een arme in ruil voor het gedenken van de dode. Dat gebeurt dertig dagen achtereen en vervolgens elk jaar op zijn sterfdag. Als de abt overlijdt, worden zelfs 12 armen bedeeld. Het klooster van Cluny kan dit op den duur nauwelijks opbrengen. Abt Petrus Venerabilis (1122-1156) beperkt daarom het aantal dagelijks uit te delen prebenden tot vijftig. Ook op bepaalde kerkelijke feestdagen zoals Witte Donderdag, Pinksteren en Allerzielen worden armen speciaal onthaald. Het is een punt van discussie, of de monniken van Cluny en andere kloosterlingen nu bekommerd waren om het feitelijke lot van de armen of meer om hun eigen relatie met God en hun zielenheil. Maar de relatie tussen de herdenking van de doden (memoria) en armenzorg (caritas) wordt kenmerkend voor de hele periode van de Middeleeuwen en speelt niet alleen bij de armenzorg van de nieuwe orden. Ook bij instellingen van andere actoren komen we die combinatie tegen, zoals bij gasthuizen, hospitalen en hofjes. De armen worden geholpen in hun materiële nood en zij helpen de gevers door hun gebed in hun spirituele nood. Dat kunnen zij, doordat zij als arme geacht worden dichter bij Christus te staan.

 

Nieuwe orden


De meest bekende vertegenwoordigers van de nieuwe orden zijn de bedelorden: franciscanen en de dominicanen zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het bedelen of van liefdadigheid.

Ook worden er religieuze orden opgericht voor een specifiek diaconaal doel. De antonieters (genoemd naar Antonius Abt) gaan zich richten op de verpleging van slachtoffers van vergiftiging met moederkoorn (Antoniusvuur) en later pestlijders, de orde van Sint Lazarus op de verpleging van lepralijders. In Montpellier wordt eind 12de eeuw de Orde van de Heilige Geest opgericht, die na de officiële erkenning in 1208 vooral in Rome gaat werken vanuit het gelijknamige hospitaal van de Heilige Geest. De regel van deze orde kent naast de drie klassieke geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid ook de verplichting om wekelijks de zieken van de straten van Rome te halen en naar het ziekenhuis te brengen. Zo’n bepaling komt niet uit de lucht vallen: ze toont aan hoe groot de nood voor zieken was.

Ook andere noden komen in het vizier. De Mercedariërs en Trinitariërs wijden zich vooral aan het vrijkopen of ruilen van christelijke gevangenen en slaven uit de handen van de Saracenen. Ten tijde van de kruistochten worden ook speciale ridderorden opgericht voor de bescherming van pelgrims en de verzorging van zieken. De hospitaalridders van Sint Jan en de Duitse orde zijn hier voorbeelden van. In Utrecht stichten de hospitaalridders in 1122 het Catharijnegasthuis, voorloper van het huidige UMC.


Bij al deze religieuze orden wordt de zorg voor de armen en de zieken gezien als een dienstverhouding, waarbij de leden van de orde de dienaren zijn en de zieken en armen de meesters. Op de achtergrond speelt ook hier de identificatie van de armen met Christus, zoals we die kennen uit het verhaal van het Laatste Oordeel (Mt 25, 31-46) en de daaruit afgeleide werken van barmhartigheid.

 

Semi-religieuze gemeenschappen


Het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede leidt niet alleen tot een bloei van de religieuze orden en de daaraan verbonden diaconale initiatieven als gasthuizen en hospitalen. Ook leken laten zich daardoor inspireren en willen een christelijk leven leiden.  Zonder zich te binden aan de eeuwige geloften leven ze wel volgens bepaalde voorschriften, blijven vaak ook ongehuwd en sluiten zich aaneen in semi-religieuze gemeenschappen. Vooral vrouwen worden door deze leefwijze aangetrokken. Een bekend voorbeeld in Vlaanderen en Nederland zijn de begijnen. Deze gemeenschappen van vrome vrouwen leven aanvankelijk verspreid in de stad maar gaan naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel wonen. Ze onderhouden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid en groeperen zich in conventen, veelal rond hospitalen en leprozerieën. Vooraanstaande vrouwen stichten begijnhoven in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245). In Nederland zijn nog begijnhoven bewaard gebleven in Amsterdam, Breda, Delft en Haarlem, maar ze kwamen in veel meer steden voor.

Begijnhof Amsterdam
 
Dat het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede in deze periode bij vrouwen sterk speelt, wordt ook zichtbaar in verschillende vrouwelijke heiligen: Maria van Oignies (1177-1213), die wel wordt getypeerd als “de eerste grote begijn van de geschiedenis”, en Elisabeth van Thüringen (1207-1231), die op het eind van haar korte leven in Marburg een hospitaal stichtte en daar armen en zieken verzorgde.
 

Broederschappen


Ook gaan leken zich in deze tijd verenigen in broederschappen en gilden. Broederschappen zijn vrijwillige gemeenschappen onder eigen leiding, die zich wijden aan verschillende activiteiten, onder meer op het gebied van armenzorg. De wederzijdse verbondenheid staat daarbij centraal en in geval van nood (ziekte, overlijden) helpt men elkaar. Vaak stelt het lidmaatschap wel enige financiële eisen, zodat de broederschappen niet open staan voor de absoluut armen. Ze voorkomen wel, dat leden of nabestaanden in armoede vervallen en ze stichten en onderhouden armenhuizen en hospitalen.

 

Armentafels


Een interessant verschijnsel zijn de armentafels. Ze staan ook bekend onder andere namen, zoals armendis of tafel van de Heilige Geest De armentafels ontstaan aan het eind van de twaalfde eeuw in de Vlaamse steden en vanaf het midden van de dertiende eeuw ook op het platteland. In Nederland volgen ze wat later. De Tafel van de Heilige Geest wordt in Den Bosch voor het eerst genoemd in 1281, in Bergen op Zoom, Steenbergen en Wouw in 1295 en in Breda in 1307.

De armentafel is een lokale instelling, die geografisch meestal samenvalt met de plaatselijke parochie. Soms is er een hechte verbinding met de door leken geleide kerkfabriek of een plaatselijke broederschap. Het was echter geen kerkelijke instelling. Vanaf het begin zijn leden van de stedelijke elite actief betrokken bij de organisatie ervan, ze zijn immers ook parochianen met bestuurservaring. En als pastoors al de initiatiefnemers waren en een leidende functie hadden, raken die na het Concilie van Vienne (1311-1312) op de achtergrond. Dat concilie beperkte de rol van de geestelijkheid in bestuur en uitvoering van de armenzorg. Kennelijk hadden teveel pastoors die de leiding hadden over armenzorginstellingen misbruik gemaakt van hun positie en zichzelf verrijkt.

De naam ’armentafel’ verwijst naar het ontstaan: in het begin plaatste men een tafel achter in het kerkportaal, waarvandaan de uitdeling van broden en andere levensmiddelen plaats vond.

In Den Bosch heeft de armentafel aanvankelijk achter in de St. Janskerk onder de toren gestaan. Ook van andere kerken zijn armentafels bekend: de broodbank in de Sint-Bavo in Haarlem en de Armenpot van Sint-Jacob in de Utrechtse Jacobikerk.

In de loop der tijd krijgen de armentafels een eigen vermogen door schenkingen en legaten.

Ze kopen eigen gebouwen aan, zowel voor de uitdeling als voor de opslag (in Den Bosch het ‘Geefhuis’ aan de Hinthamerstraat). Ze helpen de ‘huisarmen’, dat zijn de thuiswonende of huiszittende armen, dus niet de rondtrekkende zwervers of in gasthuizen verblijvende zieken, wezen en bejaarden. Dat doen zij door het uitdelen van levensmiddelen als brood, meel, varkensvlees en haring, maar ook helpen zij met kleding en een zak turf. In de winter worden veel meer mensen geholpen dan zomers. In crisistijden moet op de hulp worden beknibbeld, als het vermogen niet toereikend is.

 

Onderscheid in armen


De 12de-eeuwse theoloog Gerhoch von Reichersberg maakte een onderscheid tussen de ‘pauperes cum Petro’ en de ‘pauperes cum Lazaro’.  De eerste term verwijst naar diegenen, die zoals de apostel Petrus vrijwillig gekozen hebben voor een leven in armoede. De tweede term duidt de mensen aan, die gedwongen in armoede moeten leven, zoals de arme Lazarus uit de parabel van Lazarus en de rijke man (Lc. 16, 19-31). De ‘armen zoals Petrus’ bood een model aan de niet-armen om een christelijk leven te leiden, waarin aan de wereldse zaken werd verzaakt. ‘Lazarus’ voorzag hen van een focus voor hun charitatieve inzet, waardoor zij hun materiële rijkdom konden omvormen tot een spirituele schat. Maar Von Reichersberg was geen aanhanger van de radicale armoedebeweging: existentiële armoede was voor hem geen kenmerk van vrijwillige armoede, want de religieuze gemeenschap voorzag in de basisbehoeften.

Het onderscheid speelde ook een rol bij de vraag hoe je moest omgaan met het kerkelijk bezit, dat was bestemd voor de armen. Aanvankelijk ging het grootste deel naar de echte ‘armen zoals Lazarus’, maar gaandeweg kreeg het onderhouden van de vrijwillige armen de voorkeur. De onvrijwillige armen raakten op de achtergrond. De abdis Hildegard van Bingen vond, dat zij onwaardig waren om aalmoezen te ontvangen, omdat zij als dieren leefden, traag waren en lui, en niet streefden naar geestelijke goede werken.

 

4. Late Middeleeuwen (1350-1572): verburgerlijking van de armenzorg


Door een verslechtering van het klimaat dalen de oogsten in deze periode. Ook heeft de bevolking veel te lijden onder epidemieën met de pest als bekendste voorbeeld. In sommige streken van Europa sterft een derde tot de helft van de bevolking, in Nederland iets minder, maar het zal toch tot 1500 duren eer de bevolking weer op het oude peil is. De steden groeien ten koste van het platteland. Binnen de steden neemt het aandeel van de armen toe. Soms moet ’s winters een kwart van de bevolking of meer bedeeld worden. Dat gaat de capaciteit van de vele kleine armenzorginstellingen vaak te boven. Je ziet in deze periode de houding ten aanzien van armen en armoede veranderen. Was armoede in de periode hiervoor nastrevenswaardig, nu wordt er meer en meer op neergekeken. ‘Echte’ armen wil men nog wel helpen, dat wil zeggen mensen die door hun leeftijd (kinderen, ouderen) of hun beperking niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Alle anderen moeten maar gaan werken voor de kost. Via allerlei stedelijke verordeningen wordt bedelen daarom aan banden gelegd.

 

Diaconale actoren


Diaconale actoren van voorgaande perioden blijven een rol spelen, zoals kerken, kloosters en edellieden. Sommige vermogende clerici stichten als particulier een eigen gasthuis of andere instelling. Evert Zoudenbalch bij voorbeeld, kanunnik van de Dom, financiert in 1491 het Elisabethgasthuis in Utrecht, oorspronkelijk naast het kasteel Vredenburg. Dit is het eerste weeshuis van Nederland. Angelus Merula, pastoor van Heenvliet, vermaakt in 1552 zijn woonhuis in Brielle aan de stad om er een weeshuis van te maken. Dit Merula-Weeshuis heeft tot 1948 bestaan.

Weeshuis Brielle
 
De oprichting van weeshuizen laat zien, dat de armenzorg zich in deze periode gaat specialiseren. Sommige gasthuizen ontwikkelen zich tot proveniershuizen, een soort bejaardenhuis avant la lettre, omdat zij vooral ouderen tegen betaling opnemen. Andere richten zich op de verpleging van zieken. In 1442 stichtte Reinier van Arkel het eerste dolhuis in Den Bosch voor zes ‘sinnelosen’, mensen die hun zinnen niet meer de baas waren en die men ‘van noetewegen spannen, bynden ende sluyten moet’. In 1461 volgde Willem Arntsz dit voorbeeld in Utrecht.

 

Groeiende rol stadsbestuur


Tegelijk groeit de rol van stedelijke instanties. Bijvoorbeeld omdat burgers de uitvoering van een testament toevertrouwen aan de raad en niet aan de kerk (zie Merula). Van de raad verwacht men een grotere kennis van economie. Ook gaat de raad meer controle uitoefenen op gasthuizen en broederschappen, zeker als ze over grote middelen beschikken.

De stedelijke magistraat stelt de Heilige Geestmeesters aan, die de bezittingen van de Tafel van de Heilige Geest beheren en zorgen voor de uitdelingen aan de huiszittende armen. Naarmate deze taak groeit, neemt ook het aantal Heilige Geestmeesters toe. In dorpen benoemt de plaatselijke heer deze functionarissen, die ook betrokken worden bij belangrijke dorpsaangelegenheden. Elk dorp heeft altijd twee Heilige Geestmeesters. Voor een dorp als Zoetermeer-Zegwaart dateert de eerste vermelding van personen die “leven van den Heyligen Geest” uit 1514.

Die grotere rol van de stedelijke overheid moet je overigens niet zien als een afnemende rol van religie. Ook de stedelijke raad verstaat haar handelen als uitdrukking van een door God gewilde zorg voor armen en zieken. De bestuurders doen ook volop mee met religieuze praktijken als processies en bedevaarten, zeker in tijden als hun stad bedreigd wordt door oorlogsgeweld of epidemieën. Juist door hun intensieve bemoeienis op het gebied van de armenzorg willen zij een bijdrage leveren aan de uitbouw van de stad, de orde en eenheid bewaren en spanningen verminderen. Christelijke noties als broederschap, liefde en vrede, vriendschap en eenheid worden ook door hen gepropageerd als burgerlijke idealen.

 

Meester van Alkmaar


In dit perspectief kunnen ook de zeven panelen worden verstaan, die de Meester van Alkmaar in 1504 heeft gemaakt. De zeven werken van barmhartigheid worden hier afgebeeld in een stedelijke context, maar dan wel een ideale stad. Geen Middeleeuwse stad zal zo schoon zijn geweest. Zeer waarschijnlijk zijn deze panelen gemaakt in opdracht van de Alkmaarse Broederschap van de Heilige Geest om in de Laurenskerk te hangen naast de collectebus voor de Heilige Geesttafel. De panelen geven een ideaalbeeld van de activiteiten van de Broederschap en haar waarde voor de armen en de stad. Zo wordt de stad afgebeeld als een goed georganiseerde gemeenschap, waarin christelijke daden van naastenliefde in overvloed voorkomen. Natuurlijk dankzij de Broederschap, wier leden komen uit de inwoners met burgerrechten. En zij ondersteunen vooral de ‘echte’ armen, vrouwen, gebrekkigen, kinderen. De zwervers, potsenmakers en andere onwaardige armen staan hooguit op de achtergrond afgebeeld. Het vierde en zesde paneel tonen ook voorrechten, die verbonden zijn aan het lidmaatschap van de Broederschap: het verzorgen van een begrafenis voor de leden en een eigen hospitaal, het Heilige Geesthuis.


De Middeleeuwse kerk had de gelovigen gewezen op de plicht om elkaar als broeders en zusters te helpen. Voldeed men niet aan die plicht, dan wees men op het zielenheil. In de zestiende eeuw kwam een nieuwe gedachtegang op. Men ging ene verband leggen tussen de houding van de individuele burger ten opzichte van de armen en het collectieve welzijn van de stad. Daarover later meer.

Deze bijdrage steunt onder meer op
Anita Boele, Leden van één lichaam, Hilversum 2013
Bernhard Schneider, Christliche Armenfursorge, Freiburg 2017

woensdag 9 januari 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 1: ROMEINSE TIJD EN VROEGE MIDDELEEUWEN


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het december nummer verscheen het eerste deel (2018/04). Dit is een iets uitvoeriger versie.
 
 
Vanaf het begin van het christendom is diaconie een wezenskenmerk van de kerk. Zorg voor mensen in nood behoort evenzeer tot haar identiteit als liturgie, verkondiging en catechese. De wijzen waarop die zorg vorm kreeg, varieerden in de loop der tijd. Ze waren afhankelijk van de heersende denkbeelden over armoede en arbeid in kerk en samenleving, maar ook van de sociaaleconomische en politieke omstandigheden. Zo hadden oorlogen, epidemieën en natuurrampen als overstromingen of droogteperioden hun weerslag op de economie en het aantal armen. In tijden van crises nam het beroep op de armenzorg toe, maar stonden ook de beschikbare middelen onder druk. Dat leidde tot aanpassingen en de ontwikkeling van nieuwe vormen. In een serie artikelen wil ik de geschiedenis van diaconie en christelijke armenzorg beknopt schetsen. Bij elke periode licht ik een karakteristieke vorm van diaconie uit (‘historisch model’).
 

Bijsluiter


Een indeling in perioden en modellen heeft didactische voordelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. De perioden lopen in elkaar over en houden zich niet aan de strakke grens van een jaartal. Dat geldt ook voor de historische modellen. Die gaan vaak als een onderstroom door in een volgende periode. Instellingen voor armenzorg leiden soms een lang leven, waarbij de methoden van hulpverlening wel veranderen. Voor de eerdere perioden zijn minder en beperktere bronnen beschikbaar dan voor latere tijdvakken. En de afstand tussen de toenmalige ideeënwereld en nu is ook groter. We zijn geneigd om die perioden te bekijken door een moderne bril. Gevormd door de 19de eeuwse meesters van de argwaan zien we achter elke daad van naastenliefde economische belangen (Marx) of psychische behoeften (Freud). En we gaan uit van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Kunnen we de verschillende perioden wel op hun eigen waarde schatten of zien we ze slechts als voorstadia tot de huidige laatmoderne samenleving?


  1. Vroege kerk tot einde Romeinse Rijk (-476): de bisschop als vader van de armen.

Het christendom begon als een arme beweging. Petrus vertrok met een aantal vissers van Jerusalem naar Antiochië. Vandaaruit verspreidde het christendom zich verder naar Edessa en uiteindelijk naar Rome. In de tweede eeuw besloten de Romeinse keizers de christenen te gaan vervolgen, omdat ze staatsgevaarlijk werden. In het Romeinse rijk was er ruimte voor andere godsdiensten, zolang men de keizer maar wilde vereren. Dat weigerden de christenen. Juist door de vervolgingen groeide de aanhang. Tertullianus  (gestorven na 220) zei dan ook: “Het bloed van de martelaren is het zaad der kerk.” Maar minstens zo belangrijk voor de groei van het christendom was de zorg voor armen, zieken en vreemdelingen. Dat riep bewondering op bij hun omgeving, aldus diezelfde Tertullianus: “Zie, hoe zij elkaar liefhebben.” Als ideaalbeeld voor de vroege christengemeenschappen gold dan ook de schets uit Hand. 2 en 4.

Het belang van die diaconale zorg bleek ook uit de nauwe verbinding met de eucharistie, het centrum van het christelijke gemeenschapsleven. Dit was een echt liefdesmaal. De gaven die werden meegebracht, werden verdeeld onder de aanwezigen en ook bezorgd bij die behoeftigen die niet aanwezig hadden kunnen zijn. Daarbij was een belangrijke rol weggelegd voor de diakens.
 
 
Liefdesmaaltijd van christenen. Detail van een sarcofaag in de catacomben van Rome.

Aalmoezen


Een andere diaconale praktijk was het geven van aalmoezen. Armen waren daarbij niet louter objecten van liefdadigheid. Door aalmoezen aan te nemen en voor de rijken te bidden, redden de armen de rijken en verschaften hen “een woonrecht in de eeuwige tent” (Clemens van Alexandrië). Hoe hoog een aalmoes moest zijn, was een bron van discussie. Johannes Chrysostomos vond, dat rijken minstens een-derde van hun vermogen hieraan moesten besteden. Maar anderen relativeerden die eis. Een aalmoes moest komen uit de overvloed en de rijken moesten een leven kunnen voeren volgens hun stand.

De situatie van de kerk veranderde toen het christendom erkend werd in de vierde eeuw. Met het edict van Milaan (313) maakte Constantijn een einde aan de christenvervolgingen. Dat had grote gevolgen voor het christendom. De bisschoppen gingen zich kleden als Romeinse senatoren en trokken het purper aan. Ze kwamen ook steeds meer uit de hogere lagen. Bisschop Paulinus van Nola (353-431) was schatrijk.
 

Xenodochia


Die veranderingen leidden tot een identiteitscrisis. De christenen groeiden in aantal, in invloed en in vermogen, maar lazen in de schrift dat hun Heer geen steen had om zijn hoofd op te leggen. Toen de hogere kerkleiding zich ging kleden als senatoren, riep dat de vraag op wie ze dan zijn als navolgers van Christus en hoe ze om moeten gaan met hun vermogen.

Augustinus van Hippo en Paulinus van Nola zochten naar een antwoord. Christenen moesten vooral niet doen wat de Romeinse keizers altijd hadden gedaan. Zij hadden het Colosseum opgericht om het volk spelen te verschaffen en zichzelf vereeuwigd in grote standbeelden. De christenen besloten iets totaal anders met hun vermogen te doen. Voor hen werd de arme hun ideologie. Vanaf de vierde eeuw zien we dan ook vooral in het oosten van het Romeinse Rijk de opbouw van instituties voor de verzorging van zieken, armen en reizigers, met name pelgrims. De behoefte aan dergelijke instellingen groeide in die tijd ook sterk door de opkomst van pelgrimstochten naar het Heilig Land, in navolging van Constantijns moeder Helena. Deze instellingen werden xenodochia genoemd (letterlijk: vreemdenherberg), in het Latijn later vertaald als hospitium of hospitale. Inderdaad is dit de voorloper van ons woord hospitaal. Maar een xenodochium richtte zich niet alleen op zieken. Het was een gasthuis voor iedereen die onderdak behoefde: pelgrims, maar al snel ook armen, ouderen en zieken. Deze instellingen lagen gewoonlijk in de nabijheid van een kerk of het bisschopshuis. Ook als ze door particuliere gelovigen waren gesticht, stonden zij onder bisschoppelijk toezicht. Ze kwamen vooral voor in het Oostromeinse rijk, en drongen pas langzaam door in het westen. Een uitzondering vormde het ziekenhuis voor melaatsen, dat Fabiola, een dochter uit een rijke familie, in 399 in Rome stichtte.

Je kan de oprichting van xenodochia en andere instellingen zien als een van de vernieuwingen van het christendom op het gebied van de armenzorg. De verantwoordelijkheid kwam meer en meer bij de bisschop te liggen als “vader van de armen”. De diakens werden helpers van de bisschop en raakten op de achtergrond. Bij dat alles moet je je bedenken, dat de kerk nog niet georganiseerd was in territoriale parochies. Dat zou pas in de volgende periode gebeuren. De kerk was gecentreerd rond de bisschop.

 
  1. De vroege middeleeuwen (500 – 900): ‘verkloostering’ van de diaconie


Na de val van het Romeinse Rijk en de instroom van Germaanse volken veranderde de samenleving in West-Europa sterk. Steden ontvolkten, de bevolking nam af, grootgrondbezit kwam op. De kerk met haar instellingen en structuur zorgde in deze situatie voor continuïteit. De bisschoppen kwamen vaak voort uit de adel en oefenden meer en meer macht uit, deels gebaseerd op eigen middelen van de kerk, deels verkregen uit schenkingen door de koning.

Tot diep in de zevende eeuw bleef de armenzorg het domein van de bisschop. Talrijke bepalingen van Gallische concilies en synoden wijzen daarop. Zo verlangde het Concilie van Orléans in 511 van de bisschop, dat hij zich ontfermde over de armen en zieken, die niet konden werken. En het Concilie van Tours besloot in 567, dat “elke civitas haar arme en behoeftige inwoners op passende wijze moet voorzien van voedsel, zoals ook de priesters op het platteland hun armen moeten voeden. Daarmee moet het rondtrekken van deze armen door vreemde civitates verhinderd worden.” Op welk gebied dit woord ‘civitas’ precies betrekking heeft (bisdom?, parochie?, stad?, dorp?), is een twistpunt onder geleerden. Maar duidelijk is wel, dat men streefde naar een dekkende zorg, die voorkwam dat armen moesten gaan zwerven om hulp te vinden.

Dat de bisschop nog steeds gold als ‘vader van de armen’ en het bezit van het bisdom ook als armengoed werd gezien, blijkt uit verschillende heiligenlevens van bisschoppen. Het bekendste voorbeeld is dat van de H. Martinus van Tours.

 
In de loop van de tijd werden de Frankische koningen steeds machtiger en gingen zij ook een rol spelen op het gebied van de armenzorg. In de vorstenspiegels werd het doen van werken van barmhartigheid onderdeel van het koninklijke dienstambt. De koning werd beschouwd als ‘beschermer van de armen’. Dat vertaalde zich ook in verschillende rechtsregels rond armenzorg en concrete maatregelen ten gunste van armen in tijden van hongersnood.

 

Instellingen voor armenzorg


De instellingen voor armenzorg in deze periode bouwden voor een deel voort op die uit de vorige periode, en waren voor een ander deel nieuw. Je kan allereerst denken aan de xenodochia. Halverwege de achtste eeuw moeten deze gasthuizen voor armen, pelgrims en zieken zeker in 34 plaatsen in Gallië gestaan hebben. Een deel stond onder bisschoppelijk toezicht en was kerkelijk eigendom, zoals in het oosten. Maar andere xenodochia waren gesticht door koningen, door hun echtgenoten of door hoge edelen en stonden onder leiding van clerici of monniken. Door allerlei factoren verdwenen deze instellingen rond 800.

Een tweede type zijn de matricula. Letterlijk betekent dat: lijst. Al vrij vroeg was in de christelijke armenzorg de gewoonte ontstaan om lijsten van armen op te stellen. Zo kreeg men een goed overzicht van de hulpbehoevenden en kon men onderscheid maken tussen armen, die voor ondersteuning in aanmerking kwamen en degenen, die daarvan moesten worden uitgesloten. De Voedselbank is dus geenszins de eerste instelling, die een gebruikerslijst heeft. In de zesde eeuw stond in Gallië ‘matricula’ voor een instelling, die zorg droeg voor de ondersteuning van een bepaalde groep armen. De middelen daarvoor werden meegebracht door de kerkgangers, kwamen uit grote schenkingen of uit het kerkelijk vermogen. Niet alleen bisschopssteden of pelgrimsoorden hadden een matricula, ook andere steden en grote dorpen. Soms werd met matricula ook het huis aangeduid, waar de armen zich ophielden of zelfs woonden. Vaak lag dit huis bij de ingang van de kerk. Het aantal armen op de lijst of in het huis was beperkt en varieerde tussen de 12 en de 40. De criteria voor opname zijn onduidelijk. In de loop der tijd maakten armen plaats voor kostkopers (proveniers).

Tenslotte hadden sommige steden ook een eigen leprozenhuis buiten de stadsmuren. Melaatsen werden afgezonderd van de rest van de bevolking, om te voorkomen dat anderen zouden worden besmet met deze ziekte. Diaken Adalgisel Grimo uit Verdun bedacht in zijn testament uit 634 onder meer drie leprozenhuizen, waaronder een in Maastricht. Tot in de veertiende eeuw zouden leprozenhuizen de enige gespecialiseerde vorm van ziekenhuis zijn.
 

Kloosters


Eind derde eeuw was in het oosten van het Romeinse rijk het kloosterleven ontstaan. Enkelingen trokken zich in de woestijn terug om daar een leven van vrijwillige armoede en gebed te leven. De kluizenaar Antonius (251-356) was een van de eersten, die zijn bezittingen verkocht en aan de armen gaf. Zij kregen volgelingen en leerlingen, waardoor er kleine gemeenschappen van gelijkgezinden ontstonden. Uit dit individuele ascetendom ontwikkelde zich het georganiseerde kloosterleven. Hiervoor werden regels opgesteld. Pachomius en Basilius deden dat in het oosten, Augustinus en een eeuw later Benedictus in het westen. De kloosters van deze beschouwende orden werden vaak ver van de bewoonde wereld gesticht, waar de monniken een leven volgens een speciale dagindeling konden leiden die helemaal gewijd was aan gebed en beschouwing. Maar al snel trokken zij bezoekers aan: pelgrims en andere reizigers, armen, bedelaars. Daarvoor werden aparte gasthuizen ingericht bij het kloostercomplex. Zo ontstond er een derde model van christelijke armenzorg: naast individuele naastenliefde en caritas vanuit de lokale (bisschops-)kerk ontwikkelde zich een gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters. Omdat Christus ook ontmoet kon worden in de arme, werd het praktiseren van de werken van barmhartigheid deel van het monnikenleven en kreeg het in twijfelgevallen zelfs voorrang boven het eigen gebedsleven. Daarom neemt in de regel van Benedictus de gastvrijheid, ook voor armen, zo’n belangrijke plaats in. En werden er aparte broeders aangesteld om naast de abt zorg te dragen voor de gasten.

In de missionering van de Franken, Friezen en andere Germaanse volkeren in Noordwest Europa hebben de Ierse monniken een belangrijke rol gespeeld. De Ierse kerk was een monnikenkerk. Ook Willibrord, zelf een Engelsman, was hierdoor gevormd. Op verschillende plaatsen in de huidige Benelux vestigde hij een klooster als steunpunt voor de missionering. Van de abdij in Echternach werd al in 698 vermeld, dat er een gebouw stond waar de monniken zich ontfermden over de pelgrims en waar armen om aalmoezen kwamen vragen.Dat zal bij zijn andere vestigingen, b.v. in St. Odiliënberg, niet anders zijn geweest.

De Karolingische hervorming van 816 verplichtte elk Benedictijnerklooster, maar ook de stichtingen van kanunniken en nonnenkloosters, om een ‘hospitale pauperum’ te hebben, waar gastvrijheid aan de armen kon worden geboden. Dat werd gefundeerd met een verwijzing naar Mt. 25. Hiervoor zou een tiende van alle inkomsten (opbrengst van de oogst, schenkingen en aalmoezen) moeten worden aangewend. Of alle kloosters zich aan deze verplichting hebben gehouden en of zij de arme gasten even welwillend hebben benaderd als de voorname reizigers, valt te betwijfelen, Maar de bronnen wijzen wel uit, dat aan het eind van de negende eeuw de kloosters de dominante actoren waren in de armenzorg. De andere instellingen waren op de achtergrond geraakt.

Het paradoxale van de kloosters is, dat zij voortkwamen uit het streven naar vrijwillige armoede van de individuele monniken, maar dat zij als instelling al snel rijkdommen vergaarden door eigen arbeid op het land en door schenkingen. Je ziet dan een continue golfbeweging optreden van: strenge kloosterregels, gevolgd door verwatering van de oorspronkelijke idealen, waarop een beweging terug naar de bron volgt. De kloosterorde kan dan intern worden vernieuwd (strenge observantie) of er wordt een nieuwe orde gesticht met strengere armoederegels en een hernieuwd toeleggen op de armenzorg als manier om Christus te ontmoeten. In de volgende perioden zullen we de kloosters dan ook nog geregeld tegenkomen.

 

Jan Maasen

 

Literatuurtip (en belangrijke bron voor dit artikel)

Bernhard Schneider, Christliche Armenfürsorge. Von den Anfängen bis zum Ende des Mittelalters, Freiburg, 2017