Posts tonen met het label gasthuis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gasthuis. Alle posts tonen

vrijdag 15 maart 2019

LIEFDADIGHEIDSHOFJES


Tweede bijdrage als vrucht van sabbatverlof in Diakonie & Parochie 2015-02 

Wie stilteplekken in een drukke stad zoekt, raad ik aan een hofjeswandeling te maken. In diverse steden hebben de VVV of het Gilde dergelijke wandelingen in het assortiment. Ze voeren je langs soms prachtig gerestaureerde complexen en brengen je op ruime, stille binnenplaatsen, waarvan je het bestaan in het dichtbebouwde centrum niet vermoed had. En al lopende maak je kennis met een vorm van ouderenzorg, die eeuwenlang vooral door particulieren gepraktiseerd is. Het oudste nog bestaande hofje staat in Haarlem en is in 1395 gesticht door Dirk van Bakenes ‘voor vrouwen acht en twee mael ses’ (= zestig jaar en ouder). De witte huisjes die je nu rond de binnentuin ziet staan, zijn overigens van jonger datum. Zij zijn in 1658 gebouwd. De hofjeswandeling in Groningen brengt je zelfs langs een aantal hofjes, die pas eind negentiende eeuw zijn gesticht. Zo is het Sint Martinusgasthuis in 1880 gebouwd voor rooms-katholieke bejaarden. De bloeiperiode van hofjes lag in de zeventiende en achttiende eeuw. Toen kregen ze soms een heel monumentaal karakter. Een recent boek draagt niet voor niets de titel ‘Hofjes als paleizen’.

 

Hofjes, kameren en gasthuizen


De dikke Van Dale geeft als omschrijving van hofje: “geheel van gewoonlijk om een binnenplein gelegen kleine huisjes (vroeger onder beheer van een liefdadige stichting, meestal bewoond door bejaarde arme vrouwen).” (p. 1172) Bij kleine huisjes moet je ook echt aan kleine onderkomens denken. De Utrechtse benaming ‘kameren’ dekt de lading goed. Meer dan één kamer was het vaak niet. Bedenk, dat men in die tijd geen aparte slaapkamers kende en de mensen zittend sliepen in een bedstee. De huisjes waren ook niet altijd om een binnentuin gebouwd. Soms stonden ze gewoon aan de straat of achter een woonhuis. Maar voor de meeste instellingen gaat de omschrijving wel op. Andere benamingen dan hofje en kameren zijn ook in omloop, zoals gasthuis in Leeuwarden en Groningen, vergadering in Kampen en proveniershuis in Edam, Haarlem en Schiedam.

 

Doelgroepen


De meeste hofjes waren bestemd voor ‘oude arme, of scamele lieden’. Oud, arm en alleenstaand waren de belangrijkste criteria. Meestal betrof het vrouwen, omdat die beter zelfstandig een eigen huishouden konden voeren. Alleenstaande mannen gingen eerder naar een Oudemannenhuis. Soms werden ook twee vrouwen in één huisje geplaatst, waarbij de meer gezonde voor de meer hulpbehoevende zorgde.

Sommige hofjes waren uitdrukkelijk bestemd voor leden van een specifiek kerkgenootschap. Zo had je hofjes speciaal voor rooms-katholieke vrouwen of remonstrantse ouderen of doopsgezinden, in een tijd waarin de Nederduits Gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk was. Zolang het hofje een particuliere stichting betrof en het bestuur niet te nauw verbonden was met de plaatselijke kerkelijke gemeenschap, was dat mogelijk. Katholieke stichters van een hofje kozen soms ook voor een andere strategie, om niet op te vallen Ze zorgden ervoor, dat het bestuur in handen kwam van mede-katholieken, terwijl ze bepaalden dat het nieuwe hofje open moest staan voor alle gezindten. Een mooi voorbeeld daarvan  biedt Johan de Bruyn van Buytewech, een schatrijke katholiek (nr. 174 in de Quote 500 van zijn tijd). Hij bestemde in 1657 zijn hele nalatenschap voor de bouw van een hofje in Den Haag voor vrouwen ‘sonder aensien van wat religie d’selve souden mogen wesen.’ Die bepaling klinkt ruimdenkender dan ze waarschijnlijk bedoeld was. Ze bood de mogelijkheid om ook katholieken op te nemen, in een tijd waarin de meeste voorzieningen louter bestemd waren voor protestanten. Daaraan hebben de regenten zich gehouden. Nog in de 19de eeuw klonk de klacht, dat dit Hofje van Nieuwkoop (Buytewech was sinds 1617 heer van Nieuwkoop) wel veel katholieke bewoonsters kende.

 
Hofje van Nieuwkoop in Den Haag
 
Andere hofjes waren speciaal bedoeld voor bepaalde beroepsgroepen, zoals hofpersoneel, onderofficieren of schippers. Haarlem kent een Brouwershofje, waarin het brouwersgilde tot het eind van de achttiende eeuw bejaarde ‘brouwersmeiden’ heeft ondergebracht.

 

Gratis, maar eerzaam gedrag


Wonen in een hofje was meestal gratis. Bij de toewijzing werd er op gelet, dat men aan de criteria voldeed. Arm betekende daarbij, dat men weinig eigen middelen had, maar men mocht geen pauper zijn. Paupers waren geen nette mensen. Van de bewoonsters werd verwacht, dat zij zich eerzaam gedroegen en in elk geval naar de kerk gingen. Soms beschikte het hofje daarvoor zelfs over een eigen kapel.

 

Preuven en proveniers


Een ‘preuve’ was vroeger het recht dat iemand had op een stukje levensonderhoud. Voor geestelijken was dat vaak een bepaald salaris, voor armen en passerende vreemdelingen het recht op gratis eten. In de reglementen van menig hofje waren ook bepalingen opgenomen, waarbij de bewoners bepaalde uitkeringen (preuven) kregen. Dat kon een hoeveelheid brood, boter en turf zijn. De bewoonsters van het St Elisabethgasthuishofje in Haarlem ontvingen op de schietdagen van de schutterij De Doelen anderhalf vat bier en een ‘vuile schotel’ (= een eenvoudige maaltijd).

Sommige bewoners van hofjes werden ‘proveniers’ genoemd. Dat waren bewoners die zich hadden ingekocht in een hofje. In ruil voor hun spaarpot kregen zij tot hun dood een plek in het hofje. Dat kon een goede of slechte deal zijn voor het hofje, afhankelijk van de tijd dat de provenier nog zou leven. Naarmate er meer proveniers kwamen, veranderde het karakter van een hofje van een liefdadigheidsinstelling voor arme ouderen naar een woonzorgcentrum avant la lettre.

 

Motieven van stichters


Waarom hebben mensen een hofje gesticht of ondersteund met een schenking? Drie complexen van drijfveren spelen een rol: godsdienstige opvattingen, statusoverwegingen en zorg voor familieleden, eigen personeel of ‘huisgenoten des geloofs’. Daarnaast wilde een enkeling zijn erfgenamen een hak zetten of een goed voorbeeld uit zijn directe omgeving navolgen. Het valt in ieder geval op, dat in sommige families meerdere hofjesstichters voorkomen. Zo had een tante van Johan de Bruyn van Buitenwegh, Elisabeth, al in 1614 een hofje in Gouda gesticht, dat tot 1961 bestaan heeft en bekend stond als een ‘klopjesnest’.

 

Memoriecultus


De eerste hofjes zijn ontstaan in de Middeleeuwen, binnen een katholieke traditie waarin naast het doen van goede werken ook het bidden voor het zielenheil de toegang tot de hemel kon bevorderen. Rijken werden aangespoord hun zondenlast te verlichten door te geven aan de armen. Armen werd gevraagd om in ruil voor een schenking te bidden voor het zielenheil van de schenker. Die memoriecultus – zo heet het bidden voor de doden – zie je ook bij de hofjes. Van de bewoonsters werd gevraagd om voor het zielenheil van de stichter te bidden. Op een enkele plek ging dat nog lang door. De bewoonsters van het Sint Paulushofje in Etten, opgericht in 1681, baden nog tot eind jaren ’60 van de vorige eeuw elke avond voor het zielenheil van de stichter, Justus de Nobelaer.

 

HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 2: VAN HOGE MIDDELEEUWEN TOT REFORMATIE


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het maartnummer (2019-01) verscheen het tweede deel. Dit is een wat uitvoeriger versie.

In de vorige bijdrage heb ik de geschiedenis geschetst van diaconie en christelijke armenzorg in het eerste millennium. Individuele naastenliefde, caritas vanuit de lokale bisschopskerk en de gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters waren de belangrijkste modellen van diaconie in deze periode. Ook na het jaar 1000 blijven bisschoppen, hoge adel en kloosters dominante actoren, maar er komen ook nieuwe spelers op.

 

3. Hoge Middeleeuwen (1000-1350): semireligieuze bewegingen en broederschappen


In deze periode zien we een groei van de bevolking, onder meer door een verbetering van de landbouw, en de opkomst van de steden. De keerzijde van de bevolkingsgroei en van de stijgende mobiliteit is een nauwelijks voorstelbare groei van de armoede in diezelfde steden. Arme boeren trekken naar de stad in de hoop op een beter leven, maar kunnen ook daar nauwelijks overleven. Misoogsten en hongersnoden leiden soms tot opstanden. Vanaf de twaalfde eeuw groeit ook het aantal rondtrekkende studenten en zwervers.

 

Hervormingsbeweging van Cluny


Het ideaal van de navolging van Christus in vrijwillige armoede en in de verkondiging van het evangelie leidt tot de stichting van een hele reeks nieuwe orden en andere religieuze gemeenschappen. Bij de orden kan je onder meer denken aan de benedictijnse hervormingsbeweging van Cluny, de cisterciënzers, de kartuizers en de reguliere kanunniken.

In Cluny ontstaat naast de gebruikelijke vormen van liefdadigheid een geritualiseerde, in de liturgie opgenomen vorm van armenzorg. Als een monnik overlijdt, gaat zijn portie eten en drinken van die dag (prebende) naar een arme in ruil voor het gedenken van de dode. Dat gebeurt dertig dagen achtereen en vervolgens elk jaar op zijn sterfdag. Als de abt overlijdt, worden zelfs 12 armen bedeeld. Het klooster van Cluny kan dit op den duur nauwelijks opbrengen. Abt Petrus Venerabilis (1122-1156) beperkt daarom het aantal dagelijks uit te delen prebenden tot vijftig. Ook op bepaalde kerkelijke feestdagen zoals Witte Donderdag, Pinksteren en Allerzielen worden armen speciaal onthaald. Het is een punt van discussie, of de monniken van Cluny en andere kloosterlingen nu bekommerd waren om het feitelijke lot van de armen of meer om hun eigen relatie met God en hun zielenheil. Maar de relatie tussen de herdenking van de doden (memoria) en armenzorg (caritas) wordt kenmerkend voor de hele periode van de Middeleeuwen en speelt niet alleen bij de armenzorg van de nieuwe orden. Ook bij instellingen van andere actoren komen we die combinatie tegen, zoals bij gasthuizen, hospitalen en hofjes. De armen worden geholpen in hun materiële nood en zij helpen de gevers door hun gebed in hun spirituele nood. Dat kunnen zij, doordat zij als arme geacht worden dichter bij Christus te staan.

 

Nieuwe orden


De meest bekende vertegenwoordigers van de nieuwe orden zijn de bedelorden: franciscanen en de dominicanen zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het bedelen of van liefdadigheid.

Ook worden er religieuze orden opgericht voor een specifiek diaconaal doel. De antonieters (genoemd naar Antonius Abt) gaan zich richten op de verpleging van slachtoffers van vergiftiging met moederkoorn (Antoniusvuur) en later pestlijders, de orde van Sint Lazarus op de verpleging van lepralijders. In Montpellier wordt eind 12de eeuw de Orde van de Heilige Geest opgericht, die na de officiële erkenning in 1208 vooral in Rome gaat werken vanuit het gelijknamige hospitaal van de Heilige Geest. De regel van deze orde kent naast de drie klassieke geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid ook de verplichting om wekelijks de zieken van de straten van Rome te halen en naar het ziekenhuis te brengen. Zo’n bepaling komt niet uit de lucht vallen: ze toont aan hoe groot de nood voor zieken was.

Ook andere noden komen in het vizier. De Mercedariërs en Trinitariërs wijden zich vooral aan het vrijkopen of ruilen van christelijke gevangenen en slaven uit de handen van de Saracenen. Ten tijde van de kruistochten worden ook speciale ridderorden opgericht voor de bescherming van pelgrims en de verzorging van zieken. De hospitaalridders van Sint Jan en de Duitse orde zijn hier voorbeelden van. In Utrecht stichten de hospitaalridders in 1122 het Catharijnegasthuis, voorloper van het huidige UMC.


Bij al deze religieuze orden wordt de zorg voor de armen en de zieken gezien als een dienstverhouding, waarbij de leden van de orde de dienaren zijn en de zieken en armen de meesters. Op de achtergrond speelt ook hier de identificatie van de armen met Christus, zoals we die kennen uit het verhaal van het Laatste Oordeel (Mt 25, 31-46) en de daaruit afgeleide werken van barmhartigheid.

 

Semi-religieuze gemeenschappen


Het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede leidt niet alleen tot een bloei van de religieuze orden en de daaraan verbonden diaconale initiatieven als gasthuizen en hospitalen. Ook leken laten zich daardoor inspireren en willen een christelijk leven leiden.  Zonder zich te binden aan de eeuwige geloften leven ze wel volgens bepaalde voorschriften, blijven vaak ook ongehuwd en sluiten zich aaneen in semi-religieuze gemeenschappen. Vooral vrouwen worden door deze leefwijze aangetrokken. Een bekend voorbeeld in Vlaanderen en Nederland zijn de begijnen. Deze gemeenschappen van vrome vrouwen leven aanvankelijk verspreid in de stad maar gaan naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel wonen. Ze onderhouden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid en groeperen zich in conventen, veelal rond hospitalen en leprozerieën. Vooraanstaande vrouwen stichten begijnhoven in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245). In Nederland zijn nog begijnhoven bewaard gebleven in Amsterdam, Breda, Delft en Haarlem, maar ze kwamen in veel meer steden voor.

Begijnhof Amsterdam
 
Dat het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede in deze periode bij vrouwen sterk speelt, wordt ook zichtbaar in verschillende vrouwelijke heiligen: Maria van Oignies (1177-1213), die wel wordt getypeerd als “de eerste grote begijn van de geschiedenis”, en Elisabeth van Thüringen (1207-1231), die op het eind van haar korte leven in Marburg een hospitaal stichtte en daar armen en zieken verzorgde.
 

Broederschappen


Ook gaan leken zich in deze tijd verenigen in broederschappen en gilden. Broederschappen zijn vrijwillige gemeenschappen onder eigen leiding, die zich wijden aan verschillende activiteiten, onder meer op het gebied van armenzorg. De wederzijdse verbondenheid staat daarbij centraal en in geval van nood (ziekte, overlijden) helpt men elkaar. Vaak stelt het lidmaatschap wel enige financiële eisen, zodat de broederschappen niet open staan voor de absoluut armen. Ze voorkomen wel, dat leden of nabestaanden in armoede vervallen en ze stichten en onderhouden armenhuizen en hospitalen.

 

Armentafels


Een interessant verschijnsel zijn de armentafels. Ze staan ook bekend onder andere namen, zoals armendis of tafel van de Heilige Geest De armentafels ontstaan aan het eind van de twaalfde eeuw in de Vlaamse steden en vanaf het midden van de dertiende eeuw ook op het platteland. In Nederland volgen ze wat later. De Tafel van de Heilige Geest wordt in Den Bosch voor het eerst genoemd in 1281, in Bergen op Zoom, Steenbergen en Wouw in 1295 en in Breda in 1307.

De armentafel is een lokale instelling, die geografisch meestal samenvalt met de plaatselijke parochie. Soms is er een hechte verbinding met de door leken geleide kerkfabriek of een plaatselijke broederschap. Het was echter geen kerkelijke instelling. Vanaf het begin zijn leden van de stedelijke elite actief betrokken bij de organisatie ervan, ze zijn immers ook parochianen met bestuurservaring. En als pastoors al de initiatiefnemers waren en een leidende functie hadden, raken die na het Concilie van Vienne (1311-1312) op de achtergrond. Dat concilie beperkte de rol van de geestelijkheid in bestuur en uitvoering van de armenzorg. Kennelijk hadden teveel pastoors die de leiding hadden over armenzorginstellingen misbruik gemaakt van hun positie en zichzelf verrijkt.

De naam ’armentafel’ verwijst naar het ontstaan: in het begin plaatste men een tafel achter in het kerkportaal, waarvandaan de uitdeling van broden en andere levensmiddelen plaats vond.

In Den Bosch heeft de armentafel aanvankelijk achter in de St. Janskerk onder de toren gestaan. Ook van andere kerken zijn armentafels bekend: de broodbank in de Sint-Bavo in Haarlem en de Armenpot van Sint-Jacob in de Utrechtse Jacobikerk.

In de loop der tijd krijgen de armentafels een eigen vermogen door schenkingen en legaten.

Ze kopen eigen gebouwen aan, zowel voor de uitdeling als voor de opslag (in Den Bosch het ‘Geefhuis’ aan de Hinthamerstraat). Ze helpen de ‘huisarmen’, dat zijn de thuiswonende of huiszittende armen, dus niet de rondtrekkende zwervers of in gasthuizen verblijvende zieken, wezen en bejaarden. Dat doen zij door het uitdelen van levensmiddelen als brood, meel, varkensvlees en haring, maar ook helpen zij met kleding en een zak turf. In de winter worden veel meer mensen geholpen dan zomers. In crisistijden moet op de hulp worden beknibbeld, als het vermogen niet toereikend is.

 

Onderscheid in armen


De 12de-eeuwse theoloog Gerhoch von Reichersberg maakte een onderscheid tussen de ‘pauperes cum Petro’ en de ‘pauperes cum Lazaro’.  De eerste term verwijst naar diegenen, die zoals de apostel Petrus vrijwillig gekozen hebben voor een leven in armoede. De tweede term duidt de mensen aan, die gedwongen in armoede moeten leven, zoals de arme Lazarus uit de parabel van Lazarus en de rijke man (Lc. 16, 19-31). De ‘armen zoals Petrus’ bood een model aan de niet-armen om een christelijk leven te leiden, waarin aan de wereldse zaken werd verzaakt. ‘Lazarus’ voorzag hen van een focus voor hun charitatieve inzet, waardoor zij hun materiële rijkdom konden omvormen tot een spirituele schat. Maar Von Reichersberg was geen aanhanger van de radicale armoedebeweging: existentiële armoede was voor hem geen kenmerk van vrijwillige armoede, want de religieuze gemeenschap voorzag in de basisbehoeften.

Het onderscheid speelde ook een rol bij de vraag hoe je moest omgaan met het kerkelijk bezit, dat was bestemd voor de armen. Aanvankelijk ging het grootste deel naar de echte ‘armen zoals Lazarus’, maar gaandeweg kreeg het onderhouden van de vrijwillige armen de voorkeur. De onvrijwillige armen raakten op de achtergrond. De abdis Hildegard van Bingen vond, dat zij onwaardig waren om aalmoezen te ontvangen, omdat zij als dieren leefden, traag waren en lui, en niet streefden naar geestelijke goede werken.

 

4. Late Middeleeuwen (1350-1572): verburgerlijking van de armenzorg


Door een verslechtering van het klimaat dalen de oogsten in deze periode. Ook heeft de bevolking veel te lijden onder epidemieën met de pest als bekendste voorbeeld. In sommige streken van Europa sterft een derde tot de helft van de bevolking, in Nederland iets minder, maar het zal toch tot 1500 duren eer de bevolking weer op het oude peil is. De steden groeien ten koste van het platteland. Binnen de steden neemt het aandeel van de armen toe. Soms moet ’s winters een kwart van de bevolking of meer bedeeld worden. Dat gaat de capaciteit van de vele kleine armenzorginstellingen vaak te boven. Je ziet in deze periode de houding ten aanzien van armen en armoede veranderen. Was armoede in de periode hiervoor nastrevenswaardig, nu wordt er meer en meer op neergekeken. ‘Echte’ armen wil men nog wel helpen, dat wil zeggen mensen die door hun leeftijd (kinderen, ouderen) of hun beperking niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Alle anderen moeten maar gaan werken voor de kost. Via allerlei stedelijke verordeningen wordt bedelen daarom aan banden gelegd.

 

Diaconale actoren


Diaconale actoren van voorgaande perioden blijven een rol spelen, zoals kerken, kloosters en edellieden. Sommige vermogende clerici stichten als particulier een eigen gasthuis of andere instelling. Evert Zoudenbalch bij voorbeeld, kanunnik van de Dom, financiert in 1491 het Elisabethgasthuis in Utrecht, oorspronkelijk naast het kasteel Vredenburg. Dit is het eerste weeshuis van Nederland. Angelus Merula, pastoor van Heenvliet, vermaakt in 1552 zijn woonhuis in Brielle aan de stad om er een weeshuis van te maken. Dit Merula-Weeshuis heeft tot 1948 bestaan.

Weeshuis Brielle
 
De oprichting van weeshuizen laat zien, dat de armenzorg zich in deze periode gaat specialiseren. Sommige gasthuizen ontwikkelen zich tot proveniershuizen, een soort bejaardenhuis avant la lettre, omdat zij vooral ouderen tegen betaling opnemen. Andere richten zich op de verpleging van zieken. In 1442 stichtte Reinier van Arkel het eerste dolhuis in Den Bosch voor zes ‘sinnelosen’, mensen die hun zinnen niet meer de baas waren en die men ‘van noetewegen spannen, bynden ende sluyten moet’. In 1461 volgde Willem Arntsz dit voorbeeld in Utrecht.

 

Groeiende rol stadsbestuur


Tegelijk groeit de rol van stedelijke instanties. Bijvoorbeeld omdat burgers de uitvoering van een testament toevertrouwen aan de raad en niet aan de kerk (zie Merula). Van de raad verwacht men een grotere kennis van economie. Ook gaat de raad meer controle uitoefenen op gasthuizen en broederschappen, zeker als ze over grote middelen beschikken.

De stedelijke magistraat stelt de Heilige Geestmeesters aan, die de bezittingen van de Tafel van de Heilige Geest beheren en zorgen voor de uitdelingen aan de huiszittende armen. Naarmate deze taak groeit, neemt ook het aantal Heilige Geestmeesters toe. In dorpen benoemt de plaatselijke heer deze functionarissen, die ook betrokken worden bij belangrijke dorpsaangelegenheden. Elk dorp heeft altijd twee Heilige Geestmeesters. Voor een dorp als Zoetermeer-Zegwaart dateert de eerste vermelding van personen die “leven van den Heyligen Geest” uit 1514.

Die grotere rol van de stedelijke overheid moet je overigens niet zien als een afnemende rol van religie. Ook de stedelijke raad verstaat haar handelen als uitdrukking van een door God gewilde zorg voor armen en zieken. De bestuurders doen ook volop mee met religieuze praktijken als processies en bedevaarten, zeker in tijden als hun stad bedreigd wordt door oorlogsgeweld of epidemieën. Juist door hun intensieve bemoeienis op het gebied van de armenzorg willen zij een bijdrage leveren aan de uitbouw van de stad, de orde en eenheid bewaren en spanningen verminderen. Christelijke noties als broederschap, liefde en vrede, vriendschap en eenheid worden ook door hen gepropageerd als burgerlijke idealen.

 

Meester van Alkmaar


In dit perspectief kunnen ook de zeven panelen worden verstaan, die de Meester van Alkmaar in 1504 heeft gemaakt. De zeven werken van barmhartigheid worden hier afgebeeld in een stedelijke context, maar dan wel een ideale stad. Geen Middeleeuwse stad zal zo schoon zijn geweest. Zeer waarschijnlijk zijn deze panelen gemaakt in opdracht van de Alkmaarse Broederschap van de Heilige Geest om in de Laurenskerk te hangen naast de collectebus voor de Heilige Geesttafel. De panelen geven een ideaalbeeld van de activiteiten van de Broederschap en haar waarde voor de armen en de stad. Zo wordt de stad afgebeeld als een goed georganiseerde gemeenschap, waarin christelijke daden van naastenliefde in overvloed voorkomen. Natuurlijk dankzij de Broederschap, wier leden komen uit de inwoners met burgerrechten. En zij ondersteunen vooral de ‘echte’ armen, vrouwen, gebrekkigen, kinderen. De zwervers, potsenmakers en andere onwaardige armen staan hooguit op de achtergrond afgebeeld. Het vierde en zesde paneel tonen ook voorrechten, die verbonden zijn aan het lidmaatschap van de Broederschap: het verzorgen van een begrafenis voor de leden en een eigen hospitaal, het Heilige Geesthuis.


De Middeleeuwse kerk had de gelovigen gewezen op de plicht om elkaar als broeders en zusters te helpen. Voldeed men niet aan die plicht, dan wees men op het zielenheil. In de zestiende eeuw kwam een nieuwe gedachtegang op. Men ging ene verband leggen tussen de houding van de individuele burger ten opzichte van de armen en het collectieve welzijn van de stad. Daarover later meer.

Deze bijdrage steunt onder meer op
Anita Boele, Leden van één lichaam, Hilversum 2013
Bernhard Schneider, Christliche Armenfursorge, Freiburg 2017

maandag 10 november 2014

Geschiedenis van caritas in beeld

Momenteel loopt in Museum Catharijneconvent in Utrecht de tentoonstelling 'Ik geef om jou!'. Aan de hand van talrijke schilderijen en prenten, maar ook met andere voorwerpen als akten, collectebussen en foto's wordt de geschiedenis van de naastenliefde in beeld gebracht. Deze tentoonstelling sluit mooi aan bij de thematiek van mijn sabbatverlof, dat ik eerder dit jaar had (de geschiedenis van caritas en kerkelijke armenzorg). Binnenkort ga ik naar Utrecht om met de andere leden van onze parochiele werkgroep diaconie de tentoonstelling te bekijken. Ik ben heel benieuwd. Het gelijknamige boek heb ik al enige weken in huis en heb ik met genoegen gelezen. Het is geen catalogus, maar biedt tien inhoudelijke bijdragen over facetten van de geschiedenis van naastenliefde. De bijdragen worden afgewisseld met zeven portretten van weldoeners, twee historische figuren en vijf hedendaagse vrijwilligers. Wie zich verder wil orienteren, vindt aan het eind van het boek een gedetailleerde tijdslijn van de zorg voor de naaste en een bibliografie. Alle bijdragen zijn rijk geillustreerd met afbeeldingen van de objecten, die in de tentoonstelling te zien zijn.


Locatie

Niet vaak zal een museumgebouw zelf object in de eigen tentoonstelling zijn. Dat is hier wel het geval. Het museum is gevestigd in een oud kloostercomplex, het Catharijneconvent, dat in de zeventiende eeuw ook het eerste stads- en academisch ziekenhuis van Utrecht was. De tijdelijke tentoonstelling 'Ik geef om jou!' is te zien in de oude ziekenzaal. En de geschiedenis van de plek als oord van naastenliefde gaat nog verder terug. In 1366 schonk een burger van de stad Utrecht, Pieter Uten Leen, geld aan de broederschap van Sint-Agatha om het stenen huis bij hun kapel te verbouwen tot 'warme stoof'. In dit kleine gasthuis met zeven bedden konden armen en pelgrims dan 's winters onderdak vinden. Ruim een eeuw heeft dit gasthuis hier gestaan.
In 1468 kregen de karmelieten toestemming om op de plek van het gasthuis een nieuw klooster te bouwen. Niet lang hebben ze daarvan plezier gehad. Nog geen zestig jaar later, in 1529, moesten zij op hun beurt wijken voor de Johannieter Orde. Drie eeuwen lang hadden de Johannieters een klooster met een groot gasthuis gehad op het huidige Vredenburgh, dat was gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrie.  Toen wilde keizer Karel V daar een kasteel bouwen ('Vredenburgh') en gaf hij aanzet tot deze 'stoelendans' van religieuze orden. De Johannieters breidden het klooster van de karmelieten uit door omliggende gebouwen en terreinen aan te kopen. In dit nieuwe Catharijneconvent richtten ze twee grote ziekenzalen in.
Als in 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en het openlijk belijden van het katholieke geloof wordt verboden, komt het gasthuis  te staan onder het bestuur van de Staten van Utrecht. Het kloosterhospitaal wordt langzamerhand een wereldlijk ziekenhuis en na de oprichting van de Universiteit Utrecht in 1636 ook academisch ziekenhuis. In de Franse tijd heft Lodewijk Napoleon de universiteit op en moet het gasthuis in 1812 zijn deuren sluiten.
Het kloostercomplex gaat vervolgens dienst doen als Militair Logement. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient het als opvangcentrum voor honderden Belgische vluchtelingen. Uiteindelijk zal hier in 1979 het Museum Catharijneconvent gevestigd worden.
Als stenen konden spreken, zou het gebouw zelf een heel verhaal kunnen vertellen over de geschiedenis van de naastenliefde door de eeuwen heen. Over de rol van particuliere weldoeners, religieuze broederschappen en orden bij de uitvoering van naastenliefde in de Middeleeuwen. Over het gasthuis als opvangplek voor pelgrims, zieken en armen, aanvankelijk ongedifferentieerd, later uiteenvallend in allerlei specialismen. Het Catharijneconvent laat zien hoe uit het gasthuis het academisch ziekenhuis is ontstaan, van hospitium dus tot hospitaal.  Over de invloed van de reformatie op de organisatie van de naastenliefde (hier: grotere rol wereldlijke overheid, verdwijnen van religieuze ordes). Over de relatie tussen oorlogen, natuurrampen en epidemieen enerzijds en naastenliefde en armenzorg anderzijds (hier: de opvang van Belgische vluchtelingen).
Stenen spreken niet, dus hebben we het tentoonstellingsboek en andere media die deze verhalen kunnen doorgeven.

Naastenliefde

Het Catharijneconvent is niet het enige gebouw, dat een verhaal over naastenliefde kan vertellen. Er zijn in Utrecht nog veel meer stenen sporen te vinden. Met een gratis routeboekje of  een app die bij de tentoonstelling is ontwikkeld, kan je zelf op pad gaan langs de eeuwenoude gasthuizen, kloosters en hofjes die in de binnenstad staan. In tal van andere Nederlandse steden zijn ook diaconale wandelingen te maken. En als de gebouwen er niet meer staan, dan zijn er nog wel de instellingen die kunnen bogen op een eeuwenlange geschiedenis: ziekenhuizen, weeshuizen en zorgcentra maar ook charitatieve fondsen. Zo functioneren in Utrecht nog steeds de stichting Evert Zoudenbalchhuis, voortgekomen uit het St. Elisabethsgasthuis, dat de Utrechtse domkannunnik Evert Zoudenbalch (1423-1503) in 1491 heeft gesticht als het eerste weeshuis in Nederland, en het Jonkheer Huijbert Edmond van Buchellfonds, dat uitkeringen doet ter bestrijding van de armoede onder lidmaten van de Jacobikerk en voortkomt uit het vermogen van Hubert van Buchel (1513-1599), eerst kanunnik en later overgaan naar de protestantse kerk (zie p. 83). Ik kom daar aan het eind van dit blog nog op terug.


In het tentoonstellingsboek duidt Annelies van Heijst deze uitingen van naastenliefde als sporen van een christelijke cultuur. Ze laat zien dat de geschiedenis van de naastenliefde in ons land nauw verbonden is met het christendom. God eren en de naastenliefde beoefenen zijn in de christelijke visie de antwoorden van de mens op de liefde die God ons eerst geschonken heeft. Vanaf het vroege christendom is de zorg voor kwetsbaren dan ook een kern van de geloofsbeleving. We zien dat bijvoorbeeld terug in de kloosterregel van Benedictus. Hij schreef  voor, dat een zieke medebroeder moest worden behandeld 'quasi Dominus', alsof hij de Heer zelf was. Dat spoor doortrekkend gingen de meeste kloosters opvang bieden aan zieke pelgrims, reizigers en andere vreemden, in hospitia of gastenverblijven. En toen de steden groeiden, werden daar ook gasthuizen opgericht, door religieuzen, maar ook door particulieren en broederschappen.
Naastenliefde is overigens niet een specifiek christelijke deugd. Ook in andere levensbeschouwingen is het helpen van de naaste een belangrijke waarde. Raphael Evers schetst de rol van liefdadigheid (tsedaka) in het jodendom en Mirjam Shatanawi gaat in op het geven aan de armen (zakaat) als een van de vijf zuilen in de islam. Marije de Nood laat zien hoe mededogen in het hindoeisme en het boeddhisme een rol spelen. Daarmee is het inhoudelijke kader geschetst.

Geschiedenissen

Hoe de, overwegend christelijke, naastenliefde vorm heeft gekregen en zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld, komt aan bod in vier historische bijdragen. Wat namelijk begon als een ongedifferentieerde opvang van zieken, pelgrims en reizigers, groeide uit tot specialistische vormen van zorg en welzijn.

Armenzorg

Maarten van der Linde en Lia van Doorn concentreren zich op de zorg aan de armen. Zij schetsen de ontwikkeling van de middeleeuwse armentafel tot de hedendaagse voedselbank. Al op het Tweede Concilie van Tours was in 567 (!) bepaald dat "iedere gemeenschap de autochtone armen en behoeftigen op passende wijze voedde, elk naar eigen vermogen." De kloosters op het platteland speelden daarbij een belangrijke rol. Toen vanaf 1100 de steden opkwamen, ontstonden ook daar initiatieven om armen te helpen. De auteurs noemen een aantal vroege Utrechtse voorbeelden, zoals de Armenpot van Sint-Jacob, een armentafel in de Jacobikerk, en het Heilige-Geesthuis aan de Vismarkt, gesticht in 1307. Onder invloed van de Franciscanen en andere armoedebewegingen had de arme in die tijd een status als iemand die dichtbij God stond. Deed je iets goed voor hem, dan deed je iets goed voor God. In de zestiende eeuw verandert het beeld van de arme. Armen die vanwege leeftijd of gebrek niet kunnen werken worden gezien als 'ware armen' en komen nog voor ondersteuning in aanmerking. Alle anderen moeten maar via werk in hun eigen onderhoud voorzien. Als na 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en de kloosters, gasthuizen en armenfondsen worden gesloten of overgenomen, verandert de situatie. De stedelijke overheid stuurt er op aan, dat de kerkgenootschappen de zorg voor de eigen armen voor hun rekening gaan nemen, mede vanwege de verslechterde economie.
In de negentiende eeuw worden naast de stedelijke en kerkelijke armenzorg ook verenigingen actief op dit gebied. Aan rooms-katholieke kant kan je dan b.v denken aan de Vincentiusvereniging (1846).
De Armenwet van 1854 blijft het primaat leggen bij de zorg van de kerkgenootschappen voor de eigen leden. Alleen in uiterste nood mocht de stedelijke overheid bijspringen. Hoewel de kerkelijke armbesturen de nood feitelijk niet aankunnen, is deze situatie gehandhaafd tot de invoering van de Bijstandswet in 1965. Bij de vormgeving van de verzorgingsstaat hebben christelijke beginselen een belangrijke rol gespeeld. Even hebben we gedacht, dat het tijdperk van armoede en caritas voorbij zou zijn. Maar de verzorgingsstaat bleek financieel niet te handhaven. Er ontstaan nieuwe vormen van particulier initiatief om mensen bij te staan waar de overheid gaten laat vallen. De opkomst van de voedselbank sinds 2002, waarbij veel plaatselijke kerken betrokken zijn, is daarvan een goed voorbeeld.

Gezondheidszorg

Hannie Kool-Blokland schetst de geschiedenis van de zorg voor de zieken. Ook hier begint het verhaal bij de zorg van kloosterlingen voor zieke reizigers, armen en hulpbehoevenden en de inzet van andere groeperingen als de steden groeien, zoals de stedelijke overheid en de gilden en liefdadige broederschappen. Al in de Middeleeuwen ontstaan er aparte voorzieningen voor besmettelijke zieken: pesthuizen voor pestlijders, leprozerieen voor melaatsen en lijders aan andere huidziekten. De overige zieken werden verpleegd in gasthuizen.
In de eeuwen daarna ontwikkelt zich de heelkunde en komt er meer nadruk te liggen op het medisch handelen. In de negentiende eeuw krijgen sociaal bewogen medici oog voor de relatie tussen armoede, slechte woon- en leefomstandigheden en volksgezondheid. Zij gaan het belang van licht, lucht, gezonde voeding en goede woningen propageren. Dat heeft ook invloed op de ziekenhuisbouw. Bijna alle oude middeleeuwse gasthuizen werden vervangen door nieuwe, luchtige, moderne gebouwen aan de rand van de stad. Tevens werd de verpleging verbeterd.

Ouderenzorg

Lange tijd was ouderenzorg vooral een armoedeprobleem, laat Renger de Bruin zien. Als mensen vanwege ouderdom niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien, waren de meesten aangewezen op de hulp van anderen. Veel minder dan in dorpsgemeenschappen was er in de steden een vangnet voor arme ouderen. Vermogende particulieren richtten daarom al in de middeleeuwen gasthuizen voor hen op. Het Catharinagasthuis in Leiden bestond bijvoorbeeld al in 1276, blijkt uit een oorkonde. In de eeuwen daarna werden ook elders talrijke gasthuizen opgericht. Speciaal voor ouderen kwamen er ook kameren of vrijwoningen, vaak rond een binnenplaats gebouwd. Om die reden spreekt men ook wel van hofjes. Het Hofje van Bakenes in Haarlem is in 1395 gebouwd uit de nalatenschap van de koopman Dirk van Bakenes. Ook de gilden zorgden voor ondersteuning van oudere gildebroeders. Het Utrechtse smedengilde had zelfs een eigen gasthuis, het Eloyengasthuis aan de Boterstraat. (St Eloy is de patroonheilige van de metaalbewerkers).
Terwijl sommige gasthuizen zich ontwikkelden tot ziekenhuizen (zie boven), gaan anderen zich richten op de opvang van ouderen. Na de Reformatie gaan de gereformeerde kerkenraad en de stedelijke overheid de controle uitoefenen over de gasthuizen en worden de broederschappen vervangen door regentencolleges. De katholieke minderheid wordt gedoogd en mocht geen publieke functie uitoefenen. Katholieke instellingen waren lange tijd verboden. Alleen particuliere initiatieven als vrijwoningen mochten bestaan. Pas in de loop van de achttiende eeuw konden zich nieuwe katholieke stichtingen ontwikkelen, toen b.v. het verbod op het aannemen van legaten werd opgeheven.
De kwaliteit van de zorg verschilde per instelling en categorie bewoner. Rijkere ouderen konden zich inkopen met een prove (schenking). Daarom werden zij ook wel proveniers genoemd. Vaak hadden ze dan een eigen kamer. De zorg voor arme ouderen werd betaald door de diaconie of de stedelijke armenzorg.

Zorg voor wezen

'Armen, weduwen en wezen' vormen in de Bijbel al een bekend rijtje van categorieen mensen die vaak op naastenliefde zijn aangewezen. Al eeuwenlang bestaat er dan ook een aparte zorg voor wezen en vondelingen. De eerste tehuizen voor wezen en vondelingen in ons land werden in de veertiende eeuw opgericht in Leiden en Utrecht, aldus Jacques Dane. In de zestiende eeuw volgden veel andere steden. In een eerdere blog heb ik al melding gemaakt van het weeshuis in Brielle, dat is gesticht uit een schenking van Angelus Merula. In deze weeshuizen namen de zogeheten 'binnenouders' de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich. Vaak was dat een echtpaar, maar soms ook twee vrijgezellen. De binnenouders stonden onder het gezag van een regentencollege dat de financiele zaken beheerde. In de zeventiende eeuw stond de wezenzorg in de Republiek in hoog aanzien in Europa. De wezen kregen hier niet alleen onderdak en voedsel, maar er werd ook gezorgd voor hun opvoeding en onderwijs. Een van de opvoedingsdoelen was namelijk, dat de kinderen na vertrek uit het weeshuis op eigen benen konden staan. Zo kregen arme wezen vaak een betere start dan hun arme leeftijdgenootjes die nog wel ouders hadden.
Ter onderscheiding van andere kinderen droegen wezen herkenbare kleding. De kinderen van het Heilige-Geestweeshuis in Leiden droegen bijvoorbeeld in de vijftiende eeuw verticaal gekleurde rood-witte kleding, de kleuren van het stadswapen.
Door onder andere betere sociale voorzieningen en de stijging van de levensstandaard neemt het aantal wezen sinds het einde van de negentiende eeuw af. De grote weeshuizen werden overbodig of kregen een andere functie: ze gingen zich richten op verwaarloosde en misdadige kinderen en later ook voogdijpupillen.

Caritas verbeeld

Twee inhoudelijke bijdragen heb ik nog niet genoemd, terwijl ze in mijn ogen tot de meest interessante artikelen behoren. De eerste is meer van kunsthistorische aard. Hanneke van Asperen bespreekt de vraag hoe je een begrip als naastenliefde zou kunnen verbeelden. Liefde ligt aan de basis van allerlei daden, maar is op zichzelf onzichtbaar.
Een antwoord sinds de Middeleeuwen is de personificatie. Abstracte begrippen krijgen een menselijke gedaante. De liefde krijgt dan gestalte in een vrouwenfiguur (Caritas), die vaak ook nog een aantal attributen draagt, die verwijzen naar de liefde. Je kan dan denken aan een brandend hart, een zon,  een bloedende pelikaan. Populair is ook de afbeelding van een moeder met een of meerdere (zogende) kinderen. Moeder en kind representeren de wederkerigheid en de onvoorwaardelijkheid van de liefde. De kinderen verbeelden niet alleen de behoeftigen die steun nodig hebben, maar ook de gelovigen die aangewezen zijn op God.
Vanzelfsprekend waren de afbeeldingen van caritas als moeder een populair beeld in weeshuizen. Op de tentoonstelling wordt een altaarstuk getoond uit het weeshuis van Gorinchem, dat in 1557 is gesticht door een kinderloos echtpaar. Achter de vrouw staat Caritas met drie kinderen. Maar niet alleen instellingen gebruiken dit beeld. Sophia Hedwig, gravin van Nassau-Dietz laat zich in de zeventiende eeuw met haar kinderen portretteren als Caritas, terwijl ze haar borst aan haar jongste kind presenteert.
De andere bijdrage, die ik hierboven al kort gememoreerd heb,  laat aan de hand van twee personen de overgang in denkbeelden over armoede en naastenliefde zien, die plaats vond in de zestiende eeuw. Het betreft hier Evert Zoudenbalch en Hubert van Buchel. Allebei waren ze kanunnik, kwamen uit goede families, waren rijk en gaven een groot deel van hun geld aan de armen. Evert Zoudenbalch is een representant van de Middeleeuwen. Hij stichtte in 1491 een weeshuis, gewijd aan St Elisabeth. Hij wilde de weeskinderen een goede katholieke opvoeding geven en verwachtte als tegenprestatie dat zij voor hun zielenheil zouden bidden. Hubert van Buchel leefde een eeuw later, begon als priester, maar voelde zich later meer thuis in de protestantse Jacobikerk. Ook hij wilde dat de armen een goede godsdienstige opvoeding zouden krijgen. Daarom moesten zij de preken in de Jacobikerk volgen, maar hij vond het niet nodig dat er gebeden werd voor zijn zielenheil. En hij gaf het geld niet aan de armenpot van de Jacobikerk, maar stichtte een fonds waaruit de armen wekelijks een bedrag kregen dat naar eigen inzicht kon worden besteed. Het ging daarbij om arme, nette gezinnen met tenminste twee kinderen, die niet bedelend langs de deuren gingen. Ik vind het een mooie vondst van Truus van Bueren om de omslag in het armoedebeeld en de armenzorg inzichtelijk te maken aan de hand van deze twee Utrechtse beoefenaars van de naastenliefde.
Al met al geeft dit tentoonstellingsboek in betrekkelijk kort bestek veel inzicht in de historische ontwikkeling van de naastenliefde. Het is aardig, dat veel voorbeelden betrekking hebben op de Utrechtse situatie. Op een speciale website bij de tentoonstelling  zijn nog veel meer voorbeelden uit deze stad te vinden. In de bijdragen in het boek worden soms ook voorbeelden uit andere plaatsen gegeven. Meestal zijn ze afkomstig uit Holland of Zeeland. In de andere provincies is toch ook naastenliefde bedreven? Wat in het boek ook onderbelicht blijft is de wijze waarop de gedoogde kerkgenootschappen ten tijde van de Republiek vorm hebben proberen te geven aan de armenzorg voor hun eigen leden en de rol van de religieuze congregaties vanaf het begin van de negentiende eeuw. Maar misschien moet ik mijn oordeel bijstellen na het zien van de tentoonstelling.

Literatuur:
Marije de Nood en Kees van Schooten (red), Ik geef om jou! Naastenliefde door de eeuwen heen.
WBooks/Museum Catharijneconvent, Zwolle, Utrecht, 2014.