Posts tonen met het label werken van barmhartigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werken van barmhartigheid. Alle posts tonen

woensdag 9 januari 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 1: ROMEINSE TIJD EN VROEGE MIDDELEEUWEN


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het december nummer verscheen het eerste deel (2018/04). Dit is een iets uitvoeriger versie.
 
 
Vanaf het begin van het christendom is diaconie een wezenskenmerk van de kerk. Zorg voor mensen in nood behoort evenzeer tot haar identiteit als liturgie, verkondiging en catechese. De wijzen waarop die zorg vorm kreeg, varieerden in de loop der tijd. Ze waren afhankelijk van de heersende denkbeelden over armoede en arbeid in kerk en samenleving, maar ook van de sociaaleconomische en politieke omstandigheden. Zo hadden oorlogen, epidemieën en natuurrampen als overstromingen of droogteperioden hun weerslag op de economie en het aantal armen. In tijden van crises nam het beroep op de armenzorg toe, maar stonden ook de beschikbare middelen onder druk. Dat leidde tot aanpassingen en de ontwikkeling van nieuwe vormen. In een serie artikelen wil ik de geschiedenis van diaconie en christelijke armenzorg beknopt schetsen. Bij elke periode licht ik een karakteristieke vorm van diaconie uit (‘historisch model’).
 

Bijsluiter


Een indeling in perioden en modellen heeft didactische voordelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. De perioden lopen in elkaar over en houden zich niet aan de strakke grens van een jaartal. Dat geldt ook voor de historische modellen. Die gaan vaak als een onderstroom door in een volgende periode. Instellingen voor armenzorg leiden soms een lang leven, waarbij de methoden van hulpverlening wel veranderen. Voor de eerdere perioden zijn minder en beperktere bronnen beschikbaar dan voor latere tijdvakken. En de afstand tussen de toenmalige ideeënwereld en nu is ook groter. We zijn geneigd om die perioden te bekijken door een moderne bril. Gevormd door de 19de eeuwse meesters van de argwaan zien we achter elke daad van naastenliefde economische belangen (Marx) of psychische behoeften (Freud). En we gaan uit van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Kunnen we de verschillende perioden wel op hun eigen waarde schatten of zien we ze slechts als voorstadia tot de huidige laatmoderne samenleving?


  1. Vroege kerk tot einde Romeinse Rijk (-476): de bisschop als vader van de armen.

Het christendom begon als een arme beweging. Petrus vertrok met een aantal vissers van Jerusalem naar Antiochië. Vandaaruit verspreidde het christendom zich verder naar Edessa en uiteindelijk naar Rome. In de tweede eeuw besloten de Romeinse keizers de christenen te gaan vervolgen, omdat ze staatsgevaarlijk werden. In het Romeinse rijk was er ruimte voor andere godsdiensten, zolang men de keizer maar wilde vereren. Dat weigerden de christenen. Juist door de vervolgingen groeide de aanhang. Tertullianus  (gestorven na 220) zei dan ook: “Het bloed van de martelaren is het zaad der kerk.” Maar minstens zo belangrijk voor de groei van het christendom was de zorg voor armen, zieken en vreemdelingen. Dat riep bewondering op bij hun omgeving, aldus diezelfde Tertullianus: “Zie, hoe zij elkaar liefhebben.” Als ideaalbeeld voor de vroege christengemeenschappen gold dan ook de schets uit Hand. 2 en 4.

Het belang van die diaconale zorg bleek ook uit de nauwe verbinding met de eucharistie, het centrum van het christelijke gemeenschapsleven. Dit was een echt liefdesmaal. De gaven die werden meegebracht, werden verdeeld onder de aanwezigen en ook bezorgd bij die behoeftigen die niet aanwezig hadden kunnen zijn. Daarbij was een belangrijke rol weggelegd voor de diakens.
 
 
Liefdesmaaltijd van christenen. Detail van een sarcofaag in de catacomben van Rome.

Aalmoezen


Een andere diaconale praktijk was het geven van aalmoezen. Armen waren daarbij niet louter objecten van liefdadigheid. Door aalmoezen aan te nemen en voor de rijken te bidden, redden de armen de rijken en verschaften hen “een woonrecht in de eeuwige tent” (Clemens van Alexandrië). Hoe hoog een aalmoes moest zijn, was een bron van discussie. Johannes Chrysostomos vond, dat rijken minstens een-derde van hun vermogen hieraan moesten besteden. Maar anderen relativeerden die eis. Een aalmoes moest komen uit de overvloed en de rijken moesten een leven kunnen voeren volgens hun stand.

De situatie van de kerk veranderde toen het christendom erkend werd in de vierde eeuw. Met het edict van Milaan (313) maakte Constantijn een einde aan de christenvervolgingen. Dat had grote gevolgen voor het christendom. De bisschoppen gingen zich kleden als Romeinse senatoren en trokken het purper aan. Ze kwamen ook steeds meer uit de hogere lagen. Bisschop Paulinus van Nola (353-431) was schatrijk.
 

Xenodochia


Die veranderingen leidden tot een identiteitscrisis. De christenen groeiden in aantal, in invloed en in vermogen, maar lazen in de schrift dat hun Heer geen steen had om zijn hoofd op te leggen. Toen de hogere kerkleiding zich ging kleden als senatoren, riep dat de vraag op wie ze dan zijn als navolgers van Christus en hoe ze om moeten gaan met hun vermogen.

Augustinus van Hippo en Paulinus van Nola zochten naar een antwoord. Christenen moesten vooral niet doen wat de Romeinse keizers altijd hadden gedaan. Zij hadden het Colosseum opgericht om het volk spelen te verschaffen en zichzelf vereeuwigd in grote standbeelden. De christenen besloten iets totaal anders met hun vermogen te doen. Voor hen werd de arme hun ideologie. Vanaf de vierde eeuw zien we dan ook vooral in het oosten van het Romeinse Rijk de opbouw van instituties voor de verzorging van zieken, armen en reizigers, met name pelgrims. De behoefte aan dergelijke instellingen groeide in die tijd ook sterk door de opkomst van pelgrimstochten naar het Heilig Land, in navolging van Constantijns moeder Helena. Deze instellingen werden xenodochia genoemd (letterlijk: vreemdenherberg), in het Latijn later vertaald als hospitium of hospitale. Inderdaad is dit de voorloper van ons woord hospitaal. Maar een xenodochium richtte zich niet alleen op zieken. Het was een gasthuis voor iedereen die onderdak behoefde: pelgrims, maar al snel ook armen, ouderen en zieken. Deze instellingen lagen gewoonlijk in de nabijheid van een kerk of het bisschopshuis. Ook als ze door particuliere gelovigen waren gesticht, stonden zij onder bisschoppelijk toezicht. Ze kwamen vooral voor in het Oostromeinse rijk, en drongen pas langzaam door in het westen. Een uitzondering vormde het ziekenhuis voor melaatsen, dat Fabiola, een dochter uit een rijke familie, in 399 in Rome stichtte.

Je kan de oprichting van xenodochia en andere instellingen zien als een van de vernieuwingen van het christendom op het gebied van de armenzorg. De verantwoordelijkheid kwam meer en meer bij de bisschop te liggen als “vader van de armen”. De diakens werden helpers van de bisschop en raakten op de achtergrond. Bij dat alles moet je je bedenken, dat de kerk nog niet georganiseerd was in territoriale parochies. Dat zou pas in de volgende periode gebeuren. De kerk was gecentreerd rond de bisschop.

 
  1. De vroege middeleeuwen (500 – 900): ‘verkloostering’ van de diaconie


Na de val van het Romeinse Rijk en de instroom van Germaanse volken veranderde de samenleving in West-Europa sterk. Steden ontvolkten, de bevolking nam af, grootgrondbezit kwam op. De kerk met haar instellingen en structuur zorgde in deze situatie voor continuïteit. De bisschoppen kwamen vaak voort uit de adel en oefenden meer en meer macht uit, deels gebaseerd op eigen middelen van de kerk, deels verkregen uit schenkingen door de koning.

Tot diep in de zevende eeuw bleef de armenzorg het domein van de bisschop. Talrijke bepalingen van Gallische concilies en synoden wijzen daarop. Zo verlangde het Concilie van Orléans in 511 van de bisschop, dat hij zich ontfermde over de armen en zieken, die niet konden werken. En het Concilie van Tours besloot in 567, dat “elke civitas haar arme en behoeftige inwoners op passende wijze moet voorzien van voedsel, zoals ook de priesters op het platteland hun armen moeten voeden. Daarmee moet het rondtrekken van deze armen door vreemde civitates verhinderd worden.” Op welk gebied dit woord ‘civitas’ precies betrekking heeft (bisdom?, parochie?, stad?, dorp?), is een twistpunt onder geleerden. Maar duidelijk is wel, dat men streefde naar een dekkende zorg, die voorkwam dat armen moesten gaan zwerven om hulp te vinden.

Dat de bisschop nog steeds gold als ‘vader van de armen’ en het bezit van het bisdom ook als armengoed werd gezien, blijkt uit verschillende heiligenlevens van bisschoppen. Het bekendste voorbeeld is dat van de H. Martinus van Tours.

 
In de loop van de tijd werden de Frankische koningen steeds machtiger en gingen zij ook een rol spelen op het gebied van de armenzorg. In de vorstenspiegels werd het doen van werken van barmhartigheid onderdeel van het koninklijke dienstambt. De koning werd beschouwd als ‘beschermer van de armen’. Dat vertaalde zich ook in verschillende rechtsregels rond armenzorg en concrete maatregelen ten gunste van armen in tijden van hongersnood.

 

Instellingen voor armenzorg


De instellingen voor armenzorg in deze periode bouwden voor een deel voort op die uit de vorige periode, en waren voor een ander deel nieuw. Je kan allereerst denken aan de xenodochia. Halverwege de achtste eeuw moeten deze gasthuizen voor armen, pelgrims en zieken zeker in 34 plaatsen in Gallië gestaan hebben. Een deel stond onder bisschoppelijk toezicht en was kerkelijk eigendom, zoals in het oosten. Maar andere xenodochia waren gesticht door koningen, door hun echtgenoten of door hoge edelen en stonden onder leiding van clerici of monniken. Door allerlei factoren verdwenen deze instellingen rond 800.

Een tweede type zijn de matricula. Letterlijk betekent dat: lijst. Al vrij vroeg was in de christelijke armenzorg de gewoonte ontstaan om lijsten van armen op te stellen. Zo kreeg men een goed overzicht van de hulpbehoevenden en kon men onderscheid maken tussen armen, die voor ondersteuning in aanmerking kwamen en degenen, die daarvan moesten worden uitgesloten. De Voedselbank is dus geenszins de eerste instelling, die een gebruikerslijst heeft. In de zesde eeuw stond in Gallië ‘matricula’ voor een instelling, die zorg droeg voor de ondersteuning van een bepaalde groep armen. De middelen daarvoor werden meegebracht door de kerkgangers, kwamen uit grote schenkingen of uit het kerkelijk vermogen. Niet alleen bisschopssteden of pelgrimsoorden hadden een matricula, ook andere steden en grote dorpen. Soms werd met matricula ook het huis aangeduid, waar de armen zich ophielden of zelfs woonden. Vaak lag dit huis bij de ingang van de kerk. Het aantal armen op de lijst of in het huis was beperkt en varieerde tussen de 12 en de 40. De criteria voor opname zijn onduidelijk. In de loop der tijd maakten armen plaats voor kostkopers (proveniers).

Tenslotte hadden sommige steden ook een eigen leprozenhuis buiten de stadsmuren. Melaatsen werden afgezonderd van de rest van de bevolking, om te voorkomen dat anderen zouden worden besmet met deze ziekte. Diaken Adalgisel Grimo uit Verdun bedacht in zijn testament uit 634 onder meer drie leprozenhuizen, waaronder een in Maastricht. Tot in de veertiende eeuw zouden leprozenhuizen de enige gespecialiseerde vorm van ziekenhuis zijn.
 

Kloosters


Eind derde eeuw was in het oosten van het Romeinse rijk het kloosterleven ontstaan. Enkelingen trokken zich in de woestijn terug om daar een leven van vrijwillige armoede en gebed te leven. De kluizenaar Antonius (251-356) was een van de eersten, die zijn bezittingen verkocht en aan de armen gaf. Zij kregen volgelingen en leerlingen, waardoor er kleine gemeenschappen van gelijkgezinden ontstonden. Uit dit individuele ascetendom ontwikkelde zich het georganiseerde kloosterleven. Hiervoor werden regels opgesteld. Pachomius en Basilius deden dat in het oosten, Augustinus en een eeuw later Benedictus in het westen. De kloosters van deze beschouwende orden werden vaak ver van de bewoonde wereld gesticht, waar de monniken een leven volgens een speciale dagindeling konden leiden die helemaal gewijd was aan gebed en beschouwing. Maar al snel trokken zij bezoekers aan: pelgrims en andere reizigers, armen, bedelaars. Daarvoor werden aparte gasthuizen ingericht bij het kloostercomplex. Zo ontstond er een derde model van christelijke armenzorg: naast individuele naastenliefde en caritas vanuit de lokale (bisschops-)kerk ontwikkelde zich een gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters. Omdat Christus ook ontmoet kon worden in de arme, werd het praktiseren van de werken van barmhartigheid deel van het monnikenleven en kreeg het in twijfelgevallen zelfs voorrang boven het eigen gebedsleven. Daarom neemt in de regel van Benedictus de gastvrijheid, ook voor armen, zo’n belangrijke plaats in. En werden er aparte broeders aangesteld om naast de abt zorg te dragen voor de gasten.

In de missionering van de Franken, Friezen en andere Germaanse volkeren in Noordwest Europa hebben de Ierse monniken een belangrijke rol gespeeld. De Ierse kerk was een monnikenkerk. Ook Willibrord, zelf een Engelsman, was hierdoor gevormd. Op verschillende plaatsen in de huidige Benelux vestigde hij een klooster als steunpunt voor de missionering. Van de abdij in Echternach werd al in 698 vermeld, dat er een gebouw stond waar de monniken zich ontfermden over de pelgrims en waar armen om aalmoezen kwamen vragen.Dat zal bij zijn andere vestigingen, b.v. in St. Odiliënberg, niet anders zijn geweest.

De Karolingische hervorming van 816 verplichtte elk Benedictijnerklooster, maar ook de stichtingen van kanunniken en nonnenkloosters, om een ‘hospitale pauperum’ te hebben, waar gastvrijheid aan de armen kon worden geboden. Dat werd gefundeerd met een verwijzing naar Mt. 25. Hiervoor zou een tiende van alle inkomsten (opbrengst van de oogst, schenkingen en aalmoezen) moeten worden aangewend. Of alle kloosters zich aan deze verplichting hebben gehouden en of zij de arme gasten even welwillend hebben benaderd als de voorname reizigers, valt te betwijfelen, Maar de bronnen wijzen wel uit, dat aan het eind van de negende eeuw de kloosters de dominante actoren waren in de armenzorg. De andere instellingen waren op de achtergrond geraakt.

Het paradoxale van de kloosters is, dat zij voortkwamen uit het streven naar vrijwillige armoede van de individuele monniken, maar dat zij als instelling al snel rijkdommen vergaarden door eigen arbeid op het land en door schenkingen. Je ziet dan een continue golfbeweging optreden van: strenge kloosterregels, gevolgd door verwatering van de oorspronkelijke idealen, waarop een beweging terug naar de bron volgt. De kloosterorde kan dan intern worden vernieuwd (strenge observantie) of er wordt een nieuwe orde gesticht met strengere armoederegels en een hernieuwd toeleggen op de armenzorg als manier om Christus te ontmoeten. In de volgende perioden zullen we de kloosters dan ook nog geregeld tegenkomen.

 

Jan Maasen

 

Literatuurtip (en belangrijke bron voor dit artikel)

Bernhard Schneider, Christliche Armenfürsorge. Von den Anfängen bis zum Ende des Mittelalters, Freiburg, 2017

 

 

 

 

 

maandag 24 april 2017

Over de inzet voor vluchtelingen en milieu


 

Als missiesecretaris van het Aartsbisdom Utrecht heeft Ina van de Bunt zich ook hard gemaakt voor de opvang van vluchtelingen en duurzaamheid als onderdelen van het missionaire werk. Dat heeft u ongetwijfeld gemerkt als MOV-vrijwilligers of pastorale beroepskrachten in het aartsbisdom Utrecht. Die gedrevenheid bracht zij ook in op landelijke niveau. Een voorbeeld mag volstaan. Vijf jaar geleden hebben de missiesecretarissen geprobeerd om een landelijke cursus voor MOV-werk te ontwikkelen. Ina bood direct aan om een bijeenkomst over ‘MOV en duurzaamheid in de praktijk van alledag’ te ontwikkelen. Om verschillende redenen is die cursus er nooit gekomen, maar dat lag niet aan Ina’s uitwerking van deze bijeenkomst.

Het past dan ook, dat ik als collega-missiesecretaris en medewerker diaconie de zin voorgelegd heb gekregen: “Vanuit de katholieke geloofsgemeenschap moeten we praktisch betrokken blijven bij vluchtelingen en milieu, omdat …” 

Je kan hierop heel ingewikkelde en doorwrochte antwoorden geven, maar ik houd het graag eenvoudig. Dat blijft makkelijker hangen, de uitvoering in de praktijk is al moeilijk genoeg. Mijn antwoord is kort en bondig: “Vanuit de katholieke geloofsgemeenschap moeten we praktisch betrokken blijven bij vluchtelingen en milieu, omdat …deze werken van barmhartigheid niet alleen een dienst aan mensen zijn, maar ook aan God.”

Ik wil dit antwoord toelichten met behulp van drie Afrikaanse hongerdoeken. Hongerdoeken, omdat deze geloofsdoeken bekend zijn bij veel MOV-groepen, maar naar mijn mening te vaak alleen als kunstwerk aan de muur hangen. De verbeelding op de doek wordt te weinig gezien als een uitnodiging tot dialoog en daarmee tot reflectie en aansporing tot actie. En Afrikaanse hongerdoeken, omdat Ina’s missionaire hart in Afrika ligt.

 

  1. Hongerdoek ‘God onder ons’


 

In 2011 verscheen de hongerdoek ‘God onder ons’, gemaakt door de Togoleze kunstenaar Sokey Edorh. Edorh verbeeldt op deze doek het verhaal van het Laatste Oordeel uit Mt. 25 in de context van een Afrikaanse sloppenwijk. Allerlei elementen uit dit verhaal zijn met enig speurwerk te herkennen. De rechterstroon, de bokken en de schapen, de hongerigen te eten geven, de dorstigen laven, de zieken bezoeken, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken en de vreemdeling opnemen. In het bijbelverhaal van Matteus gaat het om heel concrete, persoonlijke handelingen die te maken hebben met het leven van alledag en inspelen op basisbehoeften van mensen: water en voedsel, kleding, een dak boven je hoofd en aandacht. Edorh neemt de vrijheid om niet alleen individuele handelingen uit te beelden, maar soms ook collectieve en meer structurele varianten: de vrouwen die het land bewerken, de vrouw met de waterkar, de gezondheidskliniek, de wever met zijn weefgetouw. En hij breidt het aantal werken van barmhartigheid uit. De traditie had al als zevende werk de doden begraven toegevoegd, verscholen herkenbaar in een rouwstoet. Edorh vindt het van belang, dat kinderen kind mogen zijn, dat zij mogen spelen en goed onderwijs ontvangen. Je kunt dan ook op verschillende plekken spelende en lerende kinderen ontdekken.

Deze hongerdoek nodigt uit om na te denken over andere eigentijdse werken van barmhartigheid. Het lijkt wel, of paus Franciscus daarnaar geluisterd heeft. In zijn Boodschap voor de Wereldgebedsdag voor het behoud van de schepping op 1 september 2016 stelde hij als achtste werk voor het behoud van het gemeenschappelijk huis. Ik citeer: “Als geestelijk werk van barmhartigheid, vraagt het behoud van het gemeenschappelijk huis “een erkentelijke beschouwing van de wereld”, die “het ons mogelijk maakt door ieder ding een onderricht te ontdekken dat God ons wil meedelen”. Als lichamelijk werk van barmhartigheid, vraagt het behoud van het gemeenschappelijk huis de “eenvoudige dagelijkse gebaren, waarbij wij de logica van geweld, uitbuiting, egoïsme doorbreken (...) en het wordt zichtbaar in alle handelingen die een betere wereld trachten op te bouwen.” Einde citaat. De paus ziet dus de inzet voor het milieu evenzeer als een werk van barmhartigheid als de opvang van vluchtelingen.

Kijken we met dit inzicht nog eens naar de hongerdoek dan valt mij op, dat vanuit de blauwe hemel en de duif een door het Goddelijk licht beschenen driehoek te zien is, waarbinnen een aantal werken van barmhartigheid gesitueerd zijn. Het gaat daarbij vooral om de hongerigen te eten geven, de dorstigen te drinken geven, de zieken bezoeken en de naakten kleden. Het zal toeval zijn, maar deze werken van barmhartigheid vormen wel de kern van het traditionele Missie en Ontwikkelingswerk. De meeste Vastenactie- en Adventsactieprojecten bewegen zich op deze terreinen. Ook buiten de oplichtende driehoek herkennen we een aantal werken van barmhartigheid, waardoor we God kunnen ontmoeten. Laten de opvang van vluchtelingen en het milieu nu net aan de randen van de doek gesitueerd zijn, resp. rechtsboven bij de bootjes en linksboven bij de olie-installaties en het oerwoud dat daardoor verdrongen wordt. Beleid moet je niet op een toevallige hongerdoek baseren. Liefde moet georganiseerd worden, heb ik geleerd uit ‘Deus Caritas Est’. Dat geldt ook voor de liefdewerken van de vluchteling opvangen en de zorg voor de schepping, ons gemeenschappelijk huis. Het is voor mij alleen de vraag, of je die werken van barmhartigheid moet toewijzen aan de parochiële MOV-groepen. Juist op het niveau van de fusieparochies zouden die taken ook kunnen worden opgepakt door mensen, die in het bijzonder geraakt worden door deze noden.

 

  1. Hongerdoek ‘Behoud de schepping’




De hongerdoek ‘Behoud de schepping’ is nog twee jaar ouder en gemaakt door de Nigeriaanse kunstenaar Tony Nwachukwu. De doek bestaat grofweg uit vier beeldvlakken. Een donker bruinblauw vlak linksonder met een angstig kind op een chemisch vat in een rivier. Daarboven een lichtbeige vlak met een arm met uitgestoken vinger, die raakt aan de handvat van een boekrol. Rechtsboven een wit vlak met een uitgerolde Thora-rol, waarop allerlei afbeeldingen uit het scheppingsverhaal staan. En rechtsonder een groen vlak met zes mensen uit verschillende continenten. Elke persoon heeft een gave bij zich: een vis in water, planten in een pot, een vogel, een olielamp, een geneeskrachtige plant en een roodbruin lam.

De hongerdoek dateert uit 2009, maar de afbeelding krijgt bijzonder reliëf, als je hem beschouwt, terwijl je de encycliek Laudato Si’ leest. Hoofdstuk 1 schetst een aantal milieuproblemen, zoals vervuiling en klimaatveranderingen, water, het verlies van de biodiversiteit, de achteruitgang van de kwaliteit van menselijk leven en de wereldwijde ongelijkheid. Zonder veel moeite kunnen deze problemen gekoppeld worden aan de gaven in de handen van de mensen rechtsonder. Hoofdstuk 2, 3 en 4 geven een kompas om deze situatie te beoordelen. Hoofdstuk 2 behandelt uitvoerig de schepping in de Bijbel, te beginnen bij Genesis. De zes dagen van de schepping zijn duidelijk te herkennen op de boekrol, maar dat geldt ook voor andere bijbelse noties. De hoofdstukken 3 en 4 gaan over het technocratisch paradigma en de noodzaak van een integrale ecologie. Het linkervlak laat de gevolgen zien van het technocratisch paradigma en de noodzaak van een integrale ecologie. Net als de paus wijst Nwachukwu de techniek niet af, maar hij moet wel goed gebruikt worden. Zie de groene fabriek rechts.

De laatste twee hoofdstukken gaan over de noodzaak van politieke veranderingen op macroniveau en van een ecologische bekering en een nieuwe levensstijl op microniveau. De wereld is ons gemeenschappelijk huis, die we samen moeten bewonen. De zes wereldbewoners verbeelden dat en de gaven die zij in hun hand hebben geven evenzovele terreinen aan, waarop wij onze levensstijl kunnen veranderen: de omgang met water, met landbouwproducten, met dieren en hun natuurlijke leefomgeving, met fossiele brandstoffen en andere grondstoffen, met natuurlijke geneesmiddelen en de patenten erop en met de biodiversiteit. Dat zijn ook terreinen waarop we als individuele gelovigen en als plaatselijke geloofsgemeenschappen acties kunnen opzetten. Het behoud van het gemeenschappelijk huis als werk van barmhartigheid vraagt de nodige uitwerkingen.

 

  1. Hongerdoek ‘Ik ben omdat wij zijn’


Wat mij in de eerste hongerdoek over de werken van barmhartigheid intrigeert is het verschil met traditionele verbeeldingen van de werken van barmhartigheid, zoals we die bijvoorbeeld kennen van de Meester van Alkmaar. In de schilderijen uit de Middeleeuwen en de Gouden Eeuw worden de liefdewerken meestentijds uitgevoerd door welgestelden. Er is duidelijk sprake van een asymmetrische verhouding, die je ook kan duiden als paternalisme. Kijk dan nog eens naar de doek van Edorh. Het zijn geen blanken, die zorgen voor de arme krottenwijkbewoners. Er is eerder sprake van zelfhulp. De Afrikaanse bewoners helpen elkaar. Samen zorgen zij voor ontwikkeling van de wijk.


 

Die horizontale diaconale verhouding komt ook tot uitdrukking in de nieuwste hongerdoek van de Nigeriaanse kunstenaar Chidi Kwubiri. Mensen zijn geen individuen, maar personen in een relatie. ‘Ik ben, omdat jij bent en jij bent, omdat wij zijn.” Omdat wij mensen allen kinderen van God zijn, zijn wij gelijkwaardig en staan wij, ondanks al onze verschillen, in een horizontale relatie met elkaar.

Zo bezien is een vluchteling evenzeer mens als wij die hier al geruime tijd wonen en mogen ook zij genieten van de schepping.

De hongerdoek van Kwubiri roept ons op in elke relatie recht te doen aan deze horizontale verhouding. Mt 25 herinnert ons er aan, dat elke ‘minste der Mijnen’ ook waard is om te leven en menswaardig behandeld te worden. Mensendienst is Godsdienst. Immers: al wat je aan de minsten der mijnen hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan.

Ik speur iets van Gods aanwezigheid in de ontmoeting tussen de twee mensen op deze hongerdoek in het licht dat tussen hen aanwezig is. En zo komt echt menszijn aan het licht.
 
Door de goede werken te doen van het opvangen van vluchtelingen en de inzet voor het milieu helpen we mee om Gods aarde bewoonbaar te laten blijven voor alle mensen.

 

Dijnselburg, 21 april 2017
 
Jan Maasen

 

dinsdag 7 juli 2015

Pelgrimstocht Vastenaktie 2012

Eind maart 2012 nam ik met 74 andere lopers deel aan de Pelgrimstocht van de Vastenaktie, een vierdaagse spirituele sponsortocht rond het Drielandenpunt.[i] De opbrengst van de Pelgrimstocht was bestemd voor het Vastenaktieproject in Ethiopië. Met elkaar hebben de deelnemers toen ruim 72.000 euro bijeengebracht. Zelf heb ik 1924 euro opgehaald, via bijdragen uit mijn kennissenkring, mijn parochie in Barendrecht en de Iona Community. Dit verslag is oorspronkelijk verschenen op de website van de Vastenaktie, maar is inmiddels verdwenen. Qua inhoud past het goed op deze blog met teksten rond pelgrimeren en diaconie. En op de onlangs gehouden Iona Community Continental Meeting 2015 is de wens uitgesproken om in 2018 een meerdaagse pelgrimage te organiseren in dit Duits-Nederlandse grensgebied. Mijn ervaringen met de Pelgrimstocht van de Vastenaktie in 2012 kunnen daarvoor een inspiratiebron zijn.

Pelgrimstocht 29 maart - 1 april 2012


 Het zijn vier mooie dagen geworden. Lopen door het Limburgse heuvellandschap is op zich al bijzonder. Ook aan de Nederlandse kant waan je je als Randstedeling in het buitenland. Guus Prevoo van de Vastenaktie had een prachtige route uitgezet, langs tal van historisch en cultureel markante plekken. In een aantal kerken konden we ook een stempel krijgen voor onze pelgrimspas, twee pagina’s achter in het Pelgrimsboek dat elke deelnemer meekreeg. Naast de routebeschrijving bevatte dit boekje ook aanvullende informatie en bezinnende teksten bij deze plekken. Zo bezochten we de kerk van Wahlwiller met de kruisweg van Aad de Haas, (geen 14 staties, maar 16. Naast de verrijzenis aan het eind ook een extra statie aan het begin: het verraad van Judas. De Haas heeft in de Tweede Wereldoorlog in het verzet gezeten en maakte verraad van nabij mee), zagen in het oude kerkje van Lemiers de moderne schilderingen van Hans Truijens en bezichtigden de Dom van Aken.
  

Over oude pelgrimspaden

Wat maakte deze Pelgrimstocht verder zo bijzonder? De route voerde geregeld een stukje over oude pelgrimspaden, niet alleen de camino naar Santiago de Compostela, maar ook over regionale routes zoals de Bittweg van Aken naar het heiligdom van Maria in Moresnet. Onderweg kwamen we langs verschillende pelgrimsoorden, Lourdesgrotten, Calvariebergen, kruiswegen, wegkapelletjes e.d. Donderdagavond hield Marije de Nood, medewerker educatie van het Museum Catharijneconvent en samenstelster van de tentoonstelling over de pelgrimage naar Santiago de Compostela van afgelopen winter, een presentatie over pelgrimeren. Daarin wisselde zij beelden uit de collectie van het Museum en dagboekfragmenten van 15e en 16e eeuwse pelgrims naar Santiago af met haar eigen belevenissen als pelgrim van Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago. Heel boeiend! Lopende langs deze plekken ervaar je, dat je in een lange traditie staat/gaat.  

Werken van barmhartigheid

Met Guus Prevoo heb ik drie ochtendvieringen verzorgd. De zaterdagviering had een bijzonder karakter. De hongerdoek van dit jaar sluit nauw aan bij de thematiek van het Vastenaktieproject en verbeeldt de werken van barmhartigheid in de context van een Afrikaanse sloppenwijk. Bij de voorbereiding van de Pelgrimstocht ontdekten we, dat de route op zaterdag ons zou voeren langs tal van plekken die vrij natuurlijk in verband gebracht kunnen worden met een van deze werken, in verleden of heden. Uiteindelijk konden we ze alle zeven lokaliseren. In de viering hebben we stil gestaan bij deze zeven werken van barmhartigheid in de volgorde waarin we ze later die dag zouden passeren. Voor mij gaf die invulling een extra lading aan de etappe van zaterdag. Om welke connecties ging het dan?
 
  • naakten kleden - Klenkesmonument Aken (Klenkes is de opgeheven pink, een verwijzing naar de kinderarbeid in de naaldenindustrie in de negentiende eeuw) 
  • gevangenen bezoeken - de steen op de markt waarop een gevangene moest staan om het uitspreken van zijn doodvonnis te aanhoren
  • hongerigen voeden - Wereldwinkel in Aken
  • doden begraven - Campo Santo (begraafplaats met overdekte galerijen voor de rijke Akenaren) en Westfriedhof (grote begraafplaats)
  • zieken bezoeken - Klinikum (groot universiteitsziekenhuis) en Karlsgarten, waar oude bomen, planten en kruiden worden geteeld die elke hoeve van Karel de Grote verplicht was aan te planten voor geneeskundig gebruik
  • dorstigen laven - Seffent, een dorpje genoemd naar zeven bronnen (Septem Fontes
  • vreemdelingen opnemen - op de plek van de huidige pastorie van Bocholtz stond vroeger een gasthuis voor pelgrims uit Aken op weg naar Santiago de Compostela. De eerste vermelding dateert van 1373.

Bijzondere ontmoetingen

Al lopend kom je gemakkelijk in contact met andere pelgrims. Velen van hen zetten zich al jaren in voor de Vastenaktie en zijn actief in een werkgroep voor Missie, Ontwikkeling en Vrede. Anderen zijn op de Pelgrimstocht afgekomen, omdat ze wat met pelgrimeren hebben of graag wandelen. Een spotje op de radio of een bericht in Studio had hen op het spoor van de Pelgrimstocht gebracht. Een deel (16) had vorig jaar al deelgenomen aan de eerste Pelgrimstocht. Lang niet alle deelnemers waren van katholieke huize. Ik schat, dat er tussen de tien en vijftien protestanten meeliepen: een groep van 6 PKN-ers uit Middelburg die door een deelnemer van vorig jaar enthousiast was gemaakt, maar ook PKN-ers uit andere delen van het land of leden van andere kerkgenootschappen. Ieder had zijn eigen verhaal en motieven om mee te doen. Al lopend deelden we, soms vluchtig, soms wat langer en diepgaand, een stukje (levens)verhaal. En vrijdagavond speelde Vastenaktie-ambassadeur en medepelgrim Hella van der Weijst het ‘Open Kaart’-spel met de deelnemers, wat ook tot de nodige ontboezemingen leidde.
Tijdens een deel van de route liepen ook enige Ethiopische medewerkers van het project mee, die op dat moment op uitnodiging van de Vastenaktie in Nederland verbleven om bekendheid te geven aan hun werk. Donderdagavond gaven zij ook een presentatie over Ethiopië en het werk van de Daughters of Charity. En er was een heuse Ethiopische koffieceremonie.
Zo kregen wij meer inzicht in het leven van de krottenwijkbewoners in Addis Abeba en de inspanningen om hen in staat te stellen een betere toekomst voor zichzelf en hun familie op te bouwen. Van het opzetten van kleine handeltjes (brandhout, kaarsen) tot spaar- en kredietgroepen. Daar hebben we toch het geld voor bijeen gebracht.
  

Nieuwe hongerdoek

Heel bijzonder vond ik ook het bezoek aan het atelier in de Ottostrasse. Daar was een Boliviaans-Sloveense kunstenares bezig om de laatste hand te leggen aan de nieuwe hongerdoek voor 2013, 'Hoeveel broden hebben jullie?'. Ejti Stih heeft de opdracht van Misereor gekregen om een doek over het thema ‘honger’ te maken. Vanaf oktober heeft zij thuis in Santa Cruz gewerkt aan verschillende ontwerpen. Nu verbleef zij vijf dagen in Aken om de doek af te maken. Juist die zaterdag was zij begonnen. Ze voelde zich een ware celebrity met al die belangstellende pelgrims om zich heen… De doek bestaat uit vier taferelen, afgescheiden van elkaar door een horizontale en verticale kruisbalk. Op het eerste gezicht kon ik een aantal verwijzingen naar bijbelverhalen herkennen, zoals de jongen met de vijf broden en twee vissen, de arme Lazarus en de rijke vrek, en het Laatste Avondmaal. Ejti Stih werkt veel met felle kleuren. Rood en geel overheersen. Ze vertelde, dat ze op de kunstacademie in Joegoslavië had moeten leren werken in grauwe kleuren, zoals bruin, zwart en wit. Sinds ze dertig jaar geleden in Bolivia kwam wonen, en de kleurrijke omgeving van Santa Cruz leerde kennen, werkt ze het liefst met felle kleuren, als een soort statement.
 

Terugblik

Vier dagen Pelgrimstocht was vier dagen genieten van een prachtige omgeving, tachtig kilometer lopen, 75 mensen ontmoeten, de een wat vluchtiger dan de ander, opmerkzaam worden op gebouwen en andere zaken onderweg, ontdekken dat je loopt in de voetsporen van hele generaties voor je, verhalen horen en ervaringen delen, stil zijn en samen feesten, serieus zijn en vrolijk. En dat alles voor een goed doel: de Vastenaktie.
Na die lange voorbereidingstijd, waarin ik maanden bezig ben geweest om sponsors te vinden en waardoor ik ook de Veertigdagentijd dit jaar intenser heb beleefd dan voorgaande jaren, gingen die vier dagen eigenlijk snel voorbij. En toch was de pelgrimstocht niet afgelopen toen we op zondag 1 april het klooster van Wittem bereikten en een Ethiopisch kruisje als pelgrimsinsigne overhandigd kregen. Op een of andere manier gaat die door.
 
 
Op dinsdag mocht ik een presentatie van mijn ervaringen met de Pelgrimstocht geven voor mijn collega’s van het Bisdombureau en een korte gebedsviering leiden. Laat nu de lezing van die dag uit Johannes 13 komen, het verhaal van het verraad van Judas (de eerste statie van de kruisweg van Aad de Haas).
Geregeld vragen mensen die mij gesponsord hebben of er anderszins van gehoord hebben, mij naar mijn ervaringen. Dat zal ongetwijfeld ophouden, zoals ook de financiële bijdragen op de website zullen stoppen. Maar de herinneringen blijven, op Facebook gaan de contacten met andere pelgrims door, een hele serie foto’s van mijzelf en anderen getuigen van deze vier dagen. Kortom, de Pelgrimstocht heeft de Vastenaktiecampagne 2012 voor mij tot een heel bijzondere Vastenaktie gemaakt.
 


[i] Route Pelgrimstocht
Donderdag 29 maart:          Huize Damiaan, Simpelveld – kerkje Wahlwiller                            8 km
                                               Kerkje Wahlwiller – Holset (rustpunt)                                           10 km
                                               Holset – Home Franck, Völkerich (B)                                             5 km        Totaal 23 km
Vrijdag 30 maart                   Home Franck, Völkerich – Moresnet Chapelle (B)                        9 km
                                               Moresnet Chapelle – Drielandenpunt – Colynshof Aken (D)    10 km      Totaal 19 km
Zaterdag 31 maart               Jeugdherberg Aken – Dom Aken (D)                                             5 km
                                               Dom Aken – Seffent (D)                                                                   6 km
                                               Seffent (D) – Lemiers – Orsbach – Bocholtz – Simpelveld         16 km      Totaal 28 km
Zondag 1 april                     Huize Damiaan, Simpelveld-  klooster Wittem                              10 km

donderdag 18 juni 2015

Stadspelgrimage langs werken van barmhartigheid 2: de inhoud

In mijn vorige blog heb ik de voorbereiding van de stadspelgrimage langs werken van barmhartigheid uit de doeken gedaan, die op 13 juni 2015 in Zoetermeer werd gehouden. Nu geef ik het eigenlijke verslag.

Start stadspelgrimage

Op zaterdagmiddag 13 juni verzamelden zich rond half twee vijftien deelnemers in het nieuwe parochiecentrum, enkelen naar aanleiding van de berichtgeving in de kranten. Zij werden gastvrij onthaald door enige jongeren van M25 Zoetermeer, het diaconale jongerenproject van de parochie. 'M25' verwijst naar hoofdstuk 25 van het Evangelie van Mattheus, waaraan de werken van barmhartigheid zijn ontleend. Die werken kwamen ook naar voren in het openingsgebed van Walther Burgering, ontleend aan het getijdengebed van deze zaterdag. Je kunt het nauwelijks toeval noemen: 13 juni is de feestdag van Antonius van Padua, vooral bekend als patroon van verloren zaken, maar ook van de armen én van helpers in de nood. In de Nicolaaskerk van Zoetermeer staat achter onder het Antoniusbeeld een kistje en de tekst 'Antoniusbusje voor Vincentiuswerk'. In andere kerken heeft het offerblok vaak als opschrift 'St. Antoniusbrood'. Beide verwijzen naar hetzelfde gebruik van een gift voor de armen.


Ton Vermeulen bij het Antoniusbusje

Deze traditie heeft zijn oorsprong in Frankrijk. Op 12 augustus 1890 kon Louise Bouffier uit Toulon de deur van haar winkel niet openen. Ze haalde er een smid bij, maar ook hij kon het slot niet open krijgen. Daarop ging hij naar zijn werkplaats om zwaarder gereedschap te halen. Louise was bang dat hij haar deur zou beschadigen. Daarom beloofde zij de H. Antonius dat ze de armen zou helpen als haar deur ongeschonden bleef. De smid kwam terug met een zware hamer. Maar eerst probeerde hij het nog eens met de sleutel en... de deur ging open. Uit dankbaarheid plaatste Louise een Antoniusbeeld en een offerbusje. Al snel verspreidde dit gebruik zich over West-Europa.

De hongerigen voeden

'De hongerigen voeden' is het eerste werk van barmhartigheid, dat aan de orde komt. Anneke Gouweleeuw is coordinatrice van het uitdeelpunt van de Voedselbank, dat is gevestigd in het parochiecentrum. De Voedselbank in Zoetermeer kent in totaal zes uitdeelpunten. De Voedselbank verstrekt wekelijks 250 pakketten, waarvan 65 in het Centrum. Men krijgt de bulkpakketten van het regionaal uitdeelpunt, die worden aangevuld met (verse) levensmiddelen die Zoetermeer zelf heeft bijeen gebracht. Zo levert een plaatselijke bakker elke week een partij brood: elke avond gaan de onverkochte broden in de vriezer. Op donderdag gaan alle broden dan naar de Voedselbank. En als er eens een week weinig broden zijn overgebleven, bakt hij gewoon wat extra. Ook de inzamelingen in de kerken en de acties bij de supermarkten zijn bestemd voor deze aanvulling.
De pakketten van de Voedselbank zijn nooit bedoeld geweest als rantsoenen, waarvan je een week kunt leven. Ze zijn een steuntje in de rug of een aanvulling op de eigen aankopen. De oorspronkelijke intentie was het tegengaan van verspilling door teveel geproduceerde levensmiddelen ten goede te laten komen aan de armen. Om in aanmerking te komen voor een pakket moet men aan bepaalde eisen voldoen. Zo mag een volwassene niet meer dan 180 euro per maand vrij beschikbaar hebben na betaling van woonlasten, energiekosten, water, zorgkosten, communicatiediensten, gemeentelijke belastingen, waterschapsbelasting, verzekeringen en andere financiële verplichtingen. Voor elke andere volwassene mag 60 euro bijgeteld worden, voor elk kind 50 euro. De hulp is tijdelijk en kan maximaal drie jaar duren. Klanten worden aangeleverd via het maatschappelijk werk, de sociale dienst of andere instanties.

De Heilige Geest en haar nazaten

De Voedselbank is een moderne vorm van 'de hongerigen voeden'. Uitdelingen van voedsel aan de armen kunnen bogen op een lange traditie. In de veertiende eeuw kwamen in onze streken de 'Tafels van de Heilige Geest' op. Het begon kleinschalig met tafels achter in de kerk, waarop gelovigen een deel van hun overvloed konden achterlaten. Na de mis werden die goederen uitgedeeld aan de armen. Aanvankelijk had de pastoor de leiding bij de uitdeling, maar geleidelijk aan kregen de leken een steeds belangrijker rol. Naarmate de steden groeiden en het aantal armen toenam, werd de ruimte achterin de kerk te klein. Er kwamen soms aparte gebouwen voor 'de Heilige Geest' en de armenmeesters of Heilige Geestmeesters kwamen onder toezicht te staan van de stedelijke overheid of de ambachtsheer op het platteland. Over de armenzorg in Zoetermeer-Zegwaart tijdens de Middeleeuwen is niet zoveel bekend. De oudste vermelding van personen die "leven van den Heyligen Geest" dateert uit 1514. Zoetermeer en Zegwaart waren weliswaar twee dorpen (ambachten), maar vormden één parochie en hadden dan ook één gezamenlijk fonds. Na de Reformatie bleven de Heilige Geestmeesters dit fonds besturen met een benoeming van de schout. Wel richtten de Gereformeerden een eigen diaconie op, die de eigen belijdende leden ondersteunde.
De benaming 'Heilige Geestmeesters' raakte halverwege de zeventiende eeuw in onbruik. Het fonds ging verder als Grote of Politieke Armbestuur. Het bezat wat land in de Meerpolder en Zoeterwoude en verpachtte ook enige huisjes. Inkomsten kwamen verder uit deurcollectes met een open schaal, opcenten bij verkopingen en een bedrag bij het verpachten van belastingen. De jaarlijkse inkomsten en uitgaven bedroegen begin 1700 ongeveer 1250 gulden. Het meeste geld werd besteed aan brood, schoenen, turf, af en toe kleding, en kostgeld aan mensen die armen in huis namen. Soms betaalden ze een begrafenis of medicijnen.
In 1759 kwam een einde aan het gezamenlijke armbestuur. Zegwaart had meer inwoners dan Zoetermeer en stond er economisch slechter voor. Toen de ambachtsheer van Zoetermeer in 1756 stierf en een bedrag van 6000 gulden naliet voor alleen de Zoetermeerse armen, was dit aanleiding voor de Zoetermeerse armmeesters om zich los te maken van Zegwaart. Je kon van de Zoetermeerders toch niet verlangen dat ze de armen van Zegwaart zouden steunen "waartoe zij geene de minste relatie hebben"? (Enig geheugenverlies komt soms goed uit.)
Twintig jaar later vond er een nieuwe splitsing plaats. Tot dan had het Grote of Politieke Armbestuur de zorg gehad voor alle inwoners: de gereformeerden, de remonstranten en de katholieken. Alleen de gereformeerde lidmaten konden rekenen op steun van de eigen diaconie, maar dat betrof maar een klein deel van de bevolking. In de achttiende eeuw ging de Nederlandse economie achteruit en kregen veel instellingen voor armenzorg te kampen met tekorten. Een van de oplossingen was het uitsluiten van bepaalde categorieen armen. In heel Nederland zie je in die tijd de tendens dat de armenzorg voor leden van andere kerkgenootschappen dan de gereformeerden (de bevoorrechte godsdienst) meer en meer werd neergelegd bij het betreffende kerkgenootschap. Tegelijk zie je ook, dat deze kerkgenootschappen ook zelf meer wilden doen aan de ondersteuning van de eigen armen om hen ook een gelovige opvoeding te kunnen geven. Dat gold in het bijzonder voor de instellingen, waar armen ook woonden (weeshuizen, oudemannen- en vrouwenhuizen e.d.). Als je als katholiek al werd toegelaten, dan moest je je wel schikken in de protestantse godsdienstoefeningen in het huis. Formeel konden de katholieken in de achttiende eeuw nog geen rechtspersonen oprichten voor de verschillende vormen van armenzorg en daaraan schenkingen doen of legaten. Maar via stromannen en gedoogconstructies zie je in deze tijd katholieke armbesturen en instellingen opkomen. Dat is ook het geval in Zoetermeer. Hoewel niet duidelijk is, of de katholieken hier op eigen benen wilden staan, of dat de anderen van hen af wilden, rond 1780 kwam er een RK Armenkas.

De dorstigen laven

Een van de bepalingen bij de splitsing was, dat de Grote Armen aan de Roomse Armen belastingvrij bier zouden leveren, dat bij de begrafenissen van arme mensen "naar gewoonte wordt gebruikt". Daaraam hebben we niet gedacht bij het tweede liefdeswerk 'de dorstigen laven'. Voor dit werk verplaatsten we ons naar een gangetje tussen de pastorie en het kerkgebouw. In de vloer zit een putdeksel, dat al vijftien jaar muurvast zit maar dat toegang geeft naar een grote waterput, die gedeeltelijk onder het huidige kerkgebouw doorloopt. Deze waterput is indertijd gebouwd naast het oude kerkgebouw om daarin het regenwater op te vangen. In tijden van droogte konden de dorpelingen hier relatief schoon drinkwater putten. Pas in 1928 zou in het dorp een waterleiding worden aangelegd. Tot dan waren de mensen gewoon water uit een put of sloot te gebruiken. Meestal was dat redelijk schoon, hoewel we er nu ziek van zouden worden. Maar waar mensen dicht op elkaar woonden, zoals in de vroegere steegjes bij de Dorpsstraat, werd het zelfreinigend vermogen van het water overbelast. In de negentiende eeuw braken er dan ook geregeld cholera-epidemieen uit. De waterput bij de Nicolaaskerk bracht uitkomst voor de inwoners van Zoetermeer. Zegwaart had ook een dergelijk reservoir.
 

De zieken bezoeken

In het gebouwtje aan de rechterkant (Dorpsstraat 76) was lange tijd het Groene Kruis gevestigd. Het Groene Kruis was een neutrale landelijke vereniging voor wijkverpleging. Naast het verzorgen en verplegen van zieken aan huis en het ter beschikking stellen van hulpmiddelen, hield zij zich bezig met het verbeteren van de hygiënische omstandigheden. Het Groene Kruis werd opgericht in 1900 en kende aanvankelijk vooral afdelingen in Utrecht en Zuid-Holland. De naam 'Groene Kruis' verwees naar de 'huiskleur' van de medische faculteit.
Walther Burgering voor het voormalige Groene Kruisgebouw
 
Naast het Groene Kruis bestonden er in Nederland ook kruisverenigingen op levensbeschouwelijke grondslag, zoals het rooms-katholieke Wit-Gele Kruis en het protestantse Oranje-Groene Kruis. In 1973 fuseerden de kruisverenigingen tot de Nationale Kruisvereniging.
Ton Vermeulen kan zich nog herinneren hoe hij als kind hier het consultatiebureau bezocht. In de jaren veertig moet een Zoetermeerse pastoor nog wel een poging hebben gewaagd om ook een Wit-Gele Kruisafdeling op te richten met een eigen gebouw, maar de Zoetermeerse katholieken schrokken terug voor de kosten en waren tevreden over het Groene Kruis.
Hij maakte ook melding van een aantal artsen in de vorige eeuw, die nog wel eens 'vergaten' een rekening voor armere patienten te schrijven.
 

De naakten kleden

Voor de 'naakten kleden' liepen we vervolgens naar de Plesmanstraat waar sinds enige tijd " 't Schuurtje van Vincentius" is gevestigd. Voor een aantal deelnemers was het de eerste keer, dat zij hier een voet over de drempel zetten. Zij keken hun ogen dan ook uit in deze kringloopwinkel van de Vincentius Vereniging Zoetermeer. Begonnen als een boekenbeurs in 1983 in een garage bij de kerk (het 'Schuurtje'), is het assortiment in de loop der jaren flink gegroeid. Naast de garage werd ook het oude parochiehuis gebruikt. Na enige omzwervingen is 't Schuurtje van Vincentius' nu dan in het huidige pand terecht gekomen. Op de eerste en derde zaterdag van de maand kunnen hier allerlei spullen gekocht worden, zoals handzaam meubilair, lampen, boeken en huishoudelijke artikelen. Op de eerste verdieping is een hele ruimte ingericht als kledingwinkel. Mensen met een kleine beurs (en anderen) kunnen hier voor weinig geld goede tweedehandskleding aanschaffen. De opbrengsten van de winkel worden gebruikt voor goede doelen in Zoetermeer en in de Derde Wereld, waar banden zijn met de Vincentiusvereniging of de parochie. Ook de PCI ontvangt jaarlijks een gift.
 
 
De kledingafdeling in 't Schuurtje van Vincentius
 
De Vincentiusvereniging is in Zoetermeer opgericht op 16 december 1913. Bij die gelegenheid omschreef de landelijke president het doel van de Vincentiusvereniging als "eigenheiliging, zich zelf beter mensch maken en als middel daartoe de beoefening der Christelijke Charitas; en haar werking dat hoofdzakelijk bestaat in het bezoek der armen aan huis." De eerste leden kwamen vooral uit de meer gegoede boeren en middenstanders.
De leden van de Vincentiusvereniging bezochten de armen thuis en bepaalden dan hoeveel hulp ze nodig hadden. Elke week kwamen ze op dinsdagavond bijeen op de pastorie. Die bijeenkomsten hadden een vaste agenda: opening met gebed, geestelijke lezing, notulen van de vorige vergadering, stand van de kas en betaling van de rekeningen. Daarna werden de ondersteunde gezinnen besproken, werd er gecollecteerd onder de aanwezigen en werd de opbrengst uit het Antoniusbusje bekend gemaakt. De bijeenkomsten werden weer afgesloten met gebed.
Decennialang heeft de Vincentiusvereniging zo gefunctioneerd. Met de ontwikkeling van de verzorgingsstaat kwamen er veranderingen. Ze ging zich meer richten op ouderen, het organiseren van een soos, het bezorgen van kerstattenties en vanaf de jaren tachtig zoals hierboven vermeld het runnen van de kringloopwinkel. Anno 2015 heeft de Vincentiusvereniging Zoetermeer bijna 80 leden. Een deel doet het bezoekwerk aan ouderen van 75 jaar en ouder, het grootste deel is op een of andere manier betrokken bij 't Schuurtje. Wat 'de naakten kleden ' betreft kan hier nog genoemd worden, dat in het verleden de Vincentiusvereniging ook geregeld een beroep deed op de Naaikrans van de parochie. Die had als taak de kerkelijke paramenten te verzorgen, maar maakte tot haar opheffing in 1959 op verzoek ook kleding en ondergoed, als de Vincentiusvereniging deze niet in vooraad had.
 

De gevangenen bezoeken

Zoetermeer kent sinds 1995 een Penitentiaire Inrichting. Het is deels een Huis van Bewaring en deels een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD). Aanvankelijk was het de bedoeling om langs de PI te lopen, maar omdat de ontvangst bij de Vincentiusvereniging langer duurde dan gepland en er weinig vanaf de buitenkant te zien is aan een gevangenis, liepen we direct terug naar de Dorpsstraat.
Het gebouw waar nu de Zoetelaar is gevestigd (nr. 99) was vroeger de Christelijke School. Kort na de bevrijding heeft dit gebouw ruim een maand als gevangenis gefunctioneerd. De Binnenlandse Strijdkrachten pakten toen alle NSB-ers, collaborateurs en anderen die de Duitsers gewillig waren geweest op. Daarbij speelden ook persoonlijke afrekeningen mee. Vijftig mannen en vijftien vrouwen werden hier vastgezet. Voor het nu verdwenen schoolhek speelden zich hartverscheurende taferelen af, als kinderen een glimp van hun ouders wilden opvangen en werden weggejaagd. De gevangenen mochten geen bezoek of brieven ontvangen. Alleen op donderdag kon de vuile was worden opgehaald en op vrijdag de schone was afgeleverd. Eind juni 1945 gingen alle gevangenen naar kampen in Duindorp, de Harskamp, Westerbork en Castricum. Later volgden processen, 22 mensen verloren hun Nederlanderschap. Anderen werden vrijgesproken. Vol wrok kwamen zij terug of ze wilden Zoetermeer nooit meer zien.
 

De vreemdelingen herbergen

Voordat de A12 werd aangelegd ging alle verkeer van Den Haag naar Gouda en Utrecht over de Dorpsstraat. Bij de Oude Kerk kruisde die de doorgaande weg van Leiden naar Rotterdam. Geen wonder, dat langs de Dorpsstraat minstens vijf herbergen gevestigd waren, sommige met kolfbaan. Zo stond op de plaats van het nieuwe parochiecentrum vroeger de Rode of Gouden Leeuw. Bij deze gelegenheden kon men de paarden wisselen, eten en drinken. Bij sommige kon men zelfs overnachten.
In de 17e tot 19e eeuw kwamen zomers in deze streken ook Duitse seizoenarbeiders. Ze werden 'hannekemaaiers' genoemd, omdat ze haast allemaal Hannes of Johannes leken te heten en hier kwamen om gras te maaien of om veen te baggeren. Een andere benaming was 'poepen', omdat zij elkaar vaak met 'Bube', maat, aanspraken.
 

De doden begraven

 
Bij het graf van zuster Mulder
 
De stadspelgrimage eindigde bij de katholieke begraafplaats achter de Nicolaaskerk. Daar ligt ook Hendrika Mulder begraven, bij veel Zoetermeerders beter bekend als 'zuster Mulder'. Lange tijd was zij vrijwel de enige vroedvrouw in Zoetermeer. Bijna vijftig jaar lang, vanaf 1923, stond zij duizenden moeders en baby's bij. "Ze was de schrik van alle mannen," aldus Ton Vermeulen. "Alles wat voor haar belangrijk was, waren vrouwen en kinderen. Ze hield de mannen waar nodig op afstand."
Zuster Mulder overleed in 2000, ruim 102 jaar oud en ligt bij toeval begraven in hetzelfde graf als haar moeder. De foto rechtsboven op het affiche aan het begin van dit blog toont zuster Mulder rond 1950, terwijl zij haar moeder verzorgt. Op de achtergrond staat een beeld van het H. Hart, symbool van liefde en barmhartigheid.
 

Afsluiting

Het voorbeeld van Zoetermeer laat zien, dat een stadspelgrimage ook kan worden georganiseerd in een meer dorpse context op voorwaarde dat de nodige historische verhalen vallen te vertellen. Een stadspelgrimage biedt ook een participatiestructuur waardoor de deelnemers in contact kunnen komen met werelden die ze niet zo kennen. Dat gold ook in Zoetermeer. Een aantal deelnemers had de verhalen van vrijwilligers van de Voedselbank en de Vincentiusvereniging nooit eerder uit eerste hand gehoord. De tocht hielp hen letterlijk over de drempel. Het lopen van de ene plek naar de andere bood ook de gelegenheid om onderling ervaringen uit te wisselen. En bijna iedereen merkte op, dat men zaken over Zoetermeer gehoord en gezien had die men voordien niet had geweten. "Je gaat met andere ogen naar je eigen stad kijken."
 

Bronnen

 
Ronald Grootveld, Armenzorg in Zoetermeer-Zegwaart in de 18e eeuw, in: 't Seghen Waert, Jg. 32, nr. 4, november 2013, p. 2-13
 
Ton Vermeulen, 100 jaar Sint Vincentiusvereniging, in: 't Seghen Waert, Jg. 32, nr. 4, november 2013, p. 14 -32
 
Ton Vermeulen, Barmhartigheid in beide dorpen. In: AD vrijdag 12 juni 2015

Stadspelgrimage langs werken van barmhartigheid 1: de opzet

Op zaterdag 13 juni 2015 organiseerde de H. Nicolaasparochie in Zoetermeer een stadspelgrimage als onderdeel van haar jaarlijkse Diaconieweekend. Tijdens zo'n weekend staan niet alleen de vieringen in het teken van de diaconie, maar wordt er meestal ook een andere activiteit georganiseerd om de diaconie voor het voetlicht te brengen. Diaken Walther Burgering wist, dat ik in het verleden de initiatiefnemer was geweest van stadspelgrimages of spiritueel-diaconale wandelingen in Gouda en Delft. "Zou zo'n tocht ook niet in Zoetermeer kunnen worden gehouden?," vroeg hij mij begin dit jaar. Tja, waarom niet? Het zou wat moeilijker worden om geschikte halteplaatsen vast te stellen. Oud-Hollandse steden als Gouda en Delft kennen veel historische gebouwen die vroeger (en soms nu nog) gebruikt zijn voor allerlei vormen van armenzorg en liefdadigheid. Denk b.v. aan gasthuizen, hofjes, weeshuizen of oudeliedenhuizen. Zoetermeer daarentegen is lange tijd een dorp geweest, of eigenlijk twee dorpen: Zoetermeer en Zegwaart. Pas sinds de gemeente in 1962 werd aangewezen als groeikern, is het inwonertal geexplodeerd van 10.000 naar 125.000 inwoners. Een dorp kent veel minder instellingen voor armenzorg dan een stad. Maar met de inbreng van iemand, die goed op de hoogte is van de lokale geschiedenis, moet je toch een eind kunnen komen, was mijn inschatting. Walther Burgering kende wel zo'n parochiele vrijwilliger: Ton Vermeulen, geboren Zoetermeerder, historicus en lid van het Historisch Genootschap Oud Soetermeer. Met zijn drieen hebben we de stadspelgrimage ontwikkeld.

Het model van de stadspelgrimage

Een stadspelgrimage is een tocht langs diaconaal betekenisvolle plekken uit verleden en heden, waarbij onderweg via ontmoetingen, het vertellen van verhalen, gedichten, gebeden en/of liederen wordt stilgestaan bij de christelijke dienst van zorg, solidariteit en verzet ten behoeve van mensen in nood. Ik heb voor het eerst kennis gemaakt met de stadspelgrimage ('urban pilgrimage'), toen ik in 2005 deelnam aan het Nieuwe Ledenprogramma van de Iona Community in Glasgow. Bij pelgrimeren denk je meestal aan een tocht door de vrije natuur naar een heilige plek. Ook de Iona Community, een internationale oecumenische gemeenschap, heeft hiermee veel ervaring. Al vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw organiseert zij wekelijks tussen Pasen en de herfstvakantie een pelgrimage over het Schotse eiland Iona. De tocht voert langs plaatsen van historisch en religieus belang, waarbij wordt stil gestaan bij de levensweg van elke mens en van de wereld.
Toen in 1997 de veertienhonderdste sterfdag van Columba werd herdacht, besloot de Iona Community om, geent op dit model, eenmalig een stadspelgrimage in Glasgow te houden. De tocht startte in Govan, waar George MacLeod predikant was voordat hij met de Iona Community begon. De pelgrimage voerde daarna langs allerlei plekken in de binnenstad die verbonden zijn met de strijd tegen armoede en onrecht. Ze werd afgesloten in de Gorbal's. In deze achterstandsbuurt van Glasgow zijn leden van de Iona Community altijd heel actief geweest. De ervaringen met deze stadspelgrimage waren zo positief, dat zij nu een vast onderdeel is in de programma's voor nieuwe leden en stafmedewerkers van de Iona Community. Zo maakte ik er ook kennis mee. En ik vroeg me af, of zoiets ook niet in Nederland mogelijk zou zijn.
Er bestaan soortgelijke initiatieven, zoals kerkenpaden, diaconale wandelingen en multiculturele tochten langs christelijke kerken, moskeeën, hindoetempels en synagogen. Het Platform Levensbeschouwing in Kleurrijk Fryslan ontwikkelde het "Kleurrijk Fryslan Pad. Weg van vrede en gastvrijheid'. Daarmee wilde zij bijdragen aan "ontmoetingen van mensen rond ervaringen van leven en overleven, van lijden en verzet, van opstand en bevrijding, en van vrede en verzoening." Pax Christi en  KRO De Wandeling organiseerden aan het begin van dit Millennium een aantal jaren adventstochten. Dat heeft geleid tot een handleiding om zelf een voettocht op te zetten: ‘Op stap naar vrede’ (2004). De Vastenaktie organiseert sinds 2011 jaarlijks een driedaagse Pelgrimstocht in de Veertigdagentijd, waarbij men aandacht vraagt voor het Vastenaktieproject. Ook lokaal schieten de vastenwandelingen en vredeswandelingen als paddenstoelen uit de grond.
Een stadspelgrimage heeft heel wat gemeen met deze initiatieven. Het eigene is, dat zij probeert om
zowel informatie te bieden als bezinning te stimuleren. Zo probeert zij de uiterlijke en de innerlijke reis van de deelnemers op elkaar te betrekken en de diaconale gezindheid van de deelnemers te verdiepen. Daarmee wil een stadspelgrimage meer bieden dan een interessante stadswandeling.

Werken van barmhartigheid als rode draad

Bij de ontwikkeling van de stadspelgrimage in Zoetermeer hebben we als inhoudelijke kapstok gekozen voor de werken van barmhartigheid. Met enige goede wil konden we alle zeven werken wel koppelen aan een of meerdere locaties in of rond de Dorpsstraat. Daarop hebben we een route vastgesteld langs zeven halteplaatsen. Bij elke halteplaats stond één specifiek werk van barmhartigheid centraal. Daar vertelde een van ons, meestal Ton Vermeulen, wat er op deze plek in het verleden gedaan werd. De toelichting werd telkens afgesloten met een meditatie over dit werk van barmhartigheid, uitgesproken door Walther of mij. Deze meditaties hebben we ontleend aan het boekje met gedichten van Hub Crijns over de werken van barmhartigheid (Uitgave: Arme Kant van Nederland/EVA, mei 2014).
Op twee locaties hebben we een ontmoeting gearrangeerd met vrijwilligers, die zich heden ten dage inzetten voor Zoetermeerders in nood. Bij 'de hongerigen voeden' stond de Voedselbank centraal en gaf Anneke Gouweleeuw, coordinator van het uitdeelpunt in het parochiecentrum, een toelichting. 'De naakten kleden' werd ondergebracht in het Schuurtje van Vincentius, omdat deze tweedehandswinkel ook veel kleding verkoopt. Leden van de Vincentiusvereniging Zoetermeer onthaalden de deelnemers gastvrij in hun gebouw en vertelden over hun werk, dat ook veel raakvlakken kent met andere werken.


Deelnemers in Zoetermeer onderweg

Publiciteit

Wie wilden we bereiken met deze stadspelgrimage? Allereerst de diaconale vrijwilligers in de parochie. Via deelname aan de stadspelgrimage zouden ze meer kennis kunnen krijgen van de lange traditie waarin ze staan, ook lokaal, en hun eigen gelovige inspiratie voor het diaconaal handelen kunnen voeden. Daarnaast was ook een breder publiek welkom van parochianen en niet-parochianen. Voor de stadspelgrimage is geworven via de interne kanalen van de parochie en de website, maar ook via publicaties in de plaatselijke pers. In het Streekblad Zoetermeer van 11 juni verscheen een interview met Walther Burgering en Ton  Vermeulen onder de titel 'Stadspelgrimage geeft onbekende historische plekken een betekenis.'  En een dag later publiceerde de Zoetermeerse editie van het AD een paginagroot artikel van Ton Vermeulen over de eeuwenlange zorg voor de armen in Zoetermeer, waarbij in een kader werd gewezen op de stadspelgrimage.

In een tweede blog volgt het eigenlijke verslag van de stadspelgrimage aan de hand van de werken van barmhartigheid.