Posts tonen met het label pelgrimeren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pelgrimeren. Alle posts tonen

woensdag 9 januari 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 1: ROMEINSE TIJD EN VROEGE MIDDELEEUWEN


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het december nummer verscheen het eerste deel (2018/04). Dit is een iets uitvoeriger versie.
 
 
Vanaf het begin van het christendom is diaconie een wezenskenmerk van de kerk. Zorg voor mensen in nood behoort evenzeer tot haar identiteit als liturgie, verkondiging en catechese. De wijzen waarop die zorg vorm kreeg, varieerden in de loop der tijd. Ze waren afhankelijk van de heersende denkbeelden over armoede en arbeid in kerk en samenleving, maar ook van de sociaaleconomische en politieke omstandigheden. Zo hadden oorlogen, epidemieën en natuurrampen als overstromingen of droogteperioden hun weerslag op de economie en het aantal armen. In tijden van crises nam het beroep op de armenzorg toe, maar stonden ook de beschikbare middelen onder druk. Dat leidde tot aanpassingen en de ontwikkeling van nieuwe vormen. In een serie artikelen wil ik de geschiedenis van diaconie en christelijke armenzorg beknopt schetsen. Bij elke periode licht ik een karakteristieke vorm van diaconie uit (‘historisch model’).
 

Bijsluiter


Een indeling in perioden en modellen heeft didactische voordelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. De perioden lopen in elkaar over en houden zich niet aan de strakke grens van een jaartal. Dat geldt ook voor de historische modellen. Die gaan vaak als een onderstroom door in een volgende periode. Instellingen voor armenzorg leiden soms een lang leven, waarbij de methoden van hulpverlening wel veranderen. Voor de eerdere perioden zijn minder en beperktere bronnen beschikbaar dan voor latere tijdvakken. En de afstand tussen de toenmalige ideeënwereld en nu is ook groter. We zijn geneigd om die perioden te bekijken door een moderne bril. Gevormd door de 19de eeuwse meesters van de argwaan zien we achter elke daad van naastenliefde economische belangen (Marx) of psychische behoeften (Freud). En we gaan uit van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Kunnen we de verschillende perioden wel op hun eigen waarde schatten of zien we ze slechts als voorstadia tot de huidige laatmoderne samenleving?


  1. Vroege kerk tot einde Romeinse Rijk (-476): de bisschop als vader van de armen.

Het christendom begon als een arme beweging. Petrus vertrok met een aantal vissers van Jerusalem naar Antiochië. Vandaaruit verspreidde het christendom zich verder naar Edessa en uiteindelijk naar Rome. In de tweede eeuw besloten de Romeinse keizers de christenen te gaan vervolgen, omdat ze staatsgevaarlijk werden. In het Romeinse rijk was er ruimte voor andere godsdiensten, zolang men de keizer maar wilde vereren. Dat weigerden de christenen. Juist door de vervolgingen groeide de aanhang. Tertullianus  (gestorven na 220) zei dan ook: “Het bloed van de martelaren is het zaad der kerk.” Maar minstens zo belangrijk voor de groei van het christendom was de zorg voor armen, zieken en vreemdelingen. Dat riep bewondering op bij hun omgeving, aldus diezelfde Tertullianus: “Zie, hoe zij elkaar liefhebben.” Als ideaalbeeld voor de vroege christengemeenschappen gold dan ook de schets uit Hand. 2 en 4.

Het belang van die diaconale zorg bleek ook uit de nauwe verbinding met de eucharistie, het centrum van het christelijke gemeenschapsleven. Dit was een echt liefdesmaal. De gaven die werden meegebracht, werden verdeeld onder de aanwezigen en ook bezorgd bij die behoeftigen die niet aanwezig hadden kunnen zijn. Daarbij was een belangrijke rol weggelegd voor de diakens.
 
 
Liefdesmaaltijd van christenen. Detail van een sarcofaag in de catacomben van Rome.

Aalmoezen


Een andere diaconale praktijk was het geven van aalmoezen. Armen waren daarbij niet louter objecten van liefdadigheid. Door aalmoezen aan te nemen en voor de rijken te bidden, redden de armen de rijken en verschaften hen “een woonrecht in de eeuwige tent” (Clemens van Alexandrië). Hoe hoog een aalmoes moest zijn, was een bron van discussie. Johannes Chrysostomos vond, dat rijken minstens een-derde van hun vermogen hieraan moesten besteden. Maar anderen relativeerden die eis. Een aalmoes moest komen uit de overvloed en de rijken moesten een leven kunnen voeren volgens hun stand.

De situatie van de kerk veranderde toen het christendom erkend werd in de vierde eeuw. Met het edict van Milaan (313) maakte Constantijn een einde aan de christenvervolgingen. Dat had grote gevolgen voor het christendom. De bisschoppen gingen zich kleden als Romeinse senatoren en trokken het purper aan. Ze kwamen ook steeds meer uit de hogere lagen. Bisschop Paulinus van Nola (353-431) was schatrijk.
 

Xenodochia


Die veranderingen leidden tot een identiteitscrisis. De christenen groeiden in aantal, in invloed en in vermogen, maar lazen in de schrift dat hun Heer geen steen had om zijn hoofd op te leggen. Toen de hogere kerkleiding zich ging kleden als senatoren, riep dat de vraag op wie ze dan zijn als navolgers van Christus en hoe ze om moeten gaan met hun vermogen.

Augustinus van Hippo en Paulinus van Nola zochten naar een antwoord. Christenen moesten vooral niet doen wat de Romeinse keizers altijd hadden gedaan. Zij hadden het Colosseum opgericht om het volk spelen te verschaffen en zichzelf vereeuwigd in grote standbeelden. De christenen besloten iets totaal anders met hun vermogen te doen. Voor hen werd de arme hun ideologie. Vanaf de vierde eeuw zien we dan ook vooral in het oosten van het Romeinse Rijk de opbouw van instituties voor de verzorging van zieken, armen en reizigers, met name pelgrims. De behoefte aan dergelijke instellingen groeide in die tijd ook sterk door de opkomst van pelgrimstochten naar het Heilig Land, in navolging van Constantijns moeder Helena. Deze instellingen werden xenodochia genoemd (letterlijk: vreemdenherberg), in het Latijn later vertaald als hospitium of hospitale. Inderdaad is dit de voorloper van ons woord hospitaal. Maar een xenodochium richtte zich niet alleen op zieken. Het was een gasthuis voor iedereen die onderdak behoefde: pelgrims, maar al snel ook armen, ouderen en zieken. Deze instellingen lagen gewoonlijk in de nabijheid van een kerk of het bisschopshuis. Ook als ze door particuliere gelovigen waren gesticht, stonden zij onder bisschoppelijk toezicht. Ze kwamen vooral voor in het Oostromeinse rijk, en drongen pas langzaam door in het westen. Een uitzondering vormde het ziekenhuis voor melaatsen, dat Fabiola, een dochter uit een rijke familie, in 399 in Rome stichtte.

Je kan de oprichting van xenodochia en andere instellingen zien als een van de vernieuwingen van het christendom op het gebied van de armenzorg. De verantwoordelijkheid kwam meer en meer bij de bisschop te liggen als “vader van de armen”. De diakens werden helpers van de bisschop en raakten op de achtergrond. Bij dat alles moet je je bedenken, dat de kerk nog niet georganiseerd was in territoriale parochies. Dat zou pas in de volgende periode gebeuren. De kerk was gecentreerd rond de bisschop.

 
  1. De vroege middeleeuwen (500 – 900): ‘verkloostering’ van de diaconie


Na de val van het Romeinse Rijk en de instroom van Germaanse volken veranderde de samenleving in West-Europa sterk. Steden ontvolkten, de bevolking nam af, grootgrondbezit kwam op. De kerk met haar instellingen en structuur zorgde in deze situatie voor continuïteit. De bisschoppen kwamen vaak voort uit de adel en oefenden meer en meer macht uit, deels gebaseerd op eigen middelen van de kerk, deels verkregen uit schenkingen door de koning.

Tot diep in de zevende eeuw bleef de armenzorg het domein van de bisschop. Talrijke bepalingen van Gallische concilies en synoden wijzen daarop. Zo verlangde het Concilie van Orléans in 511 van de bisschop, dat hij zich ontfermde over de armen en zieken, die niet konden werken. En het Concilie van Tours besloot in 567, dat “elke civitas haar arme en behoeftige inwoners op passende wijze moet voorzien van voedsel, zoals ook de priesters op het platteland hun armen moeten voeden. Daarmee moet het rondtrekken van deze armen door vreemde civitates verhinderd worden.” Op welk gebied dit woord ‘civitas’ precies betrekking heeft (bisdom?, parochie?, stad?, dorp?), is een twistpunt onder geleerden. Maar duidelijk is wel, dat men streefde naar een dekkende zorg, die voorkwam dat armen moesten gaan zwerven om hulp te vinden.

Dat de bisschop nog steeds gold als ‘vader van de armen’ en het bezit van het bisdom ook als armengoed werd gezien, blijkt uit verschillende heiligenlevens van bisschoppen. Het bekendste voorbeeld is dat van de H. Martinus van Tours.

 
In de loop van de tijd werden de Frankische koningen steeds machtiger en gingen zij ook een rol spelen op het gebied van de armenzorg. In de vorstenspiegels werd het doen van werken van barmhartigheid onderdeel van het koninklijke dienstambt. De koning werd beschouwd als ‘beschermer van de armen’. Dat vertaalde zich ook in verschillende rechtsregels rond armenzorg en concrete maatregelen ten gunste van armen in tijden van hongersnood.

 

Instellingen voor armenzorg


De instellingen voor armenzorg in deze periode bouwden voor een deel voort op die uit de vorige periode, en waren voor een ander deel nieuw. Je kan allereerst denken aan de xenodochia. Halverwege de achtste eeuw moeten deze gasthuizen voor armen, pelgrims en zieken zeker in 34 plaatsen in Gallië gestaan hebben. Een deel stond onder bisschoppelijk toezicht en was kerkelijk eigendom, zoals in het oosten. Maar andere xenodochia waren gesticht door koningen, door hun echtgenoten of door hoge edelen en stonden onder leiding van clerici of monniken. Door allerlei factoren verdwenen deze instellingen rond 800.

Een tweede type zijn de matricula. Letterlijk betekent dat: lijst. Al vrij vroeg was in de christelijke armenzorg de gewoonte ontstaan om lijsten van armen op te stellen. Zo kreeg men een goed overzicht van de hulpbehoevenden en kon men onderscheid maken tussen armen, die voor ondersteuning in aanmerking kwamen en degenen, die daarvan moesten worden uitgesloten. De Voedselbank is dus geenszins de eerste instelling, die een gebruikerslijst heeft. In de zesde eeuw stond in Gallië ‘matricula’ voor een instelling, die zorg droeg voor de ondersteuning van een bepaalde groep armen. De middelen daarvoor werden meegebracht door de kerkgangers, kwamen uit grote schenkingen of uit het kerkelijk vermogen. Niet alleen bisschopssteden of pelgrimsoorden hadden een matricula, ook andere steden en grote dorpen. Soms werd met matricula ook het huis aangeduid, waar de armen zich ophielden of zelfs woonden. Vaak lag dit huis bij de ingang van de kerk. Het aantal armen op de lijst of in het huis was beperkt en varieerde tussen de 12 en de 40. De criteria voor opname zijn onduidelijk. In de loop der tijd maakten armen plaats voor kostkopers (proveniers).

Tenslotte hadden sommige steden ook een eigen leprozenhuis buiten de stadsmuren. Melaatsen werden afgezonderd van de rest van de bevolking, om te voorkomen dat anderen zouden worden besmet met deze ziekte. Diaken Adalgisel Grimo uit Verdun bedacht in zijn testament uit 634 onder meer drie leprozenhuizen, waaronder een in Maastricht. Tot in de veertiende eeuw zouden leprozenhuizen de enige gespecialiseerde vorm van ziekenhuis zijn.
 

Kloosters


Eind derde eeuw was in het oosten van het Romeinse rijk het kloosterleven ontstaan. Enkelingen trokken zich in de woestijn terug om daar een leven van vrijwillige armoede en gebed te leven. De kluizenaar Antonius (251-356) was een van de eersten, die zijn bezittingen verkocht en aan de armen gaf. Zij kregen volgelingen en leerlingen, waardoor er kleine gemeenschappen van gelijkgezinden ontstonden. Uit dit individuele ascetendom ontwikkelde zich het georganiseerde kloosterleven. Hiervoor werden regels opgesteld. Pachomius en Basilius deden dat in het oosten, Augustinus en een eeuw later Benedictus in het westen. De kloosters van deze beschouwende orden werden vaak ver van de bewoonde wereld gesticht, waar de monniken een leven volgens een speciale dagindeling konden leiden die helemaal gewijd was aan gebed en beschouwing. Maar al snel trokken zij bezoekers aan: pelgrims en andere reizigers, armen, bedelaars. Daarvoor werden aparte gasthuizen ingericht bij het kloostercomplex. Zo ontstond er een derde model van christelijke armenzorg: naast individuele naastenliefde en caritas vanuit de lokale (bisschops-)kerk ontwikkelde zich een gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters. Omdat Christus ook ontmoet kon worden in de arme, werd het praktiseren van de werken van barmhartigheid deel van het monnikenleven en kreeg het in twijfelgevallen zelfs voorrang boven het eigen gebedsleven. Daarom neemt in de regel van Benedictus de gastvrijheid, ook voor armen, zo’n belangrijke plaats in. En werden er aparte broeders aangesteld om naast de abt zorg te dragen voor de gasten.

In de missionering van de Franken, Friezen en andere Germaanse volkeren in Noordwest Europa hebben de Ierse monniken een belangrijke rol gespeeld. De Ierse kerk was een monnikenkerk. Ook Willibrord, zelf een Engelsman, was hierdoor gevormd. Op verschillende plaatsen in de huidige Benelux vestigde hij een klooster als steunpunt voor de missionering. Van de abdij in Echternach werd al in 698 vermeld, dat er een gebouw stond waar de monniken zich ontfermden over de pelgrims en waar armen om aalmoezen kwamen vragen.Dat zal bij zijn andere vestigingen, b.v. in St. Odiliënberg, niet anders zijn geweest.

De Karolingische hervorming van 816 verplichtte elk Benedictijnerklooster, maar ook de stichtingen van kanunniken en nonnenkloosters, om een ‘hospitale pauperum’ te hebben, waar gastvrijheid aan de armen kon worden geboden. Dat werd gefundeerd met een verwijzing naar Mt. 25. Hiervoor zou een tiende van alle inkomsten (opbrengst van de oogst, schenkingen en aalmoezen) moeten worden aangewend. Of alle kloosters zich aan deze verplichting hebben gehouden en of zij de arme gasten even welwillend hebben benaderd als de voorname reizigers, valt te betwijfelen, Maar de bronnen wijzen wel uit, dat aan het eind van de negende eeuw de kloosters de dominante actoren waren in de armenzorg. De andere instellingen waren op de achtergrond geraakt.

Het paradoxale van de kloosters is, dat zij voortkwamen uit het streven naar vrijwillige armoede van de individuele monniken, maar dat zij als instelling al snel rijkdommen vergaarden door eigen arbeid op het land en door schenkingen. Je ziet dan een continue golfbeweging optreden van: strenge kloosterregels, gevolgd door verwatering van de oorspronkelijke idealen, waarop een beweging terug naar de bron volgt. De kloosterorde kan dan intern worden vernieuwd (strenge observantie) of er wordt een nieuwe orde gesticht met strengere armoederegels en een hernieuwd toeleggen op de armenzorg als manier om Christus te ontmoeten. In de volgende perioden zullen we de kloosters dan ook nog geregeld tegenkomen.

 

Jan Maasen

 

Literatuurtip (en belangrijke bron voor dit artikel)

Bernhard Schneider, Christliche Armenfürsorge. Von den Anfängen bis zum Ende des Mittelalters, Freiburg, 2017

 

 

 

 

 

dinsdag 7 juli 2015

Pelgrimstocht Vastenaktie 2012

Eind maart 2012 nam ik met 74 andere lopers deel aan de Pelgrimstocht van de Vastenaktie, een vierdaagse spirituele sponsortocht rond het Drielandenpunt.[i] De opbrengst van de Pelgrimstocht was bestemd voor het Vastenaktieproject in Ethiopië. Met elkaar hebben de deelnemers toen ruim 72.000 euro bijeengebracht. Zelf heb ik 1924 euro opgehaald, via bijdragen uit mijn kennissenkring, mijn parochie in Barendrecht en de Iona Community. Dit verslag is oorspronkelijk verschenen op de website van de Vastenaktie, maar is inmiddels verdwenen. Qua inhoud past het goed op deze blog met teksten rond pelgrimeren en diaconie. En op de onlangs gehouden Iona Community Continental Meeting 2015 is de wens uitgesproken om in 2018 een meerdaagse pelgrimage te organiseren in dit Duits-Nederlandse grensgebied. Mijn ervaringen met de Pelgrimstocht van de Vastenaktie in 2012 kunnen daarvoor een inspiratiebron zijn.

Pelgrimstocht 29 maart - 1 april 2012


 Het zijn vier mooie dagen geworden. Lopen door het Limburgse heuvellandschap is op zich al bijzonder. Ook aan de Nederlandse kant waan je je als Randstedeling in het buitenland. Guus Prevoo van de Vastenaktie had een prachtige route uitgezet, langs tal van historisch en cultureel markante plekken. In een aantal kerken konden we ook een stempel krijgen voor onze pelgrimspas, twee pagina’s achter in het Pelgrimsboek dat elke deelnemer meekreeg. Naast de routebeschrijving bevatte dit boekje ook aanvullende informatie en bezinnende teksten bij deze plekken. Zo bezochten we de kerk van Wahlwiller met de kruisweg van Aad de Haas, (geen 14 staties, maar 16. Naast de verrijzenis aan het eind ook een extra statie aan het begin: het verraad van Judas. De Haas heeft in de Tweede Wereldoorlog in het verzet gezeten en maakte verraad van nabij mee), zagen in het oude kerkje van Lemiers de moderne schilderingen van Hans Truijens en bezichtigden de Dom van Aken.
  

Over oude pelgrimspaden

Wat maakte deze Pelgrimstocht verder zo bijzonder? De route voerde geregeld een stukje over oude pelgrimspaden, niet alleen de camino naar Santiago de Compostela, maar ook over regionale routes zoals de Bittweg van Aken naar het heiligdom van Maria in Moresnet. Onderweg kwamen we langs verschillende pelgrimsoorden, Lourdesgrotten, Calvariebergen, kruiswegen, wegkapelletjes e.d. Donderdagavond hield Marije de Nood, medewerker educatie van het Museum Catharijneconvent en samenstelster van de tentoonstelling over de pelgrimage naar Santiago de Compostela van afgelopen winter, een presentatie over pelgrimeren. Daarin wisselde zij beelden uit de collectie van het Museum en dagboekfragmenten van 15e en 16e eeuwse pelgrims naar Santiago af met haar eigen belevenissen als pelgrim van Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago. Heel boeiend! Lopende langs deze plekken ervaar je, dat je in een lange traditie staat/gaat.  

Werken van barmhartigheid

Met Guus Prevoo heb ik drie ochtendvieringen verzorgd. De zaterdagviering had een bijzonder karakter. De hongerdoek van dit jaar sluit nauw aan bij de thematiek van het Vastenaktieproject en verbeeldt de werken van barmhartigheid in de context van een Afrikaanse sloppenwijk. Bij de voorbereiding van de Pelgrimstocht ontdekten we, dat de route op zaterdag ons zou voeren langs tal van plekken die vrij natuurlijk in verband gebracht kunnen worden met een van deze werken, in verleden of heden. Uiteindelijk konden we ze alle zeven lokaliseren. In de viering hebben we stil gestaan bij deze zeven werken van barmhartigheid in de volgorde waarin we ze later die dag zouden passeren. Voor mij gaf die invulling een extra lading aan de etappe van zaterdag. Om welke connecties ging het dan?
 
  • naakten kleden - Klenkesmonument Aken (Klenkes is de opgeheven pink, een verwijzing naar de kinderarbeid in de naaldenindustrie in de negentiende eeuw) 
  • gevangenen bezoeken - de steen op de markt waarop een gevangene moest staan om het uitspreken van zijn doodvonnis te aanhoren
  • hongerigen voeden - Wereldwinkel in Aken
  • doden begraven - Campo Santo (begraafplaats met overdekte galerijen voor de rijke Akenaren) en Westfriedhof (grote begraafplaats)
  • zieken bezoeken - Klinikum (groot universiteitsziekenhuis) en Karlsgarten, waar oude bomen, planten en kruiden worden geteeld die elke hoeve van Karel de Grote verplicht was aan te planten voor geneeskundig gebruik
  • dorstigen laven - Seffent, een dorpje genoemd naar zeven bronnen (Septem Fontes
  • vreemdelingen opnemen - op de plek van de huidige pastorie van Bocholtz stond vroeger een gasthuis voor pelgrims uit Aken op weg naar Santiago de Compostela. De eerste vermelding dateert van 1373.

Bijzondere ontmoetingen

Al lopend kom je gemakkelijk in contact met andere pelgrims. Velen van hen zetten zich al jaren in voor de Vastenaktie en zijn actief in een werkgroep voor Missie, Ontwikkeling en Vrede. Anderen zijn op de Pelgrimstocht afgekomen, omdat ze wat met pelgrimeren hebben of graag wandelen. Een spotje op de radio of een bericht in Studio had hen op het spoor van de Pelgrimstocht gebracht. Een deel (16) had vorig jaar al deelgenomen aan de eerste Pelgrimstocht. Lang niet alle deelnemers waren van katholieke huize. Ik schat, dat er tussen de tien en vijftien protestanten meeliepen: een groep van 6 PKN-ers uit Middelburg die door een deelnemer van vorig jaar enthousiast was gemaakt, maar ook PKN-ers uit andere delen van het land of leden van andere kerkgenootschappen. Ieder had zijn eigen verhaal en motieven om mee te doen. Al lopend deelden we, soms vluchtig, soms wat langer en diepgaand, een stukje (levens)verhaal. En vrijdagavond speelde Vastenaktie-ambassadeur en medepelgrim Hella van der Weijst het ‘Open Kaart’-spel met de deelnemers, wat ook tot de nodige ontboezemingen leidde.
Tijdens een deel van de route liepen ook enige Ethiopische medewerkers van het project mee, die op dat moment op uitnodiging van de Vastenaktie in Nederland verbleven om bekendheid te geven aan hun werk. Donderdagavond gaven zij ook een presentatie over Ethiopië en het werk van de Daughters of Charity. En er was een heuse Ethiopische koffieceremonie.
Zo kregen wij meer inzicht in het leven van de krottenwijkbewoners in Addis Abeba en de inspanningen om hen in staat te stellen een betere toekomst voor zichzelf en hun familie op te bouwen. Van het opzetten van kleine handeltjes (brandhout, kaarsen) tot spaar- en kredietgroepen. Daar hebben we toch het geld voor bijeen gebracht.
  

Nieuwe hongerdoek

Heel bijzonder vond ik ook het bezoek aan het atelier in de Ottostrasse. Daar was een Boliviaans-Sloveense kunstenares bezig om de laatste hand te leggen aan de nieuwe hongerdoek voor 2013, 'Hoeveel broden hebben jullie?'. Ejti Stih heeft de opdracht van Misereor gekregen om een doek over het thema ‘honger’ te maken. Vanaf oktober heeft zij thuis in Santa Cruz gewerkt aan verschillende ontwerpen. Nu verbleef zij vijf dagen in Aken om de doek af te maken. Juist die zaterdag was zij begonnen. Ze voelde zich een ware celebrity met al die belangstellende pelgrims om zich heen… De doek bestaat uit vier taferelen, afgescheiden van elkaar door een horizontale en verticale kruisbalk. Op het eerste gezicht kon ik een aantal verwijzingen naar bijbelverhalen herkennen, zoals de jongen met de vijf broden en twee vissen, de arme Lazarus en de rijke vrek, en het Laatste Avondmaal. Ejti Stih werkt veel met felle kleuren. Rood en geel overheersen. Ze vertelde, dat ze op de kunstacademie in Joegoslavië had moeten leren werken in grauwe kleuren, zoals bruin, zwart en wit. Sinds ze dertig jaar geleden in Bolivia kwam wonen, en de kleurrijke omgeving van Santa Cruz leerde kennen, werkt ze het liefst met felle kleuren, als een soort statement.
 

Terugblik

Vier dagen Pelgrimstocht was vier dagen genieten van een prachtige omgeving, tachtig kilometer lopen, 75 mensen ontmoeten, de een wat vluchtiger dan de ander, opmerkzaam worden op gebouwen en andere zaken onderweg, ontdekken dat je loopt in de voetsporen van hele generaties voor je, verhalen horen en ervaringen delen, stil zijn en samen feesten, serieus zijn en vrolijk. En dat alles voor een goed doel: de Vastenaktie.
Na die lange voorbereidingstijd, waarin ik maanden bezig ben geweest om sponsors te vinden en waardoor ik ook de Veertigdagentijd dit jaar intenser heb beleefd dan voorgaande jaren, gingen die vier dagen eigenlijk snel voorbij. En toch was de pelgrimstocht niet afgelopen toen we op zondag 1 april het klooster van Wittem bereikten en een Ethiopisch kruisje als pelgrimsinsigne overhandigd kregen. Op een of andere manier gaat die door.
 
 
Op dinsdag mocht ik een presentatie van mijn ervaringen met de Pelgrimstocht geven voor mijn collega’s van het Bisdombureau en een korte gebedsviering leiden. Laat nu de lezing van die dag uit Johannes 13 komen, het verhaal van het verraad van Judas (de eerste statie van de kruisweg van Aad de Haas).
Geregeld vragen mensen die mij gesponsord hebben of er anderszins van gehoord hebben, mij naar mijn ervaringen. Dat zal ongetwijfeld ophouden, zoals ook de financiële bijdragen op de website zullen stoppen. Maar de herinneringen blijven, op Facebook gaan de contacten met andere pelgrims door, een hele serie foto’s van mijzelf en anderen getuigen van deze vier dagen. Kortom, de Pelgrimstocht heeft de Vastenaktiecampagne 2012 voor mij tot een heel bijzondere Vastenaktie gemaakt.
 


[i] Route Pelgrimstocht
Donderdag 29 maart:          Huize Damiaan, Simpelveld – kerkje Wahlwiller                            8 km
                                               Kerkje Wahlwiller – Holset (rustpunt)                                           10 km
                                               Holset – Home Franck, Völkerich (B)                                             5 km        Totaal 23 km
Vrijdag 30 maart                   Home Franck, Völkerich – Moresnet Chapelle (B)                        9 km
                                               Moresnet Chapelle – Drielandenpunt – Colynshof Aken (D)    10 km      Totaal 19 km
Zaterdag 31 maart               Jeugdherberg Aken – Dom Aken (D)                                             5 km
                                               Dom Aken – Seffent (D)                                                                   6 km
                                               Seffent (D) – Lemiers – Orsbach – Bocholtz – Simpelveld         16 km      Totaal 28 km
Zondag 1 april                     Huize Damiaan, Simpelveld-  klooster Wittem                              10 km

dinsdag 24 maart 2015

Vezelay 1946: de ontbrekende schakel gevonden

Eind deze week verzamelen zich in verschillende plaatsen in Groot-Brittannië pelgrims om in de Goede Week deel te nemen aan een van de 'Cross Pilgrimages'. Zelf heb ik verleden jaar meegelopen met de Northern Cross Pilgrimage van Melrose naar de Holy Island of Lindisfarne. Toen ik de eerste avond hoorde over de voorgeschiedenis van deze pelgrimstocht, voortgekomen uit de Student Cross Pilgrimage, kwam bij mij het vermoeden op, dat deze Student Cross Pilgrimage en de vredesbeweging Pax Christi wel eens dezelfde wortels zouden kunnen hebben (zie mijn blog van 12 april 2014.) Dat vermoeden werd nog versterkt toen ik afgelopen zomer nog eens terugblikte op mijn pelgrimservaringen en wat speurwerk deed. Zo vond ik een artikel van Kenneth Williams, die in 1976 gestart is met de Northern Cross Pilgrimage en ook dit jaar de algemeen coördinator is. Daarin schreef hij, dat het idee om een pelgrimage te houden waarbij een kruis wordt meegedragen, afkomstig is uit Frankrijk. "In 1946, vlak na de Tweede Wereldoorlog, droeg een aantal groepen kruisen naar Parijs als een vorm van boetedoening voor de zonden die in de oorlog waren begaan. Het jaar daarop droegen enige Engelse groepen kruisen naar het bedevaartsoord van Walsingham. Deze kruisen kan je daar nog steeds zien. Hieruit ontstond het idee van Student Cross als een pelgrimage naar Walsingham." De tocht naar Parijs bleek bij nadere beschouwing de internationale kruistocht voor gebed en vrede naar Vezelay te zijn, waaraan inderdaad enige Engelsen hebben deelgenomen. Veel verder dan het vermoeden van een gemeenschappelijke voedingsbodem kwam ik op dat moment echter niet.


Geschiedenis van Pax Christi

In zijn eerder dit jaar verschenen geschiedenis van 65 jaar Pax Christi Nederland typeert Maarten van den Bos de eerste jaren van deze vredesbeweging als een initiatief om door ontmoeting, gebed en pelgrimage te komen tot verzoening en verbroedering. Pax Christi was in die periode kort na de Tweede Wereldoorlog eerder een vroomheidsbeweging dan een pressiegroep om politieke veranderingen richting vrede te bewerkstelligen. De gezamenlijke bedevaart vormde de kern van haar activiteiten. Daarom werden internationale congressen ook telkens in een Mariabedevaartsoord gehouden, zodat die konden worden verbonden met een pelgrimstocht. Het ervaren van gemeenschap onderweg kon zo de basis vormen voor een nieuwe mentaliteit.  Die verbroedering en verzoening zou gewelddadigheden in de toekomst kunnen voorkomen (p. 21, 37).
Op de rol van pelgrimeren in het werk van Pax Christi zal ik in een volgend blog nog wat nader ingaan. Maar al bij de start van Pax Christi in Frankrijk spelen gebed en pelgrimage een belangrijke rol. Van den Bos vertelt hoe in maart 1945 een groepje verzetsmensen contact zocht met Mgr. Theas, bisschop van Montauban. Deze bisschop was in oorlogstijd een scherp tegenstander geweest van het bewind van Pétain en had zich openlijk uitgesproken tegen de behandeling van de joden. De laatste maanden van de oorlog bracht hij in gevangenschap door. Daar viel hij op door zijn preken over vergeving en verzoening. Met name een meditatie over de Bergrede en Jezus' opdracht 'Heb je vijanden lief' baarde opzien. Om die reden richtte het groepje verzetsmensen, waaronder Marthe Dortel-Claudot, zich tot hem. Zij hadden het plan opgevat om op georganiseerde wijze te gaan bidden voor de verzoening met Duitsland en wilden Mgr. Theas het voorzitterschap van deze beweging aanbieden. Die stemde daarin toe, mits Marthe Dortel-Claudot de dagelijkse leiding op zich zou nemen. Op 22 april verscheen een artikel in het katholieke dagblad La Croix. "Bedoeling was onder het motto 'Pax Christi in regno Christo - de vrede van Christus in het rijk van Christus, de wapenspreuk van paus Pius XII - een 'gebedskruistocht voor Duitsland' te organiseren om zo te werken aan verzoening met de voormalige vijand." (p. 34) De response was groot: 75.000 mensen meldden zich bij het secretariaat van Dortel-Claudot. Een jaar later vond de eerste grote bijeenkomst plaats in Lourdes in aanwezigheid van 7 Duitse pelgrims. De beweging werd in de volksmond inmiddels Pax Christi genoemd. In 1947 werd dit gevolgd door het eerste internationale congres, eveneens in Lourdes, met deelnemers uit Duitsland, Frankrijk, Italië, Engeland en Zwitserland. Bij een bijeenkomst in het Duitse bedevaartsoord Kevelaer in april
1948 waren voor het eerst ook Nederlanders aanwezig, met name uit de kringen van de Tochtgenoten van Sint Frans. Dat leidde tot de oprichting van de Nederlandse afdeling op 5 mei 1948 in de wachtkamer derde klasse van het Utrechtse Centraal Station.
Gebedskruistocht, pelgrimages, Mariaheiligdommen - Van den Bos gaat er uitvoerig op in. Maar helaas, Vezelay noemt hij niet. De gewenste schakel blijft voor mij ontbreken.

Gebedskruistocht

 
Totdat op 13 maart een artikel verschijnt op de website van Pax Christi Internationaal over de start van de Pax Christi beweging. Het is die dag exact 70 jaar geleden, dat een tweede ontmoeting plaats vond tussen Mgr. Theas en de groep rond Marthe Dortel-Claudot, die wordt gezien als de officiële start. De eerste had twee dagen daarvoor plaats gevonden, maar de bisschop wilde eerst toestemming hebben van de aartsbisschop van Toulouse. Daarop bezocht mevrouw Dortel kardinaal Saliege in Toulouse op 12 maart en keerde terstond terug met een positief resultaat. "De volgende dag, 13 maart 1945, autoriseerde bisschop Theas mij als zijn secretaris om een gebedskruistocht voor Duitsland te starten," zou zij later schrijven. "Bij het afscheid voegde hij me toe: 'U bent gezonden door de Heilige Geest. Op diezelfde avond stelde mijn oom voor om de beweging 'Pax Christi' te noemen, wat ik graag accepteerde."

Vezelay 1946

Even verderop in dit artikel staat dan een passage over de gebedskruistocht van 1946 in Vezelay.
"Van 19 tot en met 22 juli 1946 werd in Vezelay (Midden-Frankrijk) een 'gebedskruistocht voor vrede' georganiseerd door Benedictijnen van de abdij van Sainte Marie de la Pierre-qui-Vire, in het Franse departement Yonne. De jonge Pax Christi-beweging ondersteunde dit initiatief. Exact 800 jaar eerder en vanaf dezelfde heuvel had Bernardus van Clairvaux opgeroepen tot de Tweede Kruistocht naar het Heilig Land. De 'kruistocht voor vrede' stond hier diametraal tegenover - een daad van boete, bekering, vergeving en vrede, in een Europese context. Veertien houten kruisen werden in een pelgrimstocht gebracht vanuit Groot-Brittannië, Luxemburg, Zwitserland, België, Italië en verschillende plaatsen in Frankrijk naar de magnifieke Romaanse basiliek."
 
Tot de deelnemers behoorde ook Ignace Lindemans, oud-voorzitter van Pax Christi Vlaanderen en op dat moment een student in Leuven. Met de Belgische delegatie liep hij achter een van de veertien houten kruisen. Duitse krijgsgevangenen, die hadden geholpen bij het bouwen van onderdak voor de pelgrims, vroegen op het laatste moment toestemming om zelf ook een kruis te hebben. Daarop werd een vijftiende kruis opgericht. Tot op de dag van vandaag staan de kruisen, inclusief het kruis van de Duitse gevangenen, dat altijd is versierd met bloemen, in de basiliek van Vezelay. Met het opschrift 'Kruistocht van de vrede Duitsland 1946' contrasteert het sterk met het standbeeld van Bernard van Clairvaux, die tot een gewapende kruistocht opriep in 1146.
 

 Conclusies

Mijn vermoeden, dat de Student Cross Pilgrimage (en Northern Cross Pilgrimage) uit dezelfde voedingsbodem als Pax Christi zijn voortgekomen, is nu bevestigd. De gebedskruistocht voor de vrede die in 1946 in Vezelay gehouden is was voor enige deelnemende Engelsen het voorbeeld om ook in eigen land dergelijke tochten te organiseren. De jonge beweging Pax Christi ondersteunde dit initiatief, zoals ook andere Franse katholieke organisaties dat deden (b.v. de scouting). In een enkele publicatie wordt Pax Christi zelfs als organisator genoemd. Dat is waarschijnlijk te veel eer, maar onder de 30.000 tot 40.000 deelnemers in Vezelay zullen velen hebben gezeten, die zich eerder bij Pax Christi hadden aangemeld.
De term 'gebedskruistocht' lijkt een wat zwaardere lading te hebben dan ik aanvankelijk dacht. Met de veertien kruisen ligt een associatie met de veertien staties van de kruisweg voor de hand. Aanvankelijk was Duitsland niet uitgenodigd voor deze internationale pelgrimage, maar door de positieve reactie op het verzoek van de Duitse krijgsgevangenen om ook een kruis te mogen bijdragen, kreeg dit vijftiende kruis wel een bijzondere lading als teken van verzoening en opstanding. Daarnaast is de term 'gebedskruistocht voor de vrede' bewust gekozen als tegenhanger van de gewapende kruistochten uit de Middeleeuwen.
Door deze gebedskruistocht in het teken te zetten van boete, bekering, vergeving en vrede in een Europese context is deze activiteit, hoe spiritueel ook van karakter, tegelijk ook een voorbeeld van een verbinding van pelgrimeren en maatschappelijke doeleinden,
 

Bronnen

 
Maarten van den Bos, Mensen van goede wil. Pax Christi 1948-2013, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2015
 
 
Kenneth Williams, 'Whan that in april the shoures soete': The Northern Cross Pilgrimage. In: The Reader summer 2008 Vol 105 No 2, p. 12 - 13

 



vrijdag 27 februari 2015

Dromen van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Al gehoord van COP 21 Parijs? Nee? Tot voor enige dagen zei het mij ook niets. 'COP 21 Parijs' blijkt te staan voor 21e Conference of Parties. Eind 2015 komen gedelegeerden uit bijna alle landen in Parijs bijeen voor de volgende klimaatconferentie van de VN. Er moet een vervolg komen op het zogenaamde Kyoto-protocol uit 1997. Je kan dan denken aan afspraken over het snel verminderen van de CO2-uitstoot, het vergroten van de gezamenlijke weerbaarheid tegen klimaatverandering en de financiering van activiteiten daarvoor in de ontwikkelingslanden door de rijke landen. En dat alles om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Dat is niet alleen een economische en politieke noodzakelijkheid, maar ook een morele en ethische kwestie. Om die reden willen christelijke kerken en andere religies in de komende tijd tal van activiteiten organiseren om aandacht te vragen voor het klimaatvraagstuk. Ongetwijfeld zal dit onderwerp ook een rol spelen in de encycliek over de schepping, die paus Franciscus deze zomer uitbrengt.

Pelgrimage van gerechtigheid en vrede

De Wereldraad van Kerken heeft in 2013 besloten om de jaren tot aan de volgende Assemblee in 2021 te typeren als een 'pelgrimage van gerechtigheid en vrede'.  De pelgrimage fungeert als een soort paraplubegrip voor al haar activiteiten, zoals het conciliair proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping dat deed eind jaren tachtig. Het begrip is stevig verankerd in het christelijk geloof. "Onafhankelijk van onze confessie of denominatie," aldus de Wereldraad, "is ons begrip als christenen dat het leven een pelgrimage is, geleid naar een beloofd doel door en met God." De pelgrimage dus als metafoor voor de levensweg, Het onderweg zijn staat dan ook voorop: "Als medepelgrims reizen we samen, elkaar kennend en elkaars kwetsbaarheid beschermend, elkaar gastvrijheid verlenend en genade, en luisterend naar elkaar, bereid om risico's te nemen en we besluiten samen welke nieuwe terreinen we binnentrekken."
Of zoals Fernando Enns zegt op de website van de Raad van Kerken: "Bedoeling van deze pelgrimage is kerken uit te nodigen bewust te worden van de spirituele wortels die je drijven tot het werken aan vrede en recht. De vraag naar waar de pelgrimage naar toe gaat... de bedoeling is nu juist dat je gewoon op weg gaat, op reis  zonder van te voren te weten hoe de reis verloopt, of waar  je precies uitkomt. Dat is juist een diepe spiritualiteit. Een fysieke pelgrimage onderneem je ook niet perse voor het doel, het gaat om de reis. En je hoopt maar dat het je iets leert over God, onderweg, al kan het zijn dat je er onderweg maar weinig bij voelt. Zo is dat met deze pelgrimage ook: op reis gaan met dit thema, zonder te weten waar naar toe die reis gaat. Je hoopt dat je iets zult leren van elkaar en  dat je zult leren hoe je tot vrede en grotere rechtvaardigheid komt."


Pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Als het thema van de pelgrimage deze jaren zo centraal staat binnen de Wereldraad van Kerken is het niet zo vreemd, dat bij het nadenken over actiemiddelen om het publiek te betrekken bij COP 21 ook gedacht is aan een fysieke pelgrimstocht naar Parijs. In een aantal buurlanden bestaan al concrete plannen om een dergelijke pelgrimstocht te houden. Sommige pelgrims willen gaan lopen, anderen houden meer van fietsen. Hoewel het initiatief vanuit de Wereldraad van Kerken afkomstig is, zijn bij een aantal initiatieven ook rooms-katholieke bisdommen en NGO's actief betrokken.
Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid kent verschillende doelen, zoals:
  • het uiten van grote bezorgdheid voor de toekomst van Gods wereld
  • het tonen van gezamenlijke, multireligieuze steun voor klimaatgerechtigheid
  • het oproepen tot het bereiken van een ambitieus resultaat tijdens de COP 21 onderhandelingen en daarna
  • het vertellen van geloofsverhalen waarom mensen gedreven zijn naar Parijs te lopen
  • het  bidden en bezinnen bij plaatsen van pijn en belofte onderweg

Engeland

In Engeland wordt er bijvoorbeeld over gedacht om in Canterbury te starten en dan grotendeels de Via Francigena, de oude pelgrimsweg van Canterbury naar Rome, te volgen  om uiteindelijk in Parijs uit te komen. Onderweg zou dan b.v. gereflecteerd kunnen worden bij gebieden die geregeld overstromen, windmolenparken en de vluchtelingenkampen bij Calais (klimaatvluchtelingen).
De fietspelgrimstocht is in tweeën geknipt. Van 29 tot en met 31 augustus 2015 fietsen de pelgrims van Londen naar Newhaven om de draad in december weer op te pakken en van Dieppe naar Parijs te rijden.

Duitsland

In Duitsland hebben de kerken de voorbereidingen voor een oecumenische pelgrimstocht voortvarend opgepakt. Katholieke bisdommen en evangelische landskerken en allerlei katholieke en protestantse organisaties werken daarbij nauw samen. In maart gaat zelfs een speciale website de lucht in.
De Duitsers hebben een globale route uitgezet die van Flensburg loopt via Trier en Metz naar Parijs. Als de pelgrims half september starten in Flensburg kunnen zij in twaalf weken naar Parijs lopen en op tijd aankomen voor de grote bijeenkomst op 6 december. Pelgrims hoeven niet de hele afstand te lopen. Mensen kunnen zich ook voor een of meerdere dagen aansluiten. Waarschijnlijk komt er ook nog een zuidelijke tak, die vanuit  München vertrekt en in Trier aanhaakt op de hoofdroute.
In deze maanden vinden er in de regio's waar de pelgrimstocht doorheen komt allerlei bijeenkomsten plaats om de pelgrimage voor te bereiden: het bepalen van de pleisterplaatsen (met etappes van ongeveer 20 kilometer); het vaststellen van de plaatsen van pijn en belofte, waar speciale bezinningsmomenten kunnen worden gehouden; het regelen van onderdak; het bedenken van avondprogramma's op de pleisterplaatsen e.d. De opkomst bij deze bijeenkomsten is verrassend goed. Daar zal zeker toe hebben bijgedragen, dat b.v. in Westfalen de preses van de Evangelische Kerk van Westfalen en de bisschoppen van Paderborn en Munster een gemeenschappelijke oproep hebben gedaan om mee te werken aan deze oecumenische pelgrimstocht.

Intermezzo: pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede

Het model van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid zou vragen kunnen oproepen als: is zo'n pelgrimage niet een protestdemonstratie in een religieus jasje? Instrumentaliseer je zo niet het pelgrimeren voor politieke doeleinden? En is dit wel een pelgrimage? Kenmerkend voor een pelgrimstocht of bedevaart is toch, dat het een individuele of collectieve tocht naar een heilige plaats is met het doel daar God of het heilige te ontmoeten?  Wat is er heilig aan Parijs als vergaderplaats voor COP21?
Een paar gedachten ten antwoord. Pelgrims hebben altijd verschillende motieven gehad om op pelgrimstocht te gaan. Niet iedereen ging voor eigen zielenheil of genezing op pad. Mensen ondernamen ook een pelgrimstocht voor de genezing van familieleden of anderen. Achterblijvers vroegen hen om onderweg en in het bedevaartsoord voor hen te bidden. Ook nu nog doen zelfs niet zo kerkelijke pelgrims die op weg zijn naar Santiago de Compostela de ervaring op, dat mensen die zij onderweg ontmoeten hen vragen straks voor hen te bidden of een kaars op te steken. De vredesbeweging Pax Christi is voortgekomen uit gebedskruistochten die kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk gehouden werden voor de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. Vaak gingen deze tochten naar bekende bedevaartsoorden als Lourdes, Vezelay of Rocamadour. Maar de tocht was zelf ook al een getuigenis - een teken van verzoening (en soms aanstoot) voor de mensen die men onderweg ontmoette.
Een belangrijk doel van elke pelgrimstocht is, dat mensen door de ontmoetingen met God en met de anderen, onderweg en op de heilige plaats, gesterkt worden om hun leven hernieuwd invulling te geven.

Brede opvatting

In hun boek 'To be a pilgrim' hanteren Barbara Butler en Jo White (2002) een breed begrip van pelgrimeren. Daaronder vallen niet alleen de tochten naar heilige plekken of erkende bedevaartsoorden, maar ook reizen naar elke bestemming, die betekenisvol is voor pelgrims, ja, zelfs de reizen zonder bestemming die Brandaan en andere Keltische monniken ondernamen. Ze wijden een hele sectie aan pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede en nemen daarin ervaringsverhalen op van vredeswerkers, ontwikkelingswerkers in de Derde Wereld en een reisverslag van een Anglicaanse bisschop in Palestina. Twee verhalen zijn voor ons onderwerp van bijzonder belang:
  • de pelgrimage tegen armoede, die Church Action on Poverty organiseerde van augustus tot oktober 1999. Pelgrims liepen van Iona naar Londen, van Holywell naar Cardiff en van St David's naar Cardiff. De startpunten zijn bekende Britse bedevaartsoorden, de eindbestemmingen de centra van politieke macht in Engeland en Wales. Het doel van de pelgrimage was aandacht te vragen voor de uitroeiing van armoede in het Verenigd Koninkrijk in 2020. "Zeven mensen begonnen vanaf Iona, waaronder een werkloze, en duizenden voegden zich onderweg bij hen, waarmee het mogelijk de grootste anti-armoede demonstratie werd sinds de mars van Jarrow naar Londen in 1936. De pelgrims werden onderweg onthaald met muziek, bijeenkomsten en toespraken. In de plaatsen waar zij langs kwamen werden armoedeproblemen aan de orde gesteld, die soms onbekend waren voor de gewone bezoekers. Ze kampeerden onderweg, of overnachtten in parochiezaaltjes of zelfs kerkgebouwen."( p. 219)
  • onder het motto 'wandel lokaal en denk globaal' werd als onderdeel van een weekend over de wereldarmoede in Yorkshire een wandeling georganiseerd. De deelnemers luisterden onderweg naar korte verhalen over de lokale geschiedenis, afgewisseld met meditaties over mensen die wereldwijd in armoede leven.

Recent voorbeeld


Een meer recent voorbeeld is de pelgrimage voor vrede en gerechtigheid die in 2013 in Groot-Brittannië werd gehouden tegen de aanschaf van nieuwe Trident-kernraketten. Het idee hiervoor ontstond tijdens een interreligieuze dienst in Hexham. De pelgrimage startte met Pinksteren 2013 (zondag 19 mei) op Iona en eindigde op Trafalgar Square op zaterdag 20 juli 2013. De tocht bood aan lokale kerken en vredesgroepen talrijke mogelijkheden om in de plaatselijke pers de kwestie van de Trident-raketten en bredere kwesties van sociale en economische gerechtigheid aan de orde te stellen.
Maar de organisatoren benadrukten bovenal, dat "de pelgrimage een gelegenheid biedt om ons gemeenschappelijk menszijn te bevestigen en te vieren: om met elkaar onderweg voedsel te delen, kameraadschap, bemoediging, verhalen en muziek, vreugde te midden van grimmigheid - onze visie van een eerlijker, meer genereuze toekomst voor iedereen, gebaseerd op samenwerking en onderlinge steun in plaats van het voortbestaan van de meest aangepasten of de rijksten."

Een Nederlandse pelgrimage voor klimaatgerechtigheid?

Sinds begin dit jaar komen ook in Nederland enige kerkelijke organisaties en NGO's op het gebied van milieu en ontwikkelingssamenwerking bijeen om plannen te maken voor activiteiten op weg naar COP21. Daarbij kan je zowel denken aan activiteiten om het publiek te mobiliseren als lobbyen bij politici. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid behoort ook tot de mogelijkheden, maar niet alle protestanten lopen warm voor een pelgrimstocht. Luther en Calvijn moesten in hun tijd niets van pelgrimeren hebben en hebben de bedevaarten, waar ze dat konden, zo snel mogelijk afgeschaft. Die erfenis raak je niet zo snel kwijt. Toch hoop ik dat het gaat lukken. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid biedt een unieke kans om spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid met elkaar te verenigen. De toekomst van de aarde is dat wel waard. De tijd tikt door, maar de voorbeelden uit het buitenland geven ook praktische suggesties om hier inhoud aan de pelgrimage te geven. Het aardige is, dat dit model een raamwerk biedt, dat lokaal verder ingevuld kan worden. Wat zijn in onze buurt interessante plaatsen van pijn en belofte (hoop) op het gebied van klimaatgerechtigheid en duurzaamheid? Wat zijn interessante initiatieven of groepen om hierbij te betrekken? Kunnen we de moskeeën en andere religies hierbij betrekken?
Het lijkt me ook een uitdaging om deze pelgrimstocht een echte pelgrimstocht laten zijn door ook aandacht te besteden aan gebed en spiritualiteit. Een pelgrimsboekje met allerlei teksten en gebeden zou hierbij behulpzaam kunnen zijn. Zo'n boekje zou ook een rol kunnen spelen bij bijeenkomsten rond de pelgrimage of in kerkelijke gemeenschappen, die niet aan de route liggen maar toch in gebed en met andere activiteiten willen meedoen.



Gebruikte literatuur:

Barbara Butler en Jo White (red), To be a pilgrim. A comprehensive guide, Kevin Mayhew Ltd, Buxhall, 2002

dinsdag 3 februari 2015

Een theologie van pelgrimeren

Op 16 januari 2015 hield Peter Schmidt de oecumenelezing 2015 in Utrecht. Die was gewijd aan het thema pelgrimeren vanwege de 'Pelgrimage van gerechtigheid en vrede' van de Wereldraad van Kerken. Schmidt bekende zelf weinig praktische ervaring met pelgrimeren en bedevaarten te hebben. Des te meer is hij thuis in Bijbel en theologie. Dat leidde tot een benadering van 'pelgrimeren', die dieper ging dan het weergeven van de wederwaardigheden tijdens een tocht naar een welbepaald heiligdom. Hij wilde vooral de theologische dimensie van pelgrimeren verkennen.

Het aanvaarden van de vreemdheid

Voor Abraham betekende de lange tocht niet enkel een fysiek wegtrekken uit Haran naar het onbekende Kanaän, aldus Schmidt. In het licht van zijn vertrouwensavontuur met zijn God was de tocht ook een wegtrekken uit zijn vertrouwde beeld van wie en wat God was. En Als Abraham dacht, dat hij het nu wel begreep, ging de ontlediging telkens een stap verder. Totdat God hem zelfs vroeg zijn dierbaarste zoon op te geven (Gen. 22). Dit hoofdstuk is volgens Schmidt het eerste hoofdstuk in de bijbel waar iemand God God laat zijn, en elk zelfgemaakt beeld van God achter zich laat. “Gód zal voorzien” - niet mijn beeld van God, niet mijn idee van hoe God zou moeten zijn om goed over te komen. Met Abraham begint wat eeuwen later de eerste zaligspreking zal worden: de armoede van geest, de enige plek waar we God kunnen vinden. De armoede die we niet zelf kozen of programmeerden, maar die er komt omdat ons zoveel vertrouwde dingen uit handen worden geslagen.
Diezelfde beweging komen we ook tegen in andere bijbelverhalen (exodus, ballingschap, Jezus in de evangelies, Paulus). Schmidt ziet dat als het eerste basiskenmerk van pelgrimeren: het aanvaarden van de vreemdheid. "De woorden pelgrim en pelgrimage stammen van het Latijnse woord peregrinus, peregrinare. Daarin steken de elementen ‘per’ en ‘ager, agri’: peregrineren is door de akkers en velden trekken. De Latijnse betekenis is eigenlijk niet die van bedevaarder, maar van ‘vreemdeling’. In de Latijnse Vulgaatvertaling van Hiëronymus wordt in de Thora de vreemdeling steevast met peregrinus weergegeven. Dat is een belangrijke associatie. Wie pelgrim is, wordt allereerst voor een tijd vreemdeling. Je hebt het vertrouwde verlaten, je bent niet meer thuis. Maar daarover klonk ook een woord in de Thora: Je moet de vreemdeling goed behandelen want je bent het zelf geweest. Dat komt eigenlijk neer op wat de Bergrede eeuen later zal formuleren: behandel de ander zoals je zou verlangen dat hij jou behandelt. Het is, dat weten wij, in Jezus’ ogen de samenvatting zelf van de hele Thora en profeten."


De weg en de bestemming

Als tweede basiskenmerkt ziet Schmidt de paradoxale relatie tussen de tocht en de bestemming.
Het denken over de aard van de bestemming is vandaag een van de grootste uitdagingen aan ons geloof. Schmidt: "Tot voor kort was de bestemming, ook al konden we er geen echt beeld van vormen, voor alle gelovigen duidelijk. Het was de hemel, in elk geval een werkelijkheid elders, en na de dood. Het ging uiteindelijk helemaal niet om deze wereld. Het wezenlijke lag jenseits, het diesseits was per slot van rekening bijzaak. En toch bestond ook hier de onopgeloste paradox, want het korte diesseits besliste toch over je eeuwige bestemming, hemel of hel! De vraag die zich daarbij toen al stelde, maar nu veel acuter dan toen, is deze: is alle inzet voor de wereld dan uiteindelijk slechts een tijdpassering, vermits het toch allemaal vergaat? Is het niets anders dan een oefening, een tentamen dat eigenlijk even goed een ander had kunnen zijn? Was het niet de reden waarom de kerken zowel de grote armoede als de schandalige rijkdom onder de wil van God konden catalogeren? De armen hadden hier voor een korte tijd pech, de rijken troffen het, maar na de dood zou God de lat gelijk leggen, bijvoorbeeld met een langer vagevuur voor de rijken… Wat is dan de verhouding tussen inzet voor een betere wereld (onze tocht) en de bestemming? " Kortom, als alles gaat om de eindbestemming, wat doe je dan nog onderweg?
Maar het benadrukken van het onderweg zijn en de tocht belangrijker vinden dan de bstemming is ook niet zonder problemen: "Is niet alles wat men vandaag hoort, ook in kerkelijke verkondiging, gericht op het beter maken van de wereld? Meer gezondheid, minder armoede, meer gerechtigheid, meer vrede…? Is de bedoeling niet dat we van de wereld a better place maken, waar het voor zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk toeven is? Maar is de andere kant van deze medaille, of liever een natuurlijk uitvloeisel van dit streven dan niet dat het verlangen om deze wereld voor een andere te ruilen gaat eroderen? Waarom nog een andere wereld? En is die er wel? "

Schmidt ziet de oplossing voor deze paradox in de taal van Mt 25,31vv. en 1 Kor 13. Deze taal zegt: agapè, dat moet de tocht én de bestemming zijn. God is agapè, zal de auteur van de Eerste Johannesbrief schrijven. We weten niet waar onze hoop concreet op gericht staat. Eén ding weten we wel met zekerheid: we kùnnen niet blijven staan; we moeten altijd weer onze tent opbreken. De tocht is essentieel, want anders is er geen aankomstplek. De tocht is binnenwerelds en kan niet anders dan binnenwerelds zijn, en we moeten ons tot bloedens toe voor meer gerechtigheid, meer vrede inzetten. Aan de bestemming kunnen we niet bouwen, wel aan de weg.
Met de liefde als tocht én bestemming legt Schmidt theologisch een stevig verband tussen pelgrimeren en diaconie/caritas. Dat is een mooie aanvulling op een eerdere blog over pelgrimeren en diaconie.

Toetje: Pelgrimage vanuit de verbeelding

Schmidt is ook de auteur van een boek over 2000 jaar Christus in kunst en cultuur. De uitnodiging voor de oecumenelezing beloofde tevens een kunstzinnige en cultuur-analytische benadering van pelgrimeren. De kunst kwam evenwel wat minder aan bod dan verwacht.  Schmidt toonde alleen het Lam Gods van de gebroeders Van Eijck. De hoofdvoorstelling is ontleend aan de Apocalyps en toont een hemelse liturgie rond het Lam Gods. Opvallend is de Domtoren van Utrecht, die deel uitmaakt van het Hemelse Jeruzalem (een toevoeging van Jan van Scorel?). Van overal vandaan komen mensen hier naar toe. Op de zijpanelen staan verschillende groepen mensen, links de politici (de rechtvaardige rechters) en de ridders van Christus (kruisvaarders en gekroonde hoofden), rechts de kluizenaars en de pelgrims.

Als we wat meer inzoomen op het rechterpaneel, dan zien we dat de stoet pelgrims wordt aangevoerd door een reusachtige Christoffel, de beschermheilige van de reizigers. Achter hem loopt een pelgrim die de insignes van de drie grote pelgrimages op zijn kleding draagt. Op zijn hoed herkennen we de tekens van Jeruzalem (Kalvarieberg) en Compostela (Jacobsschelp). Op zijn mantel wordt Rome aangeduid door een perkamenten 'brieveken van Veronike' met een geschilderd beeld van het Heilig Aanschijn. Als symbool van de Romebedevaart volstond de Veronike. Van Eijk heeft de sleutels van de Heilige Stad er niet bijgevoegd. De drie pelgrimstekens vormen een weloverwogen en sprekende synthese van het pelgrimeren in de samenvoeging van de drie allergrootste pelgrimages van de christenheid.