vrijdag 27 februari 2015

Dromen van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Al gehoord van COP 21 Parijs? Nee? Tot voor enige dagen zei het mij ook niets. 'COP 21 Parijs' blijkt te staan voor 21e Conference of Parties. Eind 2015 komen gedelegeerden uit bijna alle landen in Parijs bijeen voor de volgende klimaatconferentie van de VN. Er moet een vervolg komen op het zogenaamde Kyoto-protocol uit 1997. Je kan dan denken aan afspraken over het snel verminderen van de CO2-uitstoot, het vergroten van de gezamenlijke weerbaarheid tegen klimaatverandering en de financiering van activiteiten daarvoor in de ontwikkelingslanden door de rijke landen. En dat alles om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Dat is niet alleen een economische en politieke noodzakelijkheid, maar ook een morele en ethische kwestie. Om die reden willen christelijke kerken en andere religies in de komende tijd tal van activiteiten organiseren om aandacht te vragen voor het klimaatvraagstuk. Ongetwijfeld zal dit onderwerp ook een rol spelen in de encycliek over de schepping, die paus Franciscus deze zomer uitbrengt.

Pelgrimage van gerechtigheid en vrede

De Wereldraad van Kerken heeft in 2013 besloten om de jaren tot aan de volgende Assemblee in 2021 te typeren als een 'pelgrimage van gerechtigheid en vrede'.  De pelgrimage fungeert als een soort paraplubegrip voor al haar activiteiten, zoals het conciliair proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping dat deed eind jaren tachtig. Het begrip is stevig verankerd in het christelijk geloof. "Onafhankelijk van onze confessie of denominatie," aldus de Wereldraad, "is ons begrip als christenen dat het leven een pelgrimage is, geleid naar een beloofd doel door en met God." De pelgrimage dus als metafoor voor de levensweg, Het onderweg zijn staat dan ook voorop: "Als medepelgrims reizen we samen, elkaar kennend en elkaars kwetsbaarheid beschermend, elkaar gastvrijheid verlenend en genade, en luisterend naar elkaar, bereid om risico's te nemen en we besluiten samen welke nieuwe terreinen we binnentrekken."
Of zoals Fernando Enns zegt op de website van de Raad van Kerken: "Bedoeling van deze pelgrimage is kerken uit te nodigen bewust te worden van de spirituele wortels die je drijven tot het werken aan vrede en recht. De vraag naar waar de pelgrimage naar toe gaat... de bedoeling is nu juist dat je gewoon op weg gaat, op reis  zonder van te voren te weten hoe de reis verloopt, of waar  je precies uitkomt. Dat is juist een diepe spiritualiteit. Een fysieke pelgrimage onderneem je ook niet perse voor het doel, het gaat om de reis. En je hoopt maar dat het je iets leert over God, onderweg, al kan het zijn dat je er onderweg maar weinig bij voelt. Zo is dat met deze pelgrimage ook: op reis gaan met dit thema, zonder te weten waar naar toe die reis gaat. Je hoopt dat je iets zult leren van elkaar en  dat je zult leren hoe je tot vrede en grotere rechtvaardigheid komt."


Pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Als het thema van de pelgrimage deze jaren zo centraal staat binnen de Wereldraad van Kerken is het niet zo vreemd, dat bij het nadenken over actiemiddelen om het publiek te betrekken bij COP 21 ook gedacht is aan een fysieke pelgrimstocht naar Parijs. In een aantal buurlanden bestaan al concrete plannen om een dergelijke pelgrimstocht te houden. Sommige pelgrims willen gaan lopen, anderen houden meer van fietsen. Hoewel het initiatief vanuit de Wereldraad van Kerken afkomstig is, zijn bij een aantal initiatieven ook rooms-katholieke bisdommen en NGO's actief betrokken.
Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid kent verschillende doelen, zoals:
  • het uiten van grote bezorgdheid voor de toekomst van Gods wereld
  • het tonen van gezamenlijke, multireligieuze steun voor klimaatgerechtigheid
  • het oproepen tot het bereiken van een ambitieus resultaat tijdens de COP 21 onderhandelingen en daarna
  • het vertellen van geloofsverhalen waarom mensen gedreven zijn naar Parijs te lopen
  • het  bidden en bezinnen bij plaatsen van pijn en belofte onderweg

Engeland

In Engeland wordt er bijvoorbeeld over gedacht om in Canterbury te starten en dan grotendeels de Via Francigena, de oude pelgrimsweg van Canterbury naar Rome, te volgen  om uiteindelijk in Parijs uit te komen. Onderweg zou dan b.v. gereflecteerd kunnen worden bij gebieden die geregeld overstromen, windmolenparken en de vluchtelingenkampen bij Calais (klimaatvluchtelingen).
De fietspelgrimstocht is in tweeën geknipt. Van 29 tot en met 31 augustus 2015 fietsen de pelgrims van Londen naar Newhaven om de draad in december weer op te pakken en van Dieppe naar Parijs te rijden.

Duitsland

In Duitsland hebben de kerken de voorbereidingen voor een oecumenische pelgrimstocht voortvarend opgepakt. Katholieke bisdommen en evangelische landskerken en allerlei katholieke en protestantse organisaties werken daarbij nauw samen. In maart gaat zelfs een speciale website de lucht in.
De Duitsers hebben een globale route uitgezet die van Flensburg loopt via Trier en Metz naar Parijs. Als de pelgrims half september starten in Flensburg kunnen zij in twaalf weken naar Parijs lopen en op tijd aankomen voor de grote bijeenkomst op 6 december. Pelgrims hoeven niet de hele afstand te lopen. Mensen kunnen zich ook voor een of meerdere dagen aansluiten. Waarschijnlijk komt er ook nog een zuidelijke tak, die vanuit  München vertrekt en in Trier aanhaakt op de hoofdroute.
In deze maanden vinden er in de regio's waar de pelgrimstocht doorheen komt allerlei bijeenkomsten plaats om de pelgrimage voor te bereiden: het bepalen van de pleisterplaatsen (met etappes van ongeveer 20 kilometer); het vaststellen van de plaatsen van pijn en belofte, waar speciale bezinningsmomenten kunnen worden gehouden; het regelen van onderdak; het bedenken van avondprogramma's op de pleisterplaatsen e.d. De opkomst bij deze bijeenkomsten is verrassend goed. Daar zal zeker toe hebben bijgedragen, dat b.v. in Westfalen de preses van de Evangelische Kerk van Westfalen en de bisschoppen van Paderborn en Munster een gemeenschappelijke oproep hebben gedaan om mee te werken aan deze oecumenische pelgrimstocht.

Intermezzo: pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede

Het model van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid zou vragen kunnen oproepen als: is zo'n pelgrimage niet een protestdemonstratie in een religieus jasje? Instrumentaliseer je zo niet het pelgrimeren voor politieke doeleinden? En is dit wel een pelgrimage? Kenmerkend voor een pelgrimstocht of bedevaart is toch, dat het een individuele of collectieve tocht naar een heilige plaats is met het doel daar God of het heilige te ontmoeten?  Wat is er heilig aan Parijs als vergaderplaats voor COP21?
Een paar gedachten ten antwoord. Pelgrims hebben altijd verschillende motieven gehad om op pelgrimstocht te gaan. Niet iedereen ging voor eigen zielenheil of genezing op pad. Mensen ondernamen ook een pelgrimstocht voor de genezing van familieleden of anderen. Achterblijvers vroegen hen om onderweg en in het bedevaartsoord voor hen te bidden. Ook nu nog doen zelfs niet zo kerkelijke pelgrims die op weg zijn naar Santiago de Compostela de ervaring op, dat mensen die zij onderweg ontmoeten hen vragen straks voor hen te bidden of een kaars op te steken. De vredesbeweging Pax Christi is voortgekomen uit gebedskruistochten die kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk gehouden werden voor de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. Vaak gingen deze tochten naar bekende bedevaartsoorden als Lourdes, Vezelay of Rocamadour. Maar de tocht was zelf ook al een getuigenis - een teken van verzoening (en soms aanstoot) voor de mensen die men onderweg ontmoette.
Een belangrijk doel van elke pelgrimstocht is, dat mensen door de ontmoetingen met God en met de anderen, onderweg en op de heilige plaats, gesterkt worden om hun leven hernieuwd invulling te geven.

Brede opvatting

In hun boek 'To be a pilgrim' hanteren Barbara Butler en Jo White (2002) een breed begrip van pelgrimeren. Daaronder vallen niet alleen de tochten naar heilige plekken of erkende bedevaartsoorden, maar ook reizen naar elke bestemming, die betekenisvol is voor pelgrims, ja, zelfs de reizen zonder bestemming die Brandaan en andere Keltische monniken ondernamen. Ze wijden een hele sectie aan pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede en nemen daarin ervaringsverhalen op van vredeswerkers, ontwikkelingswerkers in de Derde Wereld en een reisverslag van een Anglicaanse bisschop in Palestina. Twee verhalen zijn voor ons onderwerp van bijzonder belang:
  • de pelgrimage tegen armoede, die Church Action on Poverty organiseerde van augustus tot oktober 1999. Pelgrims liepen van Iona naar Londen, van Holywell naar Cardiff en van St David's naar Cardiff. De startpunten zijn bekende Britse bedevaartsoorden, de eindbestemmingen de centra van politieke macht in Engeland en Wales. Het doel van de pelgrimage was aandacht te vragen voor de uitroeiing van armoede in het Verenigd Koninkrijk in 2020. "Zeven mensen begonnen vanaf Iona, waaronder een werkloze, en duizenden voegden zich onderweg bij hen, waarmee het mogelijk de grootste anti-armoede demonstratie werd sinds de mars van Jarrow naar Londen in 1936. De pelgrims werden onderweg onthaald met muziek, bijeenkomsten en toespraken. In de plaatsen waar zij langs kwamen werden armoedeproblemen aan de orde gesteld, die soms onbekend waren voor de gewone bezoekers. Ze kampeerden onderweg, of overnachtten in parochiezaaltjes of zelfs kerkgebouwen."( p. 219)
  • onder het motto 'wandel lokaal en denk globaal' werd als onderdeel van een weekend over de wereldarmoede in Yorkshire een wandeling georganiseerd. De deelnemers luisterden onderweg naar korte verhalen over de lokale geschiedenis, afgewisseld met meditaties over mensen die wereldwijd in armoede leven.

Recent voorbeeld


Een meer recent voorbeeld is de pelgrimage voor vrede en gerechtigheid die in 2013 in Groot-Brittannië werd gehouden tegen de aanschaf van nieuwe Trident-kernraketten. Het idee hiervoor ontstond tijdens een interreligieuze dienst in Hexham. De pelgrimage startte met Pinksteren 2013 (zondag 19 mei) op Iona en eindigde op Trafalgar Square op zaterdag 20 juli 2013. De tocht bood aan lokale kerken en vredesgroepen talrijke mogelijkheden om in de plaatselijke pers de kwestie van de Trident-raketten en bredere kwesties van sociale en economische gerechtigheid aan de orde te stellen.
Maar de organisatoren benadrukten bovenal, dat "de pelgrimage een gelegenheid biedt om ons gemeenschappelijk menszijn te bevestigen en te vieren: om met elkaar onderweg voedsel te delen, kameraadschap, bemoediging, verhalen en muziek, vreugde te midden van grimmigheid - onze visie van een eerlijker, meer genereuze toekomst voor iedereen, gebaseerd op samenwerking en onderlinge steun in plaats van het voortbestaan van de meest aangepasten of de rijksten."

Een Nederlandse pelgrimage voor klimaatgerechtigheid?

Sinds begin dit jaar komen ook in Nederland enige kerkelijke organisaties en NGO's op het gebied van milieu en ontwikkelingssamenwerking bijeen om plannen te maken voor activiteiten op weg naar COP21. Daarbij kan je zowel denken aan activiteiten om het publiek te mobiliseren als lobbyen bij politici. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid behoort ook tot de mogelijkheden, maar niet alle protestanten lopen warm voor een pelgrimstocht. Luther en Calvijn moesten in hun tijd niets van pelgrimeren hebben en hebben de bedevaarten, waar ze dat konden, zo snel mogelijk afgeschaft. Die erfenis raak je niet zo snel kwijt. Toch hoop ik dat het gaat lukken. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid biedt een unieke kans om spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid met elkaar te verenigen. De toekomst van de aarde is dat wel waard. De tijd tikt door, maar de voorbeelden uit het buitenland geven ook praktische suggesties om hier inhoud aan de pelgrimage te geven. Het aardige is, dat dit model een raamwerk biedt, dat lokaal verder ingevuld kan worden. Wat zijn in onze buurt interessante plaatsen van pijn en belofte (hoop) op het gebied van klimaatgerechtigheid en duurzaamheid? Wat zijn interessante initiatieven of groepen om hierbij te betrekken? Kunnen we de moskeeën en andere religies hierbij betrekken?
Het lijkt me ook een uitdaging om deze pelgrimstocht een echte pelgrimstocht laten zijn door ook aandacht te besteden aan gebed en spiritualiteit. Een pelgrimsboekje met allerlei teksten en gebeden zou hierbij behulpzaam kunnen zijn. Zo'n boekje zou ook een rol kunnen spelen bij bijeenkomsten rond de pelgrimage of in kerkelijke gemeenschappen, die niet aan de route liggen maar toch in gebed en met andere activiteiten willen meedoen.



Gebruikte literatuur:

Barbara Butler en Jo White (red), To be a pilgrim. A comprehensive guide, Kevin Mayhew Ltd, Buxhall, 2002

dinsdag 3 februari 2015

Een theologie van pelgrimeren

Op 16 januari 2015 hield Peter Schmidt de oecumenelezing 2015 in Utrecht. Die was gewijd aan het thema pelgrimeren vanwege de 'Pelgrimage van gerechtigheid en vrede' van de Wereldraad van Kerken. Schmidt bekende zelf weinig praktische ervaring met pelgrimeren en bedevaarten te hebben. Des te meer is hij thuis in Bijbel en theologie. Dat leidde tot een benadering van 'pelgrimeren', die dieper ging dan het weergeven van de wederwaardigheden tijdens een tocht naar een welbepaald heiligdom. Hij wilde vooral de theologische dimensie van pelgrimeren verkennen.

Het aanvaarden van de vreemdheid

Voor Abraham betekende de lange tocht niet enkel een fysiek wegtrekken uit Haran naar het onbekende Kanaän, aldus Schmidt. In het licht van zijn vertrouwensavontuur met zijn God was de tocht ook een wegtrekken uit zijn vertrouwde beeld van wie en wat God was. En Als Abraham dacht, dat hij het nu wel begreep, ging de ontlediging telkens een stap verder. Totdat God hem zelfs vroeg zijn dierbaarste zoon op te geven (Gen. 22). Dit hoofdstuk is volgens Schmidt het eerste hoofdstuk in de bijbel waar iemand God God laat zijn, en elk zelfgemaakt beeld van God achter zich laat. “Gód zal voorzien” - niet mijn beeld van God, niet mijn idee van hoe God zou moeten zijn om goed over te komen. Met Abraham begint wat eeuwen later de eerste zaligspreking zal worden: de armoede van geest, de enige plek waar we God kunnen vinden. De armoede die we niet zelf kozen of programmeerden, maar die er komt omdat ons zoveel vertrouwde dingen uit handen worden geslagen.
Diezelfde beweging komen we ook tegen in andere bijbelverhalen (exodus, ballingschap, Jezus in de evangelies, Paulus). Schmidt ziet dat als het eerste basiskenmerk van pelgrimeren: het aanvaarden van de vreemdheid. "De woorden pelgrim en pelgrimage stammen van het Latijnse woord peregrinus, peregrinare. Daarin steken de elementen ‘per’ en ‘ager, agri’: peregrineren is door de akkers en velden trekken. De Latijnse betekenis is eigenlijk niet die van bedevaarder, maar van ‘vreemdeling’. In de Latijnse Vulgaatvertaling van Hiëronymus wordt in de Thora de vreemdeling steevast met peregrinus weergegeven. Dat is een belangrijke associatie. Wie pelgrim is, wordt allereerst voor een tijd vreemdeling. Je hebt het vertrouwde verlaten, je bent niet meer thuis. Maar daarover klonk ook een woord in de Thora: Je moet de vreemdeling goed behandelen want je bent het zelf geweest. Dat komt eigenlijk neer op wat de Bergrede eeuen later zal formuleren: behandel de ander zoals je zou verlangen dat hij jou behandelt. Het is, dat weten wij, in Jezus’ ogen de samenvatting zelf van de hele Thora en profeten."


De weg en de bestemming

Als tweede basiskenmerkt ziet Schmidt de paradoxale relatie tussen de tocht en de bestemming.
Het denken over de aard van de bestemming is vandaag een van de grootste uitdagingen aan ons geloof. Schmidt: "Tot voor kort was de bestemming, ook al konden we er geen echt beeld van vormen, voor alle gelovigen duidelijk. Het was de hemel, in elk geval een werkelijkheid elders, en na de dood. Het ging uiteindelijk helemaal niet om deze wereld. Het wezenlijke lag jenseits, het diesseits was per slot van rekening bijzaak. En toch bestond ook hier de onopgeloste paradox, want het korte diesseits besliste toch over je eeuwige bestemming, hemel of hel! De vraag die zich daarbij toen al stelde, maar nu veel acuter dan toen, is deze: is alle inzet voor de wereld dan uiteindelijk slechts een tijdpassering, vermits het toch allemaal vergaat? Is het niets anders dan een oefening, een tentamen dat eigenlijk even goed een ander had kunnen zijn? Was het niet de reden waarom de kerken zowel de grote armoede als de schandalige rijkdom onder de wil van God konden catalogeren? De armen hadden hier voor een korte tijd pech, de rijken troffen het, maar na de dood zou God de lat gelijk leggen, bijvoorbeeld met een langer vagevuur voor de rijken… Wat is dan de verhouding tussen inzet voor een betere wereld (onze tocht) en de bestemming? " Kortom, als alles gaat om de eindbestemming, wat doe je dan nog onderweg?
Maar het benadrukken van het onderweg zijn en de tocht belangrijker vinden dan de bstemming is ook niet zonder problemen: "Is niet alles wat men vandaag hoort, ook in kerkelijke verkondiging, gericht op het beter maken van de wereld? Meer gezondheid, minder armoede, meer gerechtigheid, meer vrede…? Is de bedoeling niet dat we van de wereld a better place maken, waar het voor zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk toeven is? Maar is de andere kant van deze medaille, of liever een natuurlijk uitvloeisel van dit streven dan niet dat het verlangen om deze wereld voor een andere te ruilen gaat eroderen? Waarom nog een andere wereld? En is die er wel? "

Schmidt ziet de oplossing voor deze paradox in de taal van Mt 25,31vv. en 1 Kor 13. Deze taal zegt: agapè, dat moet de tocht én de bestemming zijn. God is agapè, zal de auteur van de Eerste Johannesbrief schrijven. We weten niet waar onze hoop concreet op gericht staat. Eén ding weten we wel met zekerheid: we kùnnen niet blijven staan; we moeten altijd weer onze tent opbreken. De tocht is essentieel, want anders is er geen aankomstplek. De tocht is binnenwerelds en kan niet anders dan binnenwerelds zijn, en we moeten ons tot bloedens toe voor meer gerechtigheid, meer vrede inzetten. Aan de bestemming kunnen we niet bouwen, wel aan de weg.
Met de liefde als tocht én bestemming legt Schmidt theologisch een stevig verband tussen pelgrimeren en diaconie/caritas. Dat is een mooie aanvulling op een eerdere blog over pelgrimeren en diaconie.

Toetje: Pelgrimage vanuit de verbeelding

Schmidt is ook de auteur van een boek over 2000 jaar Christus in kunst en cultuur. De uitnodiging voor de oecumenelezing beloofde tevens een kunstzinnige en cultuur-analytische benadering van pelgrimeren. De kunst kwam evenwel wat minder aan bod dan verwacht.  Schmidt toonde alleen het Lam Gods van de gebroeders Van Eijck. De hoofdvoorstelling is ontleend aan de Apocalyps en toont een hemelse liturgie rond het Lam Gods. Opvallend is de Domtoren van Utrecht, die deel uitmaakt van het Hemelse Jeruzalem (een toevoeging van Jan van Scorel?). Van overal vandaan komen mensen hier naar toe. Op de zijpanelen staan verschillende groepen mensen, links de politici (de rechtvaardige rechters) en de ridders van Christus (kruisvaarders en gekroonde hoofden), rechts de kluizenaars en de pelgrims.

Als we wat meer inzoomen op het rechterpaneel, dan zien we dat de stoet pelgrims wordt aangevoerd door een reusachtige Christoffel, de beschermheilige van de reizigers. Achter hem loopt een pelgrim die de insignes van de drie grote pelgrimages op zijn kleding draagt. Op zijn hoed herkennen we de tekens van Jeruzalem (Kalvarieberg) en Compostela (Jacobsschelp). Op zijn mantel wordt Rome aangeduid door een perkamenten 'brieveken van Veronike' met een geschilderd beeld van het Heilig Aanschijn. Als symbool van de Romebedevaart volstond de Veronike. Van Eijk heeft de sleutels van de Heilige Stad er niet bijgevoegd. De drie pelgrimstekens vormen een weloverwogen en sprekende synthese van het pelgrimeren in de samenvoeging van de drie allergrootste pelgrimages van de christenheid.

donderdag 13 november 2014

Een inspirerende Ronde van Ierland

Op verzoek van Geert van Dartel heb ik voor de website van de Katholieke Vereniging voor Oecumene een recensie geschreven van het nieuwe boek van Annemarie Latour en Frank Bosman, 'Pelgrimage van smaragd.' Ik plaats hier dezelfde tekst met een paar extra links.

De beproeving van Lough Derg


 Een van Europa’s meest extreme pelgrimsoorden ligt op een klein eilandje in een meer, Lough Derg, in het Ierse graafschap Donegal. Het is moeilijk bereikbaar, zeker voor mensen zonder eigen vervoer. Die worden aangeraden om een taxi te nemen vanaf het dorp Pettigo, een rit van ongeveer zes kilometer. Het laatste stukje reis is voor iedere bezoeker gelijk. Een bootje zet je over naar Station Island, een van de 46 eilandjes in Lough Derg. Het eiland staat ook wel bekend als ‘St Patrick’s Purgatory’ ofwel ‘het vagevuur van St Patrick’. St Patrick is de patroonheilige van Ierland en een van de drie grote Keltische heiligen. St Columba en St Brigid zijn de andere twee.  Volgens de overlevering zou St Patrick op een van de andere eilandjes in het meer een visioen hebben gehad van het vagevuur, toen hij daar enige tijd in een grot verbleef. Dat is een toepasselijke plek voor een dergelijk visioen. In de Keltische mythologie is een grot van oudsher een van de plekken waar onze fysieke wereld en de onderwereld van de geesten en de elfen (‘het kleine volkje’) elkaar raken. Een goede  plek dus om een visioen te hebben over een passage naar de andere wereld van het vagevuur. De overlevering wil ook, dat op dit eiland, Saint’s Island, een klooster werd gesticht en een leerling van St Patrick, St Davog, daarvan de eerste abt werd. Daarvan zijn geen verdere bewijzen gevonden.

 
Dat is anders voor Station Island. Al bijna duizend jaar staat dit eiland bekend als een pelgrimsoord voor mensen die op zoek zijn naar boetedoening en vergeving. Het verblijf op Station Island is ook anno 2014 heel spartaans en ascetisch; boetedoening staat voorop. Daarmee is het een wat vreemde eend in de bijt van pelgrimsoorden. De tocht naar ‘St Patrick’s Purgatory’ wordt niet gemaakt, omdat op het eiland Christus heeft verbleven of Maria is verschenen, of omdat er een heilige is overleden of dat er relieken bewaard worden. Geen van deze klassieke redenen maakt Lough Derg tot een pelgrimsoord. Pelgrims komen hier naar toe omdat zij hier iets willen beleven: boetedoening, verzoening, bekering, healing. En soms ook wel uit nieuwsgierigheid. Want een glimp opvangen van het vagevuur of de onderwereld, overkomt je ook niet elke dag.

In de Middeleeuwen, van de twaalfde tot de zestiende eeuw, was Lough Derg een internationaal befaamd pelgrimsoord. Van heinde en ver kwamen er pelgrims op af, en onder hen nogal wat ridders. Na twee weken vasten en bidden en na de biecht te hebben afgelegd, werden ze overgeroeid naar het eiland met de grot. Eerst werd er een dodenmis voor de pelgrims opgedragen – het einde van hun leven tot nu toe. Dan gingen ze alleen de grot in en verbleven er 24 uur, geheel afgesloten van de buitenwereld. Je zou om minder visioenen van de hel en de hemel krijgen. Nogal wat pelgrims hebben hun ervaringen op schrift gezet of laten zetten. Een van de eerste verslagen is van de Ierse ridder  Owein, die in 1146 of 1147 in de grot verbleef. Zijn ervaringen werden rond 1185 gepubliceerd in een traktaat over St Patrick’s Pulgatory van de kroniekschrijver Hendrik van Saltrey. Maar er zijn ook beschrijvingen bekend van pelgrims uit Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië en Hongarije. Geleerden veronderstellen, dat Dante Alighieri zijn beschrijvingen van de hel, de louteringsberg (purgatorium of vagevuur) en de hemel in zijn Goddelijke Komedie heeft gebaseerd op deze verslagen.

Voor sommigen was het verblijf in de grot op Station Island een ingrijpende gebeurtenis, die hun leven veranderde. Nogal wat ridders legden nadien hun wapenrusting af en gingen het klooster in. Daarvan is zelfs een voorbeeld te vinden in Nederland. Het klooster Oostbroek bij Utrecht is rond 1120 gesticht door bisschop Godebald “met de hulp van een zekere ridder, die in de louteringsgrot van Saint Patrick was geweest,” aldus de kroniekschrijver Hendrik van Thabor in 1522. In een ander document worden als stichters van deze Laurensabdij zelfs twee ridders met name genoemd, Herman en Theoderik. Men veronderstelt nu, dat een van hen of beide in 1113 de pelgrimstocht naar Lough Derg hebben gemaakt.

Beeld van Patrick op Lough Derg
 
Tegenwoordig zijn er geen ridders meer die na een veldtocht op bedevaart gaan naar Lough Derg . Een verblijf op Station Island is ook niet zo zwaar als in de Middeleeuwen. Toch staat het driedaagse programma, dat moderne pelgrims tegenwoordig in de zomer (van 1 juni tot half augustus) kunnen volgen in ‘St Patrick’s Purgatory’ nog steeds in de oude traditie van boetedoening en ascese, die zo kenmerkend was voor het Keltische christendom. Het is daarmee ook een van de meest sobere en veeleisende pelgrimstochten in Europa.

Van de deelnemers wordt allereerst gevraagd dat zij de volledige drie dagen van het programma vasten. Daarmee moet je al begonnen zijn op de dag van aankomst en het vasten eindigt aan het eind van de derde dag. Slechts een keer per dag is er een maaltijd van zwarte thee of koffie, een haverkoekje en een geroosterde boterham.

Bij aankomst worden alle deelnemers verzocht hun schoenen en kousen uit te doen. Drie dagen lang zullen zij blootvoets op het eiland doorbrengen. Het programma wordt geopend met een gezamenlijke viering in de basiliek, waarin dank wordt gezegd voor  een behouden aankomst op het eiland. Daarna worden de deelnemers gevraagd om blootvoets biddend en mediterend over het eiland te lopen langs vijf gebedsstaties, die zijn gewijd aan Ierse heiligen, naast de grote drie ook Brendan en Catherine. De deelnemers  verzamelen zich vervolgens weer in de basiliek, waar ze wakend en biddend de nacht doorbrengen.

Tijdens de tweede dag vernieuwen de pelgrims hun doopbeloften, ontvangen het sacrament van de verzoening en biechten en lopen weer al biddend langs de verschillende gebedsstaties. Die avond mogen ze wel te bed gaan. De volgende ochtend wordt de eucharistie gevierd, krijgen de pelgrims hun kousen en schoenen terug en hebben ze nog een keer de gelegenheid om langs de gebedsstaties te lopen, zich te bezinnen op de ervaringen van deze driedaagse pelgrimage en zich voor te bereiden op een nieuwe start.

Net als andere pelgrimsoorden, ziet Lough Derg de bezoekersaantallen stijgen, en verrassenderwijs juist ook in de jongere leeftijdscategorieën. Tot de motieven om op bedevaart te gaan, behoort traditioneel ook boetedoening. En hoewel zonde, absolutie en boete cultureel uit de gratie zijn, trekt Lough Derg tamelijk wat mensen, die ontevreden zijn met hun levenswandel of in het reine willen komen met hun leven. De pelgrims hebben de ervaring, dat dit programma van ascese en boetedoening zowel lichaam als ziel reinigt, hen het comfort van het dagelijkse leven meer doet waarderen en hen er tegelijk van bewust maakt dat elders in de wereld mensen dagelijks zonder eten en een goed onderkomen moeten leven.
 
Bronnen

Ian Bradley, Pilgrimage. A spiritual and cultural journey, Oxford, 2009

Andrew Jones, Pilgrimage. The journey to remembering our story, Abingdon, 2011

Gert Landman, Bilts Hoogkruis. Geschiedenis in steen, De Bilt, 2013

 

Pelgrimage van smaragd

Deze beschrijving van Lough Derg komt niet voor in het boek, dat Annemarie Latour en Frank Bosman onlangs hebben uitgebracht en dat zij als titel hebben meegegeven ‘Pelgrimage van smaragd. Een inspirerende route door Keltisch Ierland’. Zij beschrijven daarin twaalf bestemmingen, die gekleurd zijn door het Keltisch christendom, vertellen de verhalen van vroeger en brengen die in verband met hedendaagse culturele uitingen. De associaties zijn soms verrassend, met uitstapjes naar de wereld van de literatuur, film, role playing games en computerspellen. Ik weet niet, of ze overwogen hebben om Lough Derg in hun boek op te nemen. Van mij mogen ze dat in een volgende, uitgebreide tweede druk doen. Ik geef hen mijn bovenstaande schets cadeau en ben benieuwd hoe ze die dan verder zullen uitwerken. Er zitten enige beloftevolle thema’s in. Ik denk bijvoorbeeld aan de rol van boete en boetedoening in het Keltisch christendom, een aspect dat in veel hedendaagse boeken over dit onderwerp genegeerd of verwaarloosd wordt. Over de penitentieboeken en de uiteenlopende straffen voor mensen in verschillende maatschappelijke posities kunnen nog wel enige smeuïge en leerzame verhalen verteld worden. Een uitweiding over het vagevuur en de louteringsberg lijkt me ook niet te versmaden. En hoe gaan we tegenwoordig om met zonde, schuldbelijdenis en boete voor begane misdaden. Kan je nog wel schoon schip maken of blijven bepaalde misstappen je je hele leven achtervolgen? Kortom, Annemarie en Frank, hier ligt een mooie uitdaging.

 

Keltisch christendom


Maar voor zover het is, kunnen we genieten van dit boek. ‘Pelgrimage van smaragd’ bestaat feitelijk uit twee delen. Het eerste deel is een introductie van het Keltisch christendom aan de hand van een aantal thema’s. Latour en Bosman hebben een eigen synthese gemaakt uit de geraadpleegde literatuur. Ze komen tot de volgende kenmerken:

·         De ‘kracht van plaats’. Al in de voorchristelijke Keltische spiritualiteit was er sprake van ‘thin places’, plekken waar de sluier tussen onze wereld en de wereld van de geesten en de goden (onder- en bovenwereld) ragfijn was. Hemel en aarde raken daar elkaar. Ook nu nog wordt van Iona gezegd, dat het een ‘thin place’ is. Latour en Bosman verbinden hieraan het begrip ‘peregrinatio (pro Christo)’, de innerlijke en uiterlijke pelgrimstocht. In het Keltisch christendom nam de pelgrimage een belangrijke plek in. Talrijk zijn de verhalen over Ierse monniken die hun vertrouwde omgeving verlaten om op reis te gaan naar een heilige plek of naar hun ‘plaats van opstanding’, de plek waar hun ziel een thuis kon vinden, kortom een geschikte plek om te sterven.

·         Zielsverwantschap. De Ieren hadden een speciale vorm van geestelijke begeleiding, die ‘zielsverwantschap’ of ’anamchara’ werd genoemd. Geen biechtvader, maar wel iemand die eerlijk en oprecht tegen je is, en bij wie al je gedachten veilig zijn. Je koos je ‘zielenvriend’ ook uit en verbleef er soms een aantal jaren bij om dan weer verder te trekken. Het Keltische christendom kende geen echte dorpen of steden, maar soms wel grote kloostergemeenschappen. Vergeet daarbij de grote stenen complexen die we kennen van de Benedictijnse kloosters. Ierse kloosters waren verzamelingen van hutjes, werkplaatsen en een kleine kapel.

·         Aanwezigheid Gods. Voor Keltische christenen was God overal aanwezig: van de zon en de maan tot in de kleinste bloem en vogel. De schepping werd beschouwd als intrinsiek goed.

·         Verbeeldingskracht. Met hun gevoel voor de goedheid en schoonheid van de schepping werden ze als het ware medescheppers, aldus Latour en Bosman. Ze hebben oog voor het heilige om hen heen en brengen dat ook tot uiting. “Zij herkennen de kracht van het gesproken woord en de zegenende woorden die zij zelf kunnen uitspreken.” (p. 25) De Keltische hoogkruisen en evangelieboeken als het Book of Kells zijn hier ook uitingen van.

·         Eigenzinnigheid. De reisdrang die aanzette tot het vele pelgrimeren ging ook gepaard met een grote missionaire gezindheid. Ierse monniken brachten het christendom naar Schotland (Iona) en Noord-Engeland (Lindisfarne), maar stichtten ook kloosters in Frankrijk, Zwitserland (Sankt-Gallen) en Italië (Bobbio). Onze eigen Willibrord komt uit Noord-Engeland en heeft zijn opleiding in Ierland gehad. Het Keltisch christendom stoelde deels op het Oosterse monnikendom. Men had een aantal eigen gebruiken, die afweken van gebruiken die in Rome en elders gewoon waren. Dat betrof bijvoorbeeld de wijze van kruinschering en de berekening van de Paasdatum. In veel literatuur worden de verschillen opgeklopt tot een conflict tussen een autonome Keltische kerk en de ‘Roomse’ kerk en is de regionale Synode van Whitby (664) het moment waarop de Keltische kerk het onderspit moet delven.

Na deze schets nemen Latour en Bosman enig gas terug. Ze laten zien, dat het Keltisch christendom waarschijnlijk meer de constructie is van een romantisch verlangen naar een paradijselijk verleden dan historische werkelijkheid. Zich sterk baserend op het boek ‘Celtic Christianity’ van Ian Bradley (1999) beschrijven ze zes historische perioden waarin veel aandacht was voor het Keltisch christendom. Elke periode haalde vooral die aspecten naar voren, die contrasteerden met de eigen situatie of de eigen boodschap kracht bijzetten. Dat begon al bij de schrijvers van de heiligenlevens in de zevende en achtste eeuw en zien we nu bij de voorstanders van ecologie, holisme en new age. Latour en Bosman erkennen, dat niet alles wat nu gezegd wordt over het Keltisch christendom dat de moderne cultuur aanspreekt, overeenstemt met de historische werkelijkheid van de periode tussen 400 en 800, maar ze willen zich daar niet door laten weerhouden.  Met graagte mengen ze in het hoofddeel van het boek historische gegevens met verhalen van Ierse heiligen, elfen en mythologische voorouders. Nu eens schrijven ze over geschiedenis en folklore om daarna uitstapjes te maken naar film, games, muziek, spiritualiteit en theologie.


Reisverslagen


Het hoofddeel van het boek wordt gevormd door twaalf reisverslagen, die in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden. Ze presenteren ze in de vorm van een Ronde van Ierland met start en finish in Dublin. De twaalf halteplaatsen hebben ze gekozen, omdat ze in hun ogen hoogtepunten vormen van de Ierse spirituele traditie. De Gouden Eeuw van het Keltisch christendom neemt daarbij een belangrijke plaats in. Zo maken we kennis met oorden die nauw verbonden zijn met Keltische heiligen. Vanzelfsprekend de grote drie: Kildare vanwege Brigid, Croagh Patrick vanwege Patrick, en Kells en het Book of Kells vanwege Columba. Maar Brandaan (Cahersiveen) en Kevin (Glendalough) ontbreken niet. Soms gaat de belangstelling van de schrijvers uit naar voorchristelijke plekken zoals de grafheuvel van Newgrange of de elfenheuvel van Tiveragh. Dan weer hebben de plekken een veel jongere historie. De Honan Chapel in Cork is gebouwd in de jaren 1915 en 1916. De ramen hier verwijzen naar legenden en verhalen rondom heiligen en dieren. En Knock is tegenwoordig een bekende bedevaartsplaats vanwege een Mariaverschijning op een zomeravond in 1879. Bij elke plek weten de auteurs interessante uitstapjes te maken, die duidelijk maken hoe bepaalde thema’s en verhalen doorwerken in de hedendaagse literatuur en cultuur.
 

Enige kanttekeningen


Ik heb over het algemeen genoten van het boek. Zo was voor mij nieuw, dat Skellig Michael de meest westelijke punt zou zijn van de zogenaamde Apollo/Michael as, een geografische lijn door Europa waaraan oude cultusplaatsen liggen. Die zou van Skellig Michael via St Michael’s Mount (Cornwall) en Mont St Michel (Bretagne) lopen naar Frankrijk, Italië en Griekenland tot aan de berg Karmel. (p. 97).
Skellig Michael
 
De auteurs vermoeden, dat het eiland in de tiende eeuw aan de aartsengel Michael is toegewijd, omdat deze rots in de Atlantische Oceaan niet het paradijs op aarde is, maar een hard bestaan met grimmige elementen. Martin Palmer (2012) stelt in zijn boek over heilige plaatsen in Groot-Brittannië dat kerken die aan de aartsengel Michael zijn gewijd, meestal op een heuvel staan en/of aan de noordkant. Michael is de beschermengel die tegen Satan heeft gevochten en hem uit de hemel heeft geworpen. Hij is dus de beschermer van de christenen tegen kwade krachten. Daarom staat hij vaak op een heuvel in het noorden om deze nederzetting te beschermen tegen deze kwade krachten uit het noorden. Hij treedt niet zelden in de plaats van Keltische heuvel of berggoden – dat zou dan wel weer kloppen met die oude cultusplaatsen.

Minder gelukkig ben ik met de overbelichting van de positieve en lichte aspecten van het Keltisch christendom. Daarin volgen Latour en Bosman de vroege Bradley, die in zijn eerste boeken het Keltisch christendom typeerde met drie P’s: poëzie, presentie en pelgrimage. Die zijn herkenbaar in hun kenmerken. Later voegde Bradley er een vierde P aan toe van penitentie. Ascese en boetedoening waren evenzeer kenmerkend en de anamchara kon ook een strenge en sobere leefwijze adviseren. (zie b.v. Bradley 2000). De kracht van het gesproken woord uit zich niet alleen in zegeningen, maar ook in vervloekingen. In zijn heiligenleven van Columba geeft Adomnan daar herhaaldelijk voorbeelden van, tot en met een man die dood neervalt na zo’n vervloeking. 

In hun inleidende hoofdstuk stippen Latour en Bosman wel aan, dat protestanten en katholieken onderling strijd voerden over de interpretatie van het Keltisch christendom. Voor protestanten liep er een rechte lijn van het Keltisch Christendom tot de Reformatie en was de periode tussen de Synode van Whitby en de Reformatie maar een hinderlijke terugval. Voor katholieken was er een veel minder groot verschil tussen de periode voor en na deze Synode. Dat katholieke en protestantse auteurs samen kunnen werken in de bestudering van deze periode, is een verworvenheid van de laatste paar decennia. Dat in Ierland ook eeuwenlang een conflict heeft gewoed tussen een protestantse bovenlaag en het katholieke volksdeel komt niet aan bod. Ik vind dat een misser.

Bespreking van

Annemarie Latour en Frank G. Bosman, Pelgrimage van smaragd. Een inspirerende route door Keltisch Ierland. Ark Media, Amsterdam, 2014
 

Literatuur


Ian Bradley, Celtic Christianity. Making Myths and chasing dreams, Edinburgh, 1999

Ian Bradley, Colonies of heaven. Celtic models for today’s church, London 2000

Martin Palmer, Sacred Land. Decoding Britain’s extraordinary past through its towns, villages and countryside, London 2012

maandag 10 november 2014

Geschiedenis van caritas in beeld

Momenteel loopt in Museum Catharijneconvent in Utrecht de tentoonstelling 'Ik geef om jou!'. Aan de hand van talrijke schilderijen en prenten, maar ook met andere voorwerpen als akten, collectebussen en foto's wordt de geschiedenis van de naastenliefde in beeld gebracht. Deze tentoonstelling sluit mooi aan bij de thematiek van mijn sabbatverlof, dat ik eerder dit jaar had (de geschiedenis van caritas en kerkelijke armenzorg). Binnenkort ga ik naar Utrecht om met de andere leden van onze parochiele werkgroep diaconie de tentoonstelling te bekijken. Ik ben heel benieuwd. Het gelijknamige boek heb ik al enige weken in huis en heb ik met genoegen gelezen. Het is geen catalogus, maar biedt tien inhoudelijke bijdragen over facetten van de geschiedenis van naastenliefde. De bijdragen worden afgewisseld met zeven portretten van weldoeners, twee historische figuren en vijf hedendaagse vrijwilligers. Wie zich verder wil orienteren, vindt aan het eind van het boek een gedetailleerde tijdslijn van de zorg voor de naaste en een bibliografie. Alle bijdragen zijn rijk geillustreerd met afbeeldingen van de objecten, die in de tentoonstelling te zien zijn.


Locatie

Niet vaak zal een museumgebouw zelf object in de eigen tentoonstelling zijn. Dat is hier wel het geval. Het museum is gevestigd in een oud kloostercomplex, het Catharijneconvent, dat in de zeventiende eeuw ook het eerste stads- en academisch ziekenhuis van Utrecht was. De tijdelijke tentoonstelling 'Ik geef om jou!' is te zien in de oude ziekenzaal. En de geschiedenis van de plek als oord van naastenliefde gaat nog verder terug. In 1366 schonk een burger van de stad Utrecht, Pieter Uten Leen, geld aan de broederschap van Sint-Agatha om het stenen huis bij hun kapel te verbouwen tot 'warme stoof'. In dit kleine gasthuis met zeven bedden konden armen en pelgrims dan 's winters onderdak vinden. Ruim een eeuw heeft dit gasthuis hier gestaan.
In 1468 kregen de karmelieten toestemming om op de plek van het gasthuis een nieuw klooster te bouwen. Niet lang hebben ze daarvan plezier gehad. Nog geen zestig jaar later, in 1529, moesten zij op hun beurt wijken voor de Johannieter Orde. Drie eeuwen lang hadden de Johannieters een klooster met een groot gasthuis gehad op het huidige Vredenburgh, dat was gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrie.  Toen wilde keizer Karel V daar een kasteel bouwen ('Vredenburgh') en gaf hij aanzet tot deze 'stoelendans' van religieuze orden. De Johannieters breidden het klooster van de karmelieten uit door omliggende gebouwen en terreinen aan te kopen. In dit nieuwe Catharijneconvent richtten ze twee grote ziekenzalen in.
Als in 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en het openlijk belijden van het katholieke geloof wordt verboden, komt het gasthuis  te staan onder het bestuur van de Staten van Utrecht. Het kloosterhospitaal wordt langzamerhand een wereldlijk ziekenhuis en na de oprichting van de Universiteit Utrecht in 1636 ook academisch ziekenhuis. In de Franse tijd heft Lodewijk Napoleon de universiteit op en moet het gasthuis in 1812 zijn deuren sluiten.
Het kloostercomplex gaat vervolgens dienst doen als Militair Logement. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient het als opvangcentrum voor honderden Belgische vluchtelingen. Uiteindelijk zal hier in 1979 het Museum Catharijneconvent gevestigd worden.
Als stenen konden spreken, zou het gebouw zelf een heel verhaal kunnen vertellen over de geschiedenis van de naastenliefde door de eeuwen heen. Over de rol van particuliere weldoeners, religieuze broederschappen en orden bij de uitvoering van naastenliefde in de Middeleeuwen. Over het gasthuis als opvangplek voor pelgrims, zieken en armen, aanvankelijk ongedifferentieerd, later uiteenvallend in allerlei specialismen. Het Catharijneconvent laat zien hoe uit het gasthuis het academisch ziekenhuis is ontstaan, van hospitium dus tot hospitaal.  Over de invloed van de reformatie op de organisatie van de naastenliefde (hier: grotere rol wereldlijke overheid, verdwijnen van religieuze ordes). Over de relatie tussen oorlogen, natuurrampen en epidemieen enerzijds en naastenliefde en armenzorg anderzijds (hier: de opvang van Belgische vluchtelingen).
Stenen spreken niet, dus hebben we het tentoonstellingsboek en andere media die deze verhalen kunnen doorgeven.

Naastenliefde

Het Catharijneconvent is niet het enige gebouw, dat een verhaal over naastenliefde kan vertellen. Er zijn in Utrecht nog veel meer stenen sporen te vinden. Met een gratis routeboekje of  een app die bij de tentoonstelling is ontwikkeld, kan je zelf op pad gaan langs de eeuwenoude gasthuizen, kloosters en hofjes die in de binnenstad staan. In tal van andere Nederlandse steden zijn ook diaconale wandelingen te maken. En als de gebouwen er niet meer staan, dan zijn er nog wel de instellingen die kunnen bogen op een eeuwenlange geschiedenis: ziekenhuizen, weeshuizen en zorgcentra maar ook charitatieve fondsen. Zo functioneren in Utrecht nog steeds de stichting Evert Zoudenbalchhuis, voortgekomen uit het St. Elisabethsgasthuis, dat de Utrechtse domkannunnik Evert Zoudenbalch (1423-1503) in 1491 heeft gesticht als het eerste weeshuis in Nederland, en het Jonkheer Huijbert Edmond van Buchellfonds, dat uitkeringen doet ter bestrijding van de armoede onder lidmaten van de Jacobikerk en voortkomt uit het vermogen van Hubert van Buchel (1513-1599), eerst kanunnik en later overgaan naar de protestantse kerk (zie p. 83). Ik kom daar aan het eind van dit blog nog op terug.


In het tentoonstellingsboek duidt Annelies van Heijst deze uitingen van naastenliefde als sporen van een christelijke cultuur. Ze laat zien dat de geschiedenis van de naastenliefde in ons land nauw verbonden is met het christendom. God eren en de naastenliefde beoefenen zijn in de christelijke visie de antwoorden van de mens op de liefde die God ons eerst geschonken heeft. Vanaf het vroege christendom is de zorg voor kwetsbaren dan ook een kern van de geloofsbeleving. We zien dat bijvoorbeeld terug in de kloosterregel van Benedictus. Hij schreef  voor, dat een zieke medebroeder moest worden behandeld 'quasi Dominus', alsof hij de Heer zelf was. Dat spoor doortrekkend gingen de meeste kloosters opvang bieden aan zieke pelgrims, reizigers en andere vreemden, in hospitia of gastenverblijven. En toen de steden groeiden, werden daar ook gasthuizen opgericht, door religieuzen, maar ook door particulieren en broederschappen.
Naastenliefde is overigens niet een specifiek christelijke deugd. Ook in andere levensbeschouwingen is het helpen van de naaste een belangrijke waarde. Raphael Evers schetst de rol van liefdadigheid (tsedaka) in het jodendom en Mirjam Shatanawi gaat in op het geven aan de armen (zakaat) als een van de vijf zuilen in de islam. Marije de Nood laat zien hoe mededogen in het hindoeisme en het boeddhisme een rol spelen. Daarmee is het inhoudelijke kader geschetst.

Geschiedenissen

Hoe de, overwegend christelijke, naastenliefde vorm heeft gekregen en zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld, komt aan bod in vier historische bijdragen. Wat namelijk begon als een ongedifferentieerde opvang van zieken, pelgrims en reizigers, groeide uit tot specialistische vormen van zorg en welzijn.

Armenzorg

Maarten van der Linde en Lia van Doorn concentreren zich op de zorg aan de armen. Zij schetsen de ontwikkeling van de middeleeuwse armentafel tot de hedendaagse voedselbank. Al op het Tweede Concilie van Tours was in 567 (!) bepaald dat "iedere gemeenschap de autochtone armen en behoeftigen op passende wijze voedde, elk naar eigen vermogen." De kloosters op het platteland speelden daarbij een belangrijke rol. Toen vanaf 1100 de steden opkwamen, ontstonden ook daar initiatieven om armen te helpen. De auteurs noemen een aantal vroege Utrechtse voorbeelden, zoals de Armenpot van Sint-Jacob, een armentafel in de Jacobikerk, en het Heilige-Geesthuis aan de Vismarkt, gesticht in 1307. Onder invloed van de Franciscanen en andere armoedebewegingen had de arme in die tijd een status als iemand die dichtbij God stond. Deed je iets goed voor hem, dan deed je iets goed voor God. In de zestiende eeuw verandert het beeld van de arme. Armen die vanwege leeftijd of gebrek niet kunnen werken worden gezien als 'ware armen' en komen nog voor ondersteuning in aanmerking. Alle anderen moeten maar via werk in hun eigen onderhoud voorzien. Als na 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en de kloosters, gasthuizen en armenfondsen worden gesloten of overgenomen, verandert de situatie. De stedelijke overheid stuurt er op aan, dat de kerkgenootschappen de zorg voor de eigen armen voor hun rekening gaan nemen, mede vanwege de verslechterde economie.
In de negentiende eeuw worden naast de stedelijke en kerkelijke armenzorg ook verenigingen actief op dit gebied. Aan rooms-katholieke kant kan je dan b.v denken aan de Vincentiusvereniging (1846).
De Armenwet van 1854 blijft het primaat leggen bij de zorg van de kerkgenootschappen voor de eigen leden. Alleen in uiterste nood mocht de stedelijke overheid bijspringen. Hoewel de kerkelijke armbesturen de nood feitelijk niet aankunnen, is deze situatie gehandhaafd tot de invoering van de Bijstandswet in 1965. Bij de vormgeving van de verzorgingsstaat hebben christelijke beginselen een belangrijke rol gespeeld. Even hebben we gedacht, dat het tijdperk van armoede en caritas voorbij zou zijn. Maar de verzorgingsstaat bleek financieel niet te handhaven. Er ontstaan nieuwe vormen van particulier initiatief om mensen bij te staan waar de overheid gaten laat vallen. De opkomst van de voedselbank sinds 2002, waarbij veel plaatselijke kerken betrokken zijn, is daarvan een goed voorbeeld.

Gezondheidszorg

Hannie Kool-Blokland schetst de geschiedenis van de zorg voor de zieken. Ook hier begint het verhaal bij de zorg van kloosterlingen voor zieke reizigers, armen en hulpbehoevenden en de inzet van andere groeperingen als de steden groeien, zoals de stedelijke overheid en de gilden en liefdadige broederschappen. Al in de Middeleeuwen ontstaan er aparte voorzieningen voor besmettelijke zieken: pesthuizen voor pestlijders, leprozerieen voor melaatsen en lijders aan andere huidziekten. De overige zieken werden verpleegd in gasthuizen.
In de eeuwen daarna ontwikkelt zich de heelkunde en komt er meer nadruk te liggen op het medisch handelen. In de negentiende eeuw krijgen sociaal bewogen medici oog voor de relatie tussen armoede, slechte woon- en leefomstandigheden en volksgezondheid. Zij gaan het belang van licht, lucht, gezonde voeding en goede woningen propageren. Dat heeft ook invloed op de ziekenhuisbouw. Bijna alle oude middeleeuwse gasthuizen werden vervangen door nieuwe, luchtige, moderne gebouwen aan de rand van de stad. Tevens werd de verpleging verbeterd.

Ouderenzorg

Lange tijd was ouderenzorg vooral een armoedeprobleem, laat Renger de Bruin zien. Als mensen vanwege ouderdom niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien, waren de meesten aangewezen op de hulp van anderen. Veel minder dan in dorpsgemeenschappen was er in de steden een vangnet voor arme ouderen. Vermogende particulieren richtten daarom al in de middeleeuwen gasthuizen voor hen op. Het Catharinagasthuis in Leiden bestond bijvoorbeeld al in 1276, blijkt uit een oorkonde. In de eeuwen daarna werden ook elders talrijke gasthuizen opgericht. Speciaal voor ouderen kwamen er ook kameren of vrijwoningen, vaak rond een binnenplaats gebouwd. Om die reden spreekt men ook wel van hofjes. Het Hofje van Bakenes in Haarlem is in 1395 gebouwd uit de nalatenschap van de koopman Dirk van Bakenes. Ook de gilden zorgden voor ondersteuning van oudere gildebroeders. Het Utrechtse smedengilde had zelfs een eigen gasthuis, het Eloyengasthuis aan de Boterstraat. (St Eloy is de patroonheilige van de metaalbewerkers).
Terwijl sommige gasthuizen zich ontwikkelden tot ziekenhuizen (zie boven), gaan anderen zich richten op de opvang van ouderen. Na de Reformatie gaan de gereformeerde kerkenraad en de stedelijke overheid de controle uitoefenen over de gasthuizen en worden de broederschappen vervangen door regentencolleges. De katholieke minderheid wordt gedoogd en mocht geen publieke functie uitoefenen. Katholieke instellingen waren lange tijd verboden. Alleen particuliere initiatieven als vrijwoningen mochten bestaan. Pas in de loop van de achttiende eeuw konden zich nieuwe katholieke stichtingen ontwikkelen, toen b.v. het verbod op het aannemen van legaten werd opgeheven.
De kwaliteit van de zorg verschilde per instelling en categorie bewoner. Rijkere ouderen konden zich inkopen met een prove (schenking). Daarom werden zij ook wel proveniers genoemd. Vaak hadden ze dan een eigen kamer. De zorg voor arme ouderen werd betaald door de diaconie of de stedelijke armenzorg.

Zorg voor wezen

'Armen, weduwen en wezen' vormen in de Bijbel al een bekend rijtje van categorieen mensen die vaak op naastenliefde zijn aangewezen. Al eeuwenlang bestaat er dan ook een aparte zorg voor wezen en vondelingen. De eerste tehuizen voor wezen en vondelingen in ons land werden in de veertiende eeuw opgericht in Leiden en Utrecht, aldus Jacques Dane. In de zestiende eeuw volgden veel andere steden. In een eerdere blog heb ik al melding gemaakt van het weeshuis in Brielle, dat is gesticht uit een schenking van Angelus Merula. In deze weeshuizen namen de zogeheten 'binnenouders' de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich. Vaak was dat een echtpaar, maar soms ook twee vrijgezellen. De binnenouders stonden onder het gezag van een regentencollege dat de financiele zaken beheerde. In de zeventiende eeuw stond de wezenzorg in de Republiek in hoog aanzien in Europa. De wezen kregen hier niet alleen onderdak en voedsel, maar er werd ook gezorgd voor hun opvoeding en onderwijs. Een van de opvoedingsdoelen was namelijk, dat de kinderen na vertrek uit het weeshuis op eigen benen konden staan. Zo kregen arme wezen vaak een betere start dan hun arme leeftijdgenootjes die nog wel ouders hadden.
Ter onderscheiding van andere kinderen droegen wezen herkenbare kleding. De kinderen van het Heilige-Geestweeshuis in Leiden droegen bijvoorbeeld in de vijftiende eeuw verticaal gekleurde rood-witte kleding, de kleuren van het stadswapen.
Door onder andere betere sociale voorzieningen en de stijging van de levensstandaard neemt het aantal wezen sinds het einde van de negentiende eeuw af. De grote weeshuizen werden overbodig of kregen een andere functie: ze gingen zich richten op verwaarloosde en misdadige kinderen en later ook voogdijpupillen.

Caritas verbeeld

Twee inhoudelijke bijdragen heb ik nog niet genoemd, terwijl ze in mijn ogen tot de meest interessante artikelen behoren. De eerste is meer van kunsthistorische aard. Hanneke van Asperen bespreekt de vraag hoe je een begrip als naastenliefde zou kunnen verbeelden. Liefde ligt aan de basis van allerlei daden, maar is op zichzelf onzichtbaar.
Een antwoord sinds de Middeleeuwen is de personificatie. Abstracte begrippen krijgen een menselijke gedaante. De liefde krijgt dan gestalte in een vrouwenfiguur (Caritas), die vaak ook nog een aantal attributen draagt, die verwijzen naar de liefde. Je kan dan denken aan een brandend hart, een zon,  een bloedende pelikaan. Populair is ook de afbeelding van een moeder met een of meerdere (zogende) kinderen. Moeder en kind representeren de wederkerigheid en de onvoorwaardelijkheid van de liefde. De kinderen verbeelden niet alleen de behoeftigen die steun nodig hebben, maar ook de gelovigen die aangewezen zijn op God.
Vanzelfsprekend waren de afbeeldingen van caritas als moeder een populair beeld in weeshuizen. Op de tentoonstelling wordt een altaarstuk getoond uit het weeshuis van Gorinchem, dat in 1557 is gesticht door een kinderloos echtpaar. Achter de vrouw staat Caritas met drie kinderen. Maar niet alleen instellingen gebruiken dit beeld. Sophia Hedwig, gravin van Nassau-Dietz laat zich in de zeventiende eeuw met haar kinderen portretteren als Caritas, terwijl ze haar borst aan haar jongste kind presenteert.
De andere bijdrage, die ik hierboven al kort gememoreerd heb,  laat aan de hand van twee personen de overgang in denkbeelden over armoede en naastenliefde zien, die plaats vond in de zestiende eeuw. Het betreft hier Evert Zoudenbalch en Hubert van Buchel. Allebei waren ze kanunnik, kwamen uit goede families, waren rijk en gaven een groot deel van hun geld aan de armen. Evert Zoudenbalch is een representant van de Middeleeuwen. Hij stichtte in 1491 een weeshuis, gewijd aan St Elisabeth. Hij wilde de weeskinderen een goede katholieke opvoeding geven en verwachtte als tegenprestatie dat zij voor hun zielenheil zouden bidden. Hubert van Buchel leefde een eeuw later, begon als priester, maar voelde zich later meer thuis in de protestantse Jacobikerk. Ook hij wilde dat de armen een goede godsdienstige opvoeding zouden krijgen. Daarom moesten zij de preken in de Jacobikerk volgen, maar hij vond het niet nodig dat er gebeden werd voor zijn zielenheil. En hij gaf het geld niet aan de armenpot van de Jacobikerk, maar stichtte een fonds waaruit de armen wekelijks een bedrag kregen dat naar eigen inzicht kon worden besteed. Het ging daarbij om arme, nette gezinnen met tenminste twee kinderen, die niet bedelend langs de deuren gingen. Ik vind het een mooie vondst van Truus van Bueren om de omslag in het armoedebeeld en de armenzorg inzichtelijk te maken aan de hand van deze twee Utrechtse beoefenaars van de naastenliefde.
Al met al geeft dit tentoonstellingsboek in betrekkelijk kort bestek veel inzicht in de historische ontwikkeling van de naastenliefde. Het is aardig, dat veel voorbeelden betrekking hebben op de Utrechtse situatie. Op een speciale website bij de tentoonstelling  zijn nog veel meer voorbeelden uit deze stad te vinden. In de bijdragen in het boek worden soms ook voorbeelden uit andere plaatsen gegeven. Meestal zijn ze afkomstig uit Holland of Zeeland. In de andere provincies is toch ook naastenliefde bedreven? Wat in het boek ook onderbelicht blijft is de wijze waarop de gedoogde kerkgenootschappen ten tijde van de Republiek vorm hebben proberen te geven aan de armenzorg voor hun eigen leden en de rol van de religieuze congregaties vanaf het begin van de negentiende eeuw. Maar misschien moet ik mijn oordeel bijstellen na het zien van de tentoonstelling.

Literatuur:
Marije de Nood en Kees van Schooten (red), Ik geef om jou! Naastenliefde door de eeuwen heen.
WBooks/Museum Catharijneconvent, Zwolle, Utrecht, 2014.








zondag 28 september 2014

PCI-en en zorgnetwerken

Een kerntaak van Parochiële Caritasinstellingen (PCI-en) is het financieel ondersteunen van individuen of gezinnen in noodsituaties. Het gaat dan vaak om een eenmalige bijdrage om een acute nood te lenigen, waar de bestaande sociale voorzieningen niet in kunnen voorzien. Oorspronkelijk betrof het vooral hulp aan eigen parochianen. Tegenwoordig wordt er geen onderscheid meer gemaakt naar geloof of levensbeschouwing. Vroeger kwamen de aanvragen vooral binnen via de eigen kanalen in de parochie: de pastores en de bezoekgroepen. Die kanalen raken verstopt, mede vanwege de schaalvergroting van de parochies en de verminderde kerkbetrokkenheid. Daarom leggen PCI-en in toenemende mate contact met andere organisaties en instellingen om armoede op het spoor te komen, zoals het maatschappelijk werk, de sociale dienst, woningbouwcorporaties, scholen, vluchtelingenwerk, voedselbank en SchuldHulpMaatje.
In dat kader kwam bij een recent overleg van PCI-en in de kring Leiduinen (Leiden, Bollenstreek en omgeving) de gedachte op om contact te leggen met zorgnetwerken. De PCI-en nodigden twee medewerkers van de GGD Hollands Midden Uit om hen te informeren over de mogelijkheden. Het werd een heel interessante uitwisseling, die ook van belang kan zijn voor andere regio's. Daarom wijd ik er een bijdrage aan.


Meldpunt Zorg en Overlast

Elke gemeente heeft een Meldpunt Zorg en Overlast, dat is ondergebracht bij de GGD. Het Meldpunt is vooral bedoeld voor zorgmijders met complexe problemen. Bij een melding onderzoekt men wat er speelt. Medewerkers van het team zijn vaardig in het motiveren van mensen om toch hulp te aanvaarden. Het regelt de toeleiding naar zorg, adviseert zorgpartijen en voert de regie.

Elke gemeente heeft een zorgnetwerk, dat minstens één keer per vier of zes weken bijeenkomt onder voorzitterschap van de GGD, in de stad Leiden zelfs wekelijks. Daaraan nemen in ieder geval medewerkers deel van de verslavingszorg, de GGZ, het maatschappelijk werk en de maatschappelijke opvang, soms uitgebreid met de wijkagent, de woningbouwcorporatie, de stichting MEE en de schuldhulpverlening.

Bij dreigende huisuitzettingen wordt altijd een melding gedaan, als het een gezin betreft. Daarvoor is een convenant gesloten tussen de schuldhulpverlening, het maatschappelijk werk, de woningbouwcorporaties en de GGD. Daardoor kan snel een regeling getroffen worden om de lopende huur te betalen. Dat geeft ruimte voor een regeling van de verdere schulden en de aanpak van andere problemen. Als de huisuitzetting een individu of een stel zonder kinderen betreft, is melding vooraf alleen verplicht, als het om een kwetsbaar persoon gaat. Of dat het geval is, moet door de woningbouwcorporatie zelf beoordeeld worden. De nutsbedrijven doen nog niet aan dit convenant mee.

In het convenant komen de kerken en diaconieën niet voor. Wel hebben leden van het zorgnetwerk soms persoonlijke contacten met PCI-en of diaconieën. In een enkel geval benaderen ze de kerken om een financiële bijdrage ter voorkoming van een ontruiming, als men denkt dat dat een meerwaarde heeft.

Het zorgnetwerk organiseert soms ook een rondetafelgesprek, waarbij zorgpartijen aanschuiven die belang hebben bij deze casus. Het doel van dit gesprek is om samen een plan met harde afspraken te maken, het liefst met de cliënt erbij. Per cliënt wordt een regiehouder aangewezen. Het zorgnetwerk kan wel drang uitoefenen, maar geen dwang.

Verschil met sociale wijkteams

Opgemerkt wordt, dat het zorgnetwerk iets anders is dan de sociale wijkteams, die nu overal in opkomst zijn. Het zorgnetwerk is speciaal bedoeld voor zorgwekkende zorgmijders, de sociale wijkteams hebben een algemenere insteek Ze willen de sociale omgeving organiseren en zorg, welzijn en preventie op elkaar afstemmen. Hier komen de drie decentralisaties (Participatiewet, nieuwe Wmo en jeugdzorg) samen. Het sociale wijkteam richt zich op individuele en collectieve vragen in de wijk en probeert daarbij zonder indicatie een oplossing te bieden.

Verbeteren van contacten

In de meeste gemeenten blijken er nauwelijks contacten te bestaan tussen de zorgnetwerken en de  PCI-en of diaconieën. Toch kunnen die contacten nuttig zijn voor beide partijen. Zo kan een PCI contact opnemen met het Meldpunt voor advies, consultatie of een melding, als de PCI  te maken heeft met een cliënt waarvan men vermoedt dat er complexe problemen spelen achter de hulpvraag.

Op de website www.ggdhm.nl is een aanmeldformulier voor een melding te vinden: http://www.ggdhm.nl/thema-s/item/meldingsformulier-burgers-leiden-regio-zuid-holland-noord/meldingsformulier-leiden-regio-zuid-holland-noord Als bij een PCI een hulpvraag is binnengekomen en men vermoedt dat er sprake is van een complexe problematiek, kan men ook naar het meldpunt bellen en vragen, of de persoon bekend is.

Anderzijds zou het zorgnetwerk in dringende gevallen een beroep kunnen doen op de PCI voor financiële hulp voor een cliënt, als er geen voorliggende voorzieningen zijn. Om die contacten mogelijk te maken, is afgesproken de adressen van PCI-en en de gemeentelijke contactpersonen van de Meldpunten uit te wisselen. Zo is het mogelijk contact met elkaar te leggen en beide netwerken op elkaar te betrekken, zonder dat de PCI onderdeel wordt van de officiële hulpverlening.

 

dinsdag 22 juli 2014

Nogmaals de Northern Cross Pilgrimage

In april heb ik de Melrose leg gelopen van de Northern Cross Pilgrimage. Op dit weblog heb ik daarvan toen dagelijks verslag gedaan. Ik wil nog een keer daarop terugkomen en een wat algemener beeld schetsen van deze pelgrimage. Dat biedt mij tevens de gelegenheid aandacht te besteden aan enige verwante pelgrimages, waarbij de deelnemers ook een houten kruis meedragen.  Dat had ik al eerder willen doen. Nu ik het verzoek heb gehad om een artikel over mijn ervaringen met de Northern Cross Pilgrimage te schrijven voor een oecumenisch tijdschrift, kan deze bijdrage mooi dienen als voorstudie.



Ontstaan Northern Cross Pilgrimage

Volgend jaar is een bijzonder jaar voor de Northern Cross Pilgrimage . Van 29 maart tot en met 5 april 2015 zal dan de veertigste editie plaats vinden. Deze oecumenische pelgrimstocht werd in 1976 voor het eerst gehouden. De deelnemers liepen toen van Penrith naar de Holy Island of Lindisfarne. Het idee hiertoe was ontstaan in 1975 onder een aantal deelnemers aan de Student Cross Pilgrimage naar Walsingham (zie onder). Ze wilden wel eens in een meer uitdagend en natuurrijk landschap lopen dan door het platte Norfolk. Zoekend naar een geschikte bestemming viel hun oog al snel op Lindisfarne, de bakermat van het christendom in Northumbria. Het is het eiland van St Aidan en St Cuthbert en bekend vanwege de Lindisfarne Gospels, een prachtig geillustreerd evangelieboek dat hier in het begin van de achtste eeuw gemaakt is. De oude toegangsweg over het wad staat van oudsher bekend als het pelgrimspad. Lindisfarne ligt in Noord-Engeland vlakbij de grens met Schotland. Die ligging maakt deze pelgrimstocht ook aantrekkelijk voor mensen uit deze regio's voor wie de reis naar Zuid-Engeland een bezwaar kan zijn.
De eerste pelgrimstocht op initiatief van Joe Cullen was een succes. Sommige deelnemers van het eerste uur zijn veertig jaar later nog steeds betrokken bij dit initiatief. De algemeen coordinator voor 2015, Kenneth Williams, liep ook al in 1976 mee.
Bij de opzet van de Northern Cross Pilgrimage hebben de initiatiefnemers zich laten inspireren door het model van de Student Cross Pilgrimage. Dat zal ik nu eerst schetsen, om dan weer terug te keren naar de hedendaagse invulling.

Student Cross Pilgrimage

De Student Cross Pilgrimage is van oorsprong een rooms-katholiek initiatief, dat dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. "Het idee om een pelgrimage te houden waarbij een kruis wordt meegedragen is afkomstig uit Frankrijk," aldus Kenneth Williams in een artikel in The Reader."In 1946, vlak na de Tweede Wereldoorlog, droeg een aantal groepen kruisen naar Parijs als een vorm van boetedoening voor de zonden die in de oorlog waren begaan. Het jaar daarop droegen enige Engelse groepen kruisen naar het bedevaartsoord van Walsingham. Deze kruisen kan je daar nog steeds zien. Hieruit ontstond het idee van Student Cross als een pelgrimage naar Walsingham."

Intermezzo 1: Onze Lieve Vrouw van Walsingham

Ter toelichting bij deze bestemming: Walsingham is een bekend Mariabedevaartsoord in Norfolk. Volgens de overlevering verscheen hier in 1061 Maria aan Lady Richeldis de Faverches, vrouwe van Walsingham. Maria gaf haar de opdracht om in Norfolk een replica te bouwen van het Heilig Huis waarin de aankondiging van de geboorte van Jezus plaatsvond. Bij dit huis vestigden de Augustijnen in 1150 een klooster. In de Middeleeuwen werd Walsingham een zeer populair bedevaartsoord. Hieraan kwam een einde onder Hendrik VIII. De priorij werd gesloten, het Heilig Huis in brand gestoken en het Mariabeeld naar Londen gebracht. 
In 1897 werd het oude heiligdom van Onze Lieve Vrouw van Walsingham hersticht en kwamen de bedevaarten opnieuw op gang. Sinds 1934 fungeert de Slipper Chapel als het nationale heiligdom van Onze Lieve Vrouw van Walsingham. Deze veertiende eeuwse kapel was de laatste kapelstatie op de oude pelgrimsroute, net een mijl buiten Walsingham. Ze dankt haar naam aan het feit, dat veel pelgrims gewoon waren om de laatste mijl op blote voeten af te leggen: bij de Slipper Chapel trok men dan zijn schoenen uit.
Overigens groeide tussen 1897 en 1934 ook de devotie tot Onze Lieve Vrouw in de Anglicaanse kerk. Dat leidde uiteindelijk tot de bouw van een Anglicaans heiligdom, de Shrine Church in het centrum van Walsingham zelf.

Intermezzo 2: gemeenschappelijke voedingsbodem met Pax Christi?

In mijn eerste blog over de Northern Cross Pilgrimage van 12 april sprak ik al het vermoeden uit, dat de Student Cross Pilgrimage en de vredesbeweging Pax Christi wel eens dezelfde wortels zouden kunnen hebben. Pax Christi is in Frankrijk ontstaan aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Ik kan mij een verhaal herinneren, dat Franse verzetstrijders het plan hadden opgevat om een kruistocht te gaan houden voor de bekering van Duitsland en Mgr. Théas om toestemming vroegen. Théas had zelf in Duitse gevangenschap gezeten en had zich ook in die situatie laten leiden door het christelijke liefdesgebod 'Hebt u vijanden lief'. Hij wilde slechts met hun plannen instemmen als zij die zouden veranderen in 'kruistochten voor gebed en vrede' terwille van de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. In de eerste jaren na de oorlog werden geregeld dergelijke kruistochten gehouden, waaraan zowel geestelijken als leken deelnamen. Mgr. Feltin, de bisschop van Bordeaux, gaf officiele goedkeuring aan de beweging. Toen de beweging in 1946 een eigen blad kreeg, noemde zij zich Pax Christi. In 1947 vond hun eerste congres plaats in Lourdes, waaraan ook Duitsers deelnamen. Via contacten met de internationale katholieke organisatie Tochtgenoten van Sint Frans kwam men ook in contact met gelijkgezinden in andere landen. De Tochtgenoten van Sint Frans was een pelgrimsbeweging van leken, die was voortgekomen uit een vredescongres van Franse en Duitse jongeren in 1926 in Bierville (Frankrijk). De oprichting van de Nederlandse afdeling van Pax Christi in 1948 is ook te danken aan enige Tochtgenoten.

De 'kruistochten voor gebed en vrede' waren dus een bekend verschijnsel in het katholieke Frankrijk in de jaren direct na de oorlog. Het is dus niet zo vreemd, dat Engelse katholieken hiermee kennismaakten en het idee overbrachten naar hun eigen land, zoals Kenneth Williams meldde (zie boven). Een beetje googlen levert de volgende reconstructie op.
In 1946 nemen Charles Osborne en enige anderen deel aan een internationale kruistocht voor gebed en vrede naar Vezelay, waarbij enige kruisen worden meegedragen. Het volgen en dragen van het kruis maakt diepe indruk op hen. Ze ervaren hierin deel te zijn van Christus' mystieke lichaam. Zo iets willen ze ook in Engeland organiseren.
Van 3 tot en met 15 augustus 1947 loopt een groep van 25 mannen van Bishop's Stollford naar Walsingham en terug, iets meer dan 300 kilometer. Zij dragen een groot ruwhouten kruis met zich mee, van ruim 2 1/2 meter bij 1,30 m. Vanwege deze omvang wordt het kruis horizontaal gedragen, telkens door drie mannen. Twee lopen voorop, waarbij ieder een arm van het kruis op de schouders draagt, de derde draagt de voet. Ze zijn afkomstig uit heel verschillende delen van Engeland en beroepsgroepen. Twee paters Dominicanen, vijf studenten, maar ook boeren, arbeiders, kantoorpersoneel, een journalist en een kruidenier. Onderweg wordt er veel gebeden en krijgen ze onderdak bij parochies. Van te voren was men enigszins bang geweest voor de reacties op deze publieke demonstratie van het katholiek geloof. Met enige verwondering constateert pater Columba Ryan OP dat voor de meeste mensen die men onderweg tegen kwam het kruis niets betekende: "ze wensten de pelgrims een goede tocht, ze hoopten dat ze onderweg mooi weer zouden hebben, ze vroegen zich af of de pelgrims het deden tegen betaling of voor hun gezondheid, maar van het kruis zelf maakten ze niets." Een enkele keer raakte men in gesprek. "Er is geen vijandigheid; alleen onbekendheid." (Catholic Herald, 12 september 1947). In katholieke kringen zijn de reacties veel positiever.
Dat leidt tot een veel groter initiatief in juli 1948. Vanuit 14 plaatsen in Engeland en Wales lopen 400 pelgrims met een groot eikenhouten kruis gedurende twee weken naar Walsingham. Op de feestdag van Onze Lieve Vrouw van Karmel, 16 juli, wordt de PPP 1948 (de Pilgrimage of Prayer and Penance for Peace) plechtig afgesloten met een pontificale hoogmis, waaraan 15.000 mensen meedoen. De veertien houten kruisen staan sindsdien rond de Slipper Chapel als markering van de kruiswegstaties.

Student Cross - vervolg

Het was Wilfred Mancote-Carter die het initiatief nam om in de Goede Week van 1948 voor het eerst de Student Cross Pilgrimage te lopen van Londen naar Walsingham. Dertig studenten en enige studentenpastores namen hieraan deel. In 1949 werd al gestart met een tweede route vanuit Nottingham.

Aanvankelijk namen aan deze pelgrimstocht alleen mannelijke studenten deel. Pas in 1967 werden vrouwen officieel als deelnemer toegelaten, hoewel ze vermoedelijk al eerder hebben meegelopen. In de jaren zestig werden ook de eerste pogingen gedaan om de Student Cross Pilgrimage een oecumenisch karakter te geven. Met name de route vanuit Oxford trok snel ook studenten uit andere kerken. Vanaf 1972 is de Student Cross officieel een oecumenische pelgrimstocht.
In de loop der jaren is het aantal routes uitgebreid en hoef je ook geen student meer te zijn om mee te kunnen doen. Naast routes die de hele Goede Week duren zijn ook kortere routes ontwikkeld, die het mogelijk maken dat ook gezinnen met kinderen of werkende mensen kunnen meedoen. Er is zelfs een eendaagse pelgrimstocht. In 2014 liepen 302 mensen mee met een van de elf routes. Zes routes leggen een afstand af van 120 mijl (190 km) in een week. De andere zijn korter wat betreft afstand en duur.


Kenmerken Northern Cross Pilgrimage

De Northern Cross Pilgrimage volgde een vergelijkbare ontwikkeling. Het aantal routes werd in de loop der jaren uitgebreid. Veranderingen  werden soms ook ingegeven door logistieke problemen. Aanvankelijk werd vooral over de openbare weg gelopen. Naarmate het verkeer drukker werd, werd dat gevaarlijker. Rond 1990 werd daarom besloten meer over voetpaden te lopen. De kruizen werden kleiner en lichter om ze ook over ruig terrein mee te kunnen nemen. Een nieuwe ontwikkeling is, dat naast lichtere routes voor gezinnen met jonge kinderen de laatste jaren ook extreem zware routes worden ontwikkeld voor mensen die een sportieve prestatie willen leveren. In de Goede Week van 2014 gingen 85 mensen van start. Zij liepen vanuit vijf richtingen naar Beal Sands om vandaaruit op Goede Vrijdag samen over het oude pelgrimspad naar Lindisfarne te lopen.


Ondanks alle veranderingen in de loop der jaren en de verschillen tussen de routes blijft de Northern Cross Pilgrimage een aantal gemeenschappelijke kenmerken houden:
  • het vormen van een tijdelijke christelijke gemeenschap. De Northern Cross Pilgrimage is een collectieve tocht, geen individuele onderneming zoals bijvoorbeeld de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela. Als kleine groep van 10 tot 20 mensen heb je ook een gemeenschappelijke taak: het dragen van het kruis. En je hebt elkaar ook nodig voor een aantal andere taken: koken b.v. of het transport van de bagage elke dag met een aantal particuliere auto's door medepelgrims. Via een vernuftig systeem kan elke chauffeur de route ook meelopen.
  • de voorbereiding op Pasen. Een kruis dragen in de Goede Week is een bijzondere invulling van het herdenken van het lijden, sterven en verrijzen van Christus. Op de Melrose leg hebben we b.v. op Witte Donderdag ook een seder maaltijd gegeten, een combinatie van viering en maaltijd. Het aansteken van de paaskaars aan een vuur buiten op het strand tegenover de kerk was ook een bijzonder gebeuren met het gehuil van de talrijke zeehonden op de achtergrond. En ik vond het ook heel bijzonder om ons met narcissen versierde kruis op Paaszondag van ons verblijf in het vakantiehuis van de Vincentiusvereniging naar de kerk te dragen.
  •  het meedragen van een groot houten kruis is ook een vorm van christelijke getuigenis. Je valt op als pelgrimsgroep, ook als je maar met een tiental mensen door een dorp of stadje loopt. Het riep geregeld kleine gesprekjes op. De Holy Island of Lindisfarne is in de Borders en Northumberland een bekende bestemming. Soms vertelden mensen over hun eigen bezoek daaraan. Voor het overige waren de reacties niet veel anders dan die in 1947.
  • een vorm van bezinning. Ik heb ooit eens pelgrimeren horen omschrijven als 'bidden met je voeten'. Dat is zeker het geval, maar tijdens de Northern Cross Pilgrimage zijn er dagelijks ook bewust geplande momenten van gebed. Om te beginnen elke dag een ochtend- en avondgebed. Een boekje bevatte daarvoor uitgewerkte voorbeelden, maar er was ook ruimte om daar zelf een invulling aan te geven. Ik heb op maandagavond een verkenning en meditatie geleid rond de hongerdoek over de werken van barmhartigheid.  Daarnaast was er onderweg de gelegenheid tot 'staties'. Een of twee keer per dag kon iemand om zo'n statie vragen. Hij of zij kon dan een korte gedachte uiten of een gebed of iets anders toepasselijks. Daarna vervolgden we onze weg in stilte, voor tien of vijftien minuten. Naast een boekje met de gebedsdiensten hadden we ook twee kleine zangbundels, een met religieuze liederen en een met wandelliedjes. Als zingen twee keer bidden is, hebben we heel wat gebeden.

Afsluiting

Toen ik aan de Northern Cross Pilgrimage begon wist ik niet, dat deze pelgrimstocht in zekere zin voortgekomen is uit dezelfde voedingsbodem als Pax Christi: de kruistochten voor gebed en verzoening die na de Tweede Wereldoorlog gehouden werden als reactie op de oorlog. Zelf heb ik in de jaren zeventig en tachtig zo'n jaar of tien meegelopen met de Pax Christi voettochten, eerst als deelnemer, later als kapittelleider. Had ik die voorgeschiedenis geweten, had ik in het begin misschien wat minder vreemd aangekeken tegen het meedragen van een kruis.
Uit de Northern Cross Pilgrimage is in 1997 Scottish Cross voortgekomen, die jaarlijks een vergelijkbare tocht in de Goede Week houdt met als eindbestemming Iona. Ik heb in 2011 en 2013 de Goede Week en Pasen op Iona meegemaakt en kan mij wel herinneren, dat een aantal pelgrims toen op paaszaterdag een houten kruis de Abbey indroegen, maar had me dit verband niet gerealiseerd. Ook al, omdat deze kleine groep pelgrims geen invloed had op de vieringen. Dat was op Holy Island wel anders. Dat kwam meer neer op een overname. Zo werd de paaswake geleid door pater Brendan Gallagher SJ, de nieuwe novicenmeester van de Jezuieten voor de provincies van Groot-Brittannie, Ierland en Nederland, die dit jaar als aalmoezenier was verbonden aan de Northern Cross Pilgrimage en was meegelopen met een van de andere routes. Maar dan komen we terecht bij een ander onderwerp: de spanningen tussen pelgrims en parochianen van een bedevaartsoord. Wie bepaalt wat er gebeurt? Wie weet, kom ik daar nog wel eens op terug.


Bronnen:

Marcel Becker, De geschiedenis van Pax Christi van 1948 tot 1968, gebed, studie en actie. In: Ben Schennink (red), In beweging voor de vrede. Veertig jaar Pax Christi: geschiedenis, werkwijze, achterban en invloed, Den Haag/Nijmegen, 1988, p. 19-58

Dermot Doran, Commemorating Walsingham 1948, in: Catholic Herald, 31 juli 1998

Columba Ryan OP, Carrying the cross to Walsingham, in: Catholic Herald, 12 september 1947

Kenneth Williams, 'Whan that in april the shoures soete': The Northern Cross Pilgrimage. In: The Reader summer 2008 Vol 105 No 2, p. 12 - 13