maandag 18 mei 2015

Armen zijn duurder uit

Over het onrecht van de boete op armoede

Vier jaar geleden was armoede het jaarthema van de Iona Community. De jaarlijkse week op Iona voor members van de Community werd toen geleid door Niall Cooper, de landelijke coördinator van Church Action on Poverty. In Grieshog 28 heb ik daarvan indertijd verslag gedaan. De samenwerking met Cooper en zijn organisatie is sindsdien geïntensiveerd. Dat heeft onder meer geleid tot een gezamenlijk project over wat de Engelsen noemen de ‘poverty premium’. Ik zou daarvoor eerder het begrip ‘boete op armoede’ willen gebruiken dan ‘armoedepremie’. Beide begrippen willen in ieder geval het verschijnsel aanduiden dat armen meer moeten betalen voor dezelfde goederen en diensten dan mensen die het financieel breder hebben. Begin december verscheen het eindrapport ‘Food, Fuel, Finance’. Hierin wordt de werking van dit verschijnsel uitvoerig uit de doeken gedaan voor maar liefst vijf gebieden. Alle vijf beginnen ze met een F: naast voedsel (Food), energie (Fuel) en geld (Finance) ook huisraad (Furniture) en  uitvaart (Funeral). In vertaling bekt dat veel minder dan vijf F-woorden op een rijtje. Maar de inhoud is even schokkend en zette mij ook aan het denken. Wordt er alleen in Groot-Brittannië een boete op armoede geheven of gebeurt dat ook in Nederland? En zo ja, hoe dan?



Onderzoek

‘Food, Fuel, Finance’ bouwt voort op eerdere onderzoeken over dit onderwerp, maar berust vooral op de inbreng van armen zelf. Onder het motto ‘Nothing about us, without us, is for us’ zijn eerst enige focusgroepen gevormd van mensen, die in armoede leven. Met hen zijn de betreffende onderwerpen en hun gevolgen voor het dagelijkse leven verkend. Daarna zijn de resultaten besproken in verschillende rondetafelconferenties, waaraan naast de armen als ervaringsdeskundigen ook andere partijen en deskundigen deelnamen. Dat heeft geleid tot een aantal concrete voorbeelden en aanbevelingen om deze boete op armoede ongedaan te maken.

Voedsel

De stijgende kosten van levensonderhoud in Groot-Brittannië raken vooral de huishoudens met lage inkomens, omdat zij minder vrij besteedbaar inkomen hebben. Vaak zijn de inwoners van arme buurten ook duurder uit, omdat de grote supermarkten in andere wijken gevestigd zijn. Ze zijn dan aangewezen op kleine buurtwinkels, die duurder zijn en een minder groot en gezond assortiment voeren. Dat geldt in nog sterkere mate voor arme mensen die op het platteland leven.

Als je minder geld voor levensmiddelen hebt, kan je ook minder gebruik maken van bonus- en bulkaanbiedingen (drie voor de prijs van twee). Een typerend antwoord op de vraag in het onderzoek ‘hoe ga je om met je budget voor voedsel’ was ook ‘hoezo budget?’ Na de vaste kosten voor huur, energie, zorgverzekering en dergelijke, blijft er weinig over. Sommige ouders slaan maaltijden over om er voor te zorgen dat hun kinderen genoeg eten.

Mensen die in armoede leven, missen vaak ook de mogelijkheden om hun situatie te verbeteren. Ze hebben minder keukenapparaten en opbergruimte. Het witgoed dat ze hebben, slurpt meer energie. Soms beschikt men ook over minder kennis om gezond te koken.

Energie

Huishoudens met lage inkomens betalen hoger dan gemiddelde prijzen voor gas en elektriciteit. Gebruikelijk is, dat gas en elektriciteit op krediet worden geleverd en achteraf worden afgerekend. In Nederland wordt je gebruik van te voren ingeschat en betaal je elke maand een voorschot. Een keer per jaar wordt het reële verbruik vastgesteld en het verschil verrekend. Met een strenge winter kan je ook hier voor verrassingen komen te staan. Als je in Groot-Brittannië niet kredietwaardig bent en/of als je niet voor verrassingen wil komen te staan en je niet meer wil betalen dan je je kunt veroorloven, kan je gas en elektriciteit betrekken via een pre-paidmeter. Zeg maar het oude systeem van de gasmeter met muntjes die je van te voren hebt betaald. Probleem is wel, dat de kosten per kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas aanzienlijk hoger zijn. Onderzoek in Groot-Brittannië wijst uit, dat een huishouden dat een pre-paidmeter  gebruikt, gemiddeld 253 euro meer betaald voor dezelfde hoeveelheid brandstof als via het normale systeem.


Huishoudens met lage inkomens wonen vaak ook in slecht geïsoleerde huizen en de huisbazen zijn niet geneigd hieraan wat te doen.. Dat draagt er ook toe bij, dat velen in koude kamers moeten leven.
Veranderen naar een goedkopere leverancier zou een optie kunnen zijn, maar er is weinig goede informatie beschikbaar over de werkelijke tarieven. En vergelijken van tarieven wordt ook moeilijk, als je niet beschikt over internet.

Energiemaatschappijen blinken ook niet uit door hun klantvriendelijkheid. Voor mensen met een laag inkomen komt daar ook bij dat je moet betalen voor de klantenservicenummers en je vaak in de wacht wordt gezet. De telefoonrekening loopt door…

Geld

Geld lenen kost geld, en niet zo weinig ook.
Een eerste belangrijke gegeven uit het onderzoek was, dat veel mensen weinig vertrouwen hebben in de financiële instituties, vaak ook op grond van slechte ervaringen in het verleden. De meeste respondenten hadden wel een bankrekening, maar lieten hun geld daar maar kort op staan. Liever betaalden ze rekeningen van instanties contant tegen meerkosten dan via automatische overschrijvingen. Daarmee waren in het verleden teveel fouten gemaakt (niet of te vroeg afschrijven), die hen soms in grote financiële problemen hadden gebracht.

De meeste mensen met een laag inkomen hebben geen creditcard of mogen niet tot een bepaald bedrag rood staan (weliswaar tegen een hoog rentepercentage). Als ze dan toch plotseling geld nodig hebben, zijn ze aangewezen op louche kredietmaatschappijen of payday loans.

Leven op een klein inkomen betekent, dat je heel strikt moet omgaan met je geld, week in week uit. Er is weinig flexibiliteit om onverwachte uitgaven op te vangen. Als dan je fornuis of wasmachine kapot gaat, moet je of interen op je budget voor eten of verwarming, of toch in zee gaan met een kredietmaatschappij. En, zo is ook de ervaring in Nederland, als je achter raakt met betalingen, vermeerdert de schuld zich snel met administratiekosten en incassokosten. En je moet in Nederland ook niet achterraken met de premie voor de zorgverzekering. Als zes maanden niet wordt betaald en er een invorderingsprocedure wordt gestart bij de werkgever of uitkeringsinstanties moet niet alleen het bedrag worden betaald dat iemand nog schuldig is, maar komt er ook nog een boete over dat bedrag heen. Dit is geen kleine boete, maar een flink percentage van maar liefst 30 procent van wat al betaald moet worden.

Huisraad

Omdat mensen met een laag inkomen vaak niet voldoende spaargeld hebben om grote uitgaven te betalen, zoals voor nieuwe meubelen of witgoed, leidt de aanschaf daarvan vaak tot schulden. Een uitweg is het kopen op afbetaling, maar de kosten daarvan zijn aanzienlijk.

Uitvaarten

Een begrafenis of crematie kost veel geld. De kosten voor een uitvaart in Groot-Brittannië zijn in tien jaar tijd met 80 procent gestegen. Je bent al snel 3.500 pond kwijt, wat nog kan verdubbelen door bijkomende kosten als een grafzerk. Een van de problemen is, dat mensen niet op hun best zijn na een sterfgeval in hun directe omgeving en zich tal van zaken laten aanpraten door een uitvaartonderneming. Er zijn ook gevallen bekend, dat uitvaartondernemers eerst een aanbetaling van 2000 pond verwachten voordat ze in actie komen. Meer dan de helft van de ondervraagden moesten een lening (bij familie of vrienden of bij kredietmaatschappijen) aangaan om de uitvaartkosten te kunnen betalen.
In Nederland is het systeem van uitvaartverzekeringen meer verbreid, maar oude polissen dekken vaak slechts een klein deel van de kosten.

Aanbevelingen

De organisaties pleiten ervoor, dat de boete op armoede wordt aangepakt en dat bij alle plannen ook mensen met een laag inkomen worden betrokken. Niet alleen de overheid heeft hier een taak. Ook worden commerciële bedrijven, die voedsel, energie en financiële diensten leveren, opgeroepen om de boete op armoede te verkleinen en de toegang van arme mensen tot deze producten te verbeteren. Je zou ook kunnen denken aan de oprichting van coöperaties en sociale ondernemingen voor b.v. de collectieve inkoop van producten.

 

Kenny McBride and Sarah Purcell, Food, fuel, finance. Tackling the poverty premium. December 2014.

 

dinsdag 24 maart 2015

Vezelay 1946: de ontbrekende schakel gevonden

Eind deze week verzamelen zich in verschillende plaatsen in Groot-Brittannië pelgrims om in de Goede Week deel te nemen aan een van de 'Cross Pilgrimages'. Zelf heb ik verleden jaar meegelopen met de Northern Cross Pilgrimage van Melrose naar de Holy Island of Lindisfarne. Toen ik de eerste avond hoorde over de voorgeschiedenis van deze pelgrimstocht, voortgekomen uit de Student Cross Pilgrimage, kwam bij mij het vermoeden op, dat deze Student Cross Pilgrimage en de vredesbeweging Pax Christi wel eens dezelfde wortels zouden kunnen hebben (zie mijn blog van 12 april 2014.) Dat vermoeden werd nog versterkt toen ik afgelopen zomer nog eens terugblikte op mijn pelgrimservaringen en wat speurwerk deed. Zo vond ik een artikel van Kenneth Williams, die in 1976 gestart is met de Northern Cross Pilgrimage en ook dit jaar de algemeen coördinator is. Daarin schreef hij, dat het idee om een pelgrimage te houden waarbij een kruis wordt meegedragen, afkomstig is uit Frankrijk. "In 1946, vlak na de Tweede Wereldoorlog, droeg een aantal groepen kruisen naar Parijs als een vorm van boetedoening voor de zonden die in de oorlog waren begaan. Het jaar daarop droegen enige Engelse groepen kruisen naar het bedevaartsoord van Walsingham. Deze kruisen kan je daar nog steeds zien. Hieruit ontstond het idee van Student Cross als een pelgrimage naar Walsingham." De tocht naar Parijs bleek bij nadere beschouwing de internationale kruistocht voor gebed en vrede naar Vezelay te zijn, waaraan inderdaad enige Engelsen hebben deelgenomen. Veel verder dan het vermoeden van een gemeenschappelijke voedingsbodem kwam ik op dat moment echter niet.


Geschiedenis van Pax Christi

In zijn eerder dit jaar verschenen geschiedenis van 65 jaar Pax Christi Nederland typeert Maarten van den Bos de eerste jaren van deze vredesbeweging als een initiatief om door ontmoeting, gebed en pelgrimage te komen tot verzoening en verbroedering. Pax Christi was in die periode kort na de Tweede Wereldoorlog eerder een vroomheidsbeweging dan een pressiegroep om politieke veranderingen richting vrede te bewerkstelligen. De gezamenlijke bedevaart vormde de kern van haar activiteiten. Daarom werden internationale congressen ook telkens in een Mariabedevaartsoord gehouden, zodat die konden worden verbonden met een pelgrimstocht. Het ervaren van gemeenschap onderweg kon zo de basis vormen voor een nieuwe mentaliteit.  Die verbroedering en verzoening zou gewelddadigheden in de toekomst kunnen voorkomen (p. 21, 37).
Op de rol van pelgrimeren in het werk van Pax Christi zal ik in een volgend blog nog wat nader ingaan. Maar al bij de start van Pax Christi in Frankrijk spelen gebed en pelgrimage een belangrijke rol. Van den Bos vertelt hoe in maart 1945 een groepje verzetsmensen contact zocht met Mgr. Theas, bisschop van Montauban. Deze bisschop was in oorlogstijd een scherp tegenstander geweest van het bewind van Pétain en had zich openlijk uitgesproken tegen de behandeling van de joden. De laatste maanden van de oorlog bracht hij in gevangenschap door. Daar viel hij op door zijn preken over vergeving en verzoening. Met name een meditatie over de Bergrede en Jezus' opdracht 'Heb je vijanden lief' baarde opzien. Om die reden richtte het groepje verzetsmensen, waaronder Marthe Dortel-Claudot, zich tot hem. Zij hadden het plan opgevat om op georganiseerde wijze te gaan bidden voor de verzoening met Duitsland en wilden Mgr. Theas het voorzitterschap van deze beweging aanbieden. Die stemde daarin toe, mits Marthe Dortel-Claudot de dagelijkse leiding op zich zou nemen. Op 22 april verscheen een artikel in het katholieke dagblad La Croix. "Bedoeling was onder het motto 'Pax Christi in regno Christo - de vrede van Christus in het rijk van Christus, de wapenspreuk van paus Pius XII - een 'gebedskruistocht voor Duitsland' te organiseren om zo te werken aan verzoening met de voormalige vijand." (p. 34) De response was groot: 75.000 mensen meldden zich bij het secretariaat van Dortel-Claudot. Een jaar later vond de eerste grote bijeenkomst plaats in Lourdes in aanwezigheid van 7 Duitse pelgrims. De beweging werd in de volksmond inmiddels Pax Christi genoemd. In 1947 werd dit gevolgd door het eerste internationale congres, eveneens in Lourdes, met deelnemers uit Duitsland, Frankrijk, Italië, Engeland en Zwitserland. Bij een bijeenkomst in het Duitse bedevaartsoord Kevelaer in april
1948 waren voor het eerst ook Nederlanders aanwezig, met name uit de kringen van de Tochtgenoten van Sint Frans. Dat leidde tot de oprichting van de Nederlandse afdeling op 5 mei 1948 in de wachtkamer derde klasse van het Utrechtse Centraal Station.
Gebedskruistocht, pelgrimages, Mariaheiligdommen - Van den Bos gaat er uitvoerig op in. Maar helaas, Vezelay noemt hij niet. De gewenste schakel blijft voor mij ontbreken.

Gebedskruistocht

 
Totdat op 13 maart een artikel verschijnt op de website van Pax Christi Internationaal over de start van de Pax Christi beweging. Het is die dag exact 70 jaar geleden, dat een tweede ontmoeting plaats vond tussen Mgr. Theas en de groep rond Marthe Dortel-Claudot, die wordt gezien als de officiële start. De eerste had twee dagen daarvoor plaats gevonden, maar de bisschop wilde eerst toestemming hebben van de aartsbisschop van Toulouse. Daarop bezocht mevrouw Dortel kardinaal Saliege in Toulouse op 12 maart en keerde terstond terug met een positief resultaat. "De volgende dag, 13 maart 1945, autoriseerde bisschop Theas mij als zijn secretaris om een gebedskruistocht voor Duitsland te starten," zou zij later schrijven. "Bij het afscheid voegde hij me toe: 'U bent gezonden door de Heilige Geest. Op diezelfde avond stelde mijn oom voor om de beweging 'Pax Christi' te noemen, wat ik graag accepteerde."

Vezelay 1946

Even verderop in dit artikel staat dan een passage over de gebedskruistocht van 1946 in Vezelay.
"Van 19 tot en met 22 juli 1946 werd in Vezelay (Midden-Frankrijk) een 'gebedskruistocht voor vrede' georganiseerd door Benedictijnen van de abdij van Sainte Marie de la Pierre-qui-Vire, in het Franse departement Yonne. De jonge Pax Christi-beweging ondersteunde dit initiatief. Exact 800 jaar eerder en vanaf dezelfde heuvel had Bernardus van Clairvaux opgeroepen tot de Tweede Kruistocht naar het Heilig Land. De 'kruistocht voor vrede' stond hier diametraal tegenover - een daad van boete, bekering, vergeving en vrede, in een Europese context. Veertien houten kruisen werden in een pelgrimstocht gebracht vanuit Groot-Brittannië, Luxemburg, Zwitserland, België, Italië en verschillende plaatsen in Frankrijk naar de magnifieke Romaanse basiliek."
 
Tot de deelnemers behoorde ook Ignace Lindemans, oud-voorzitter van Pax Christi Vlaanderen en op dat moment een student in Leuven. Met de Belgische delegatie liep hij achter een van de veertien houten kruisen. Duitse krijgsgevangenen, die hadden geholpen bij het bouwen van onderdak voor de pelgrims, vroegen op het laatste moment toestemming om zelf ook een kruis te hebben. Daarop werd een vijftiende kruis opgericht. Tot op de dag van vandaag staan de kruisen, inclusief het kruis van de Duitse gevangenen, dat altijd is versierd met bloemen, in de basiliek van Vezelay. Met het opschrift 'Kruistocht van de vrede Duitsland 1946' contrasteert het sterk met het standbeeld van Bernard van Clairvaux, die tot een gewapende kruistocht opriep in 1146.
 

 Conclusies

Mijn vermoeden, dat de Student Cross Pilgrimage (en Northern Cross Pilgrimage) uit dezelfde voedingsbodem als Pax Christi zijn voortgekomen, is nu bevestigd. De gebedskruistocht voor de vrede die in 1946 in Vezelay gehouden is was voor enige deelnemende Engelsen het voorbeeld om ook in eigen land dergelijke tochten te organiseren. De jonge beweging Pax Christi ondersteunde dit initiatief, zoals ook andere Franse katholieke organisaties dat deden (b.v. de scouting). In een enkele publicatie wordt Pax Christi zelfs als organisator genoemd. Dat is waarschijnlijk te veel eer, maar onder de 30.000 tot 40.000 deelnemers in Vezelay zullen velen hebben gezeten, die zich eerder bij Pax Christi hadden aangemeld.
De term 'gebedskruistocht' lijkt een wat zwaardere lading te hebben dan ik aanvankelijk dacht. Met de veertien kruisen ligt een associatie met de veertien staties van de kruisweg voor de hand. Aanvankelijk was Duitsland niet uitgenodigd voor deze internationale pelgrimage, maar door de positieve reactie op het verzoek van de Duitse krijgsgevangenen om ook een kruis te mogen bijdragen, kreeg dit vijftiende kruis wel een bijzondere lading als teken van verzoening en opstanding. Daarnaast is de term 'gebedskruistocht voor de vrede' bewust gekozen als tegenhanger van de gewapende kruistochten uit de Middeleeuwen.
Door deze gebedskruistocht in het teken te zetten van boete, bekering, vergeving en vrede in een Europese context is deze activiteit, hoe spiritueel ook van karakter, tegelijk ook een voorbeeld van een verbinding van pelgrimeren en maatschappelijke doeleinden,
 

Bronnen

 
Maarten van den Bos, Mensen van goede wil. Pax Christi 1948-2013, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2015
 
 
Kenneth Williams, 'Whan that in april the shoures soete': The Northern Cross Pilgrimage. In: The Reader summer 2008 Vol 105 No 2, p. 12 - 13

 



vrijdag 27 februari 2015

Dromen van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Al gehoord van COP 21 Parijs? Nee? Tot voor enige dagen zei het mij ook niets. 'COP 21 Parijs' blijkt te staan voor 21e Conference of Parties. Eind 2015 komen gedelegeerden uit bijna alle landen in Parijs bijeen voor de volgende klimaatconferentie van de VN. Er moet een vervolg komen op het zogenaamde Kyoto-protocol uit 1997. Je kan dan denken aan afspraken over het snel verminderen van de CO2-uitstoot, het vergroten van de gezamenlijke weerbaarheid tegen klimaatverandering en de financiering van activiteiten daarvoor in de ontwikkelingslanden door de rijke landen. En dat alles om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Dat is niet alleen een economische en politieke noodzakelijkheid, maar ook een morele en ethische kwestie. Om die reden willen christelijke kerken en andere religies in de komende tijd tal van activiteiten organiseren om aandacht te vragen voor het klimaatvraagstuk. Ongetwijfeld zal dit onderwerp ook een rol spelen in de encycliek over de schepping, die paus Franciscus deze zomer uitbrengt.

Pelgrimage van gerechtigheid en vrede

De Wereldraad van Kerken heeft in 2013 besloten om de jaren tot aan de volgende Assemblee in 2021 te typeren als een 'pelgrimage van gerechtigheid en vrede'.  De pelgrimage fungeert als een soort paraplubegrip voor al haar activiteiten, zoals het conciliair proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping dat deed eind jaren tachtig. Het begrip is stevig verankerd in het christelijk geloof. "Onafhankelijk van onze confessie of denominatie," aldus de Wereldraad, "is ons begrip als christenen dat het leven een pelgrimage is, geleid naar een beloofd doel door en met God." De pelgrimage dus als metafoor voor de levensweg, Het onderweg zijn staat dan ook voorop: "Als medepelgrims reizen we samen, elkaar kennend en elkaars kwetsbaarheid beschermend, elkaar gastvrijheid verlenend en genade, en luisterend naar elkaar, bereid om risico's te nemen en we besluiten samen welke nieuwe terreinen we binnentrekken."
Of zoals Fernando Enns zegt op de website van de Raad van Kerken: "Bedoeling van deze pelgrimage is kerken uit te nodigen bewust te worden van de spirituele wortels die je drijven tot het werken aan vrede en recht. De vraag naar waar de pelgrimage naar toe gaat... de bedoeling is nu juist dat je gewoon op weg gaat, op reis  zonder van te voren te weten hoe de reis verloopt, of waar  je precies uitkomt. Dat is juist een diepe spiritualiteit. Een fysieke pelgrimage onderneem je ook niet perse voor het doel, het gaat om de reis. En je hoopt maar dat het je iets leert over God, onderweg, al kan het zijn dat je er onderweg maar weinig bij voelt. Zo is dat met deze pelgrimage ook: op reis gaan met dit thema, zonder te weten waar naar toe die reis gaat. Je hoopt dat je iets zult leren van elkaar en  dat je zult leren hoe je tot vrede en grotere rechtvaardigheid komt."


Pelgrimage voor klimaatgerechtigheid

Als het thema van de pelgrimage deze jaren zo centraal staat binnen de Wereldraad van Kerken is het niet zo vreemd, dat bij het nadenken over actiemiddelen om het publiek te betrekken bij COP 21 ook gedacht is aan een fysieke pelgrimstocht naar Parijs. In een aantal buurlanden bestaan al concrete plannen om een dergelijke pelgrimstocht te houden. Sommige pelgrims willen gaan lopen, anderen houden meer van fietsen. Hoewel het initiatief vanuit de Wereldraad van Kerken afkomstig is, zijn bij een aantal initiatieven ook rooms-katholieke bisdommen en NGO's actief betrokken.
Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid kent verschillende doelen, zoals:
  • het uiten van grote bezorgdheid voor de toekomst van Gods wereld
  • het tonen van gezamenlijke, multireligieuze steun voor klimaatgerechtigheid
  • het oproepen tot het bereiken van een ambitieus resultaat tijdens de COP 21 onderhandelingen en daarna
  • het vertellen van geloofsverhalen waarom mensen gedreven zijn naar Parijs te lopen
  • het  bidden en bezinnen bij plaatsen van pijn en belofte onderweg

Engeland

In Engeland wordt er bijvoorbeeld over gedacht om in Canterbury te starten en dan grotendeels de Via Francigena, de oude pelgrimsweg van Canterbury naar Rome, te volgen  om uiteindelijk in Parijs uit te komen. Onderweg zou dan b.v. gereflecteerd kunnen worden bij gebieden die geregeld overstromen, windmolenparken en de vluchtelingenkampen bij Calais (klimaatvluchtelingen).
De fietspelgrimstocht is in tweeën geknipt. Van 29 tot en met 31 augustus 2015 fietsen de pelgrims van Londen naar Newhaven om de draad in december weer op te pakken en van Dieppe naar Parijs te rijden.

Duitsland

In Duitsland hebben de kerken de voorbereidingen voor een oecumenische pelgrimstocht voortvarend opgepakt. Katholieke bisdommen en evangelische landskerken en allerlei katholieke en protestantse organisaties werken daarbij nauw samen. In maart gaat zelfs een speciale website de lucht in.
De Duitsers hebben een globale route uitgezet die van Flensburg loopt via Trier en Metz naar Parijs. Als de pelgrims half september starten in Flensburg kunnen zij in twaalf weken naar Parijs lopen en op tijd aankomen voor de grote bijeenkomst op 6 december. Pelgrims hoeven niet de hele afstand te lopen. Mensen kunnen zich ook voor een of meerdere dagen aansluiten. Waarschijnlijk komt er ook nog een zuidelijke tak, die vanuit  München vertrekt en in Trier aanhaakt op de hoofdroute.
In deze maanden vinden er in de regio's waar de pelgrimstocht doorheen komt allerlei bijeenkomsten plaats om de pelgrimage voor te bereiden: het bepalen van de pleisterplaatsen (met etappes van ongeveer 20 kilometer); het vaststellen van de plaatsen van pijn en belofte, waar speciale bezinningsmomenten kunnen worden gehouden; het regelen van onderdak; het bedenken van avondprogramma's op de pleisterplaatsen e.d. De opkomst bij deze bijeenkomsten is verrassend goed. Daar zal zeker toe hebben bijgedragen, dat b.v. in Westfalen de preses van de Evangelische Kerk van Westfalen en de bisschoppen van Paderborn en Munster een gemeenschappelijke oproep hebben gedaan om mee te werken aan deze oecumenische pelgrimstocht.

Intermezzo: pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede

Het model van een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid zou vragen kunnen oproepen als: is zo'n pelgrimage niet een protestdemonstratie in een religieus jasje? Instrumentaliseer je zo niet het pelgrimeren voor politieke doeleinden? En is dit wel een pelgrimage? Kenmerkend voor een pelgrimstocht of bedevaart is toch, dat het een individuele of collectieve tocht naar een heilige plaats is met het doel daar God of het heilige te ontmoeten?  Wat is er heilig aan Parijs als vergaderplaats voor COP21?
Een paar gedachten ten antwoord. Pelgrims hebben altijd verschillende motieven gehad om op pelgrimstocht te gaan. Niet iedereen ging voor eigen zielenheil of genezing op pad. Mensen ondernamen ook een pelgrimstocht voor de genezing van familieleden of anderen. Achterblijvers vroegen hen om onderweg en in het bedevaartsoord voor hen te bidden. Ook nu nog doen zelfs niet zo kerkelijke pelgrims die op weg zijn naar Santiago de Compostela de ervaring op, dat mensen die zij onderweg ontmoeten hen vragen straks voor hen te bidden of een kaars op te steken. De vredesbeweging Pax Christi is voortgekomen uit gebedskruistochten die kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk gehouden werden voor de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. Vaak gingen deze tochten naar bekende bedevaartsoorden als Lourdes, Vezelay of Rocamadour. Maar de tocht was zelf ook al een getuigenis - een teken van verzoening (en soms aanstoot) voor de mensen die men onderweg ontmoette.
Een belangrijk doel van elke pelgrimstocht is, dat mensen door de ontmoetingen met God en met de anderen, onderweg en op de heilige plaats, gesterkt worden om hun leven hernieuwd invulling te geven.

Brede opvatting

In hun boek 'To be a pilgrim' hanteren Barbara Butler en Jo White (2002) een breed begrip van pelgrimeren. Daaronder vallen niet alleen de tochten naar heilige plekken of erkende bedevaartsoorden, maar ook reizen naar elke bestemming, die betekenisvol is voor pelgrims, ja, zelfs de reizen zonder bestemming die Brandaan en andere Keltische monniken ondernamen. Ze wijden een hele sectie aan pelgrimeren voor gerechtigheid en vrede en nemen daarin ervaringsverhalen op van vredeswerkers, ontwikkelingswerkers in de Derde Wereld en een reisverslag van een Anglicaanse bisschop in Palestina. Twee verhalen zijn voor ons onderwerp van bijzonder belang:
  • de pelgrimage tegen armoede, die Church Action on Poverty organiseerde van augustus tot oktober 1999. Pelgrims liepen van Iona naar Londen, van Holywell naar Cardiff en van St David's naar Cardiff. De startpunten zijn bekende Britse bedevaartsoorden, de eindbestemmingen de centra van politieke macht in Engeland en Wales. Het doel van de pelgrimage was aandacht te vragen voor de uitroeiing van armoede in het Verenigd Koninkrijk in 2020. "Zeven mensen begonnen vanaf Iona, waaronder een werkloze, en duizenden voegden zich onderweg bij hen, waarmee het mogelijk de grootste anti-armoede demonstratie werd sinds de mars van Jarrow naar Londen in 1936. De pelgrims werden onderweg onthaald met muziek, bijeenkomsten en toespraken. In de plaatsen waar zij langs kwamen werden armoedeproblemen aan de orde gesteld, die soms onbekend waren voor de gewone bezoekers. Ze kampeerden onderweg, of overnachtten in parochiezaaltjes of zelfs kerkgebouwen."( p. 219)
  • onder het motto 'wandel lokaal en denk globaal' werd als onderdeel van een weekend over de wereldarmoede in Yorkshire een wandeling georganiseerd. De deelnemers luisterden onderweg naar korte verhalen over de lokale geschiedenis, afgewisseld met meditaties over mensen die wereldwijd in armoede leven.

Recent voorbeeld


Een meer recent voorbeeld is de pelgrimage voor vrede en gerechtigheid die in 2013 in Groot-Brittannië werd gehouden tegen de aanschaf van nieuwe Trident-kernraketten. Het idee hiervoor ontstond tijdens een interreligieuze dienst in Hexham. De pelgrimage startte met Pinksteren 2013 (zondag 19 mei) op Iona en eindigde op Trafalgar Square op zaterdag 20 juli 2013. De tocht bood aan lokale kerken en vredesgroepen talrijke mogelijkheden om in de plaatselijke pers de kwestie van de Trident-raketten en bredere kwesties van sociale en economische gerechtigheid aan de orde te stellen.
Maar de organisatoren benadrukten bovenal, dat "de pelgrimage een gelegenheid biedt om ons gemeenschappelijk menszijn te bevestigen en te vieren: om met elkaar onderweg voedsel te delen, kameraadschap, bemoediging, verhalen en muziek, vreugde te midden van grimmigheid - onze visie van een eerlijker, meer genereuze toekomst voor iedereen, gebaseerd op samenwerking en onderlinge steun in plaats van het voortbestaan van de meest aangepasten of de rijksten."

Een Nederlandse pelgrimage voor klimaatgerechtigheid?

Sinds begin dit jaar komen ook in Nederland enige kerkelijke organisaties en NGO's op het gebied van milieu en ontwikkelingssamenwerking bijeen om plannen te maken voor activiteiten op weg naar COP21. Daarbij kan je zowel denken aan activiteiten om het publiek te mobiliseren als lobbyen bij politici. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid behoort ook tot de mogelijkheden, maar niet alle protestanten lopen warm voor een pelgrimstocht. Luther en Calvijn moesten in hun tijd niets van pelgrimeren hebben en hebben de bedevaarten, waar ze dat konden, zo snel mogelijk afgeschaft. Die erfenis raak je niet zo snel kwijt. Toch hoop ik dat het gaat lukken. Een pelgrimage voor klimaatgerechtigheid biedt een unieke kans om spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid met elkaar te verenigen. De toekomst van de aarde is dat wel waard. De tijd tikt door, maar de voorbeelden uit het buitenland geven ook praktische suggesties om hier inhoud aan de pelgrimage te geven. Het aardige is, dat dit model een raamwerk biedt, dat lokaal verder ingevuld kan worden. Wat zijn in onze buurt interessante plaatsen van pijn en belofte (hoop) op het gebied van klimaatgerechtigheid en duurzaamheid? Wat zijn interessante initiatieven of groepen om hierbij te betrekken? Kunnen we de moskeeën en andere religies hierbij betrekken?
Het lijkt me ook een uitdaging om deze pelgrimstocht een echte pelgrimstocht laten zijn door ook aandacht te besteden aan gebed en spiritualiteit. Een pelgrimsboekje met allerlei teksten en gebeden zou hierbij behulpzaam kunnen zijn. Zo'n boekje zou ook een rol kunnen spelen bij bijeenkomsten rond de pelgrimage of in kerkelijke gemeenschappen, die niet aan de route liggen maar toch in gebed en met andere activiteiten willen meedoen.



Gebruikte literatuur:

Barbara Butler en Jo White (red), To be a pilgrim. A comprehensive guide, Kevin Mayhew Ltd, Buxhall, 2002

dinsdag 3 februari 2015

Een theologie van pelgrimeren

Op 16 januari 2015 hield Peter Schmidt de oecumenelezing 2015 in Utrecht. Die was gewijd aan het thema pelgrimeren vanwege de 'Pelgrimage van gerechtigheid en vrede' van de Wereldraad van Kerken. Schmidt bekende zelf weinig praktische ervaring met pelgrimeren en bedevaarten te hebben. Des te meer is hij thuis in Bijbel en theologie. Dat leidde tot een benadering van 'pelgrimeren', die dieper ging dan het weergeven van de wederwaardigheden tijdens een tocht naar een welbepaald heiligdom. Hij wilde vooral de theologische dimensie van pelgrimeren verkennen.

Het aanvaarden van de vreemdheid

Voor Abraham betekende de lange tocht niet enkel een fysiek wegtrekken uit Haran naar het onbekende Kanaän, aldus Schmidt. In het licht van zijn vertrouwensavontuur met zijn God was de tocht ook een wegtrekken uit zijn vertrouwde beeld van wie en wat God was. En Als Abraham dacht, dat hij het nu wel begreep, ging de ontlediging telkens een stap verder. Totdat God hem zelfs vroeg zijn dierbaarste zoon op te geven (Gen. 22). Dit hoofdstuk is volgens Schmidt het eerste hoofdstuk in de bijbel waar iemand God God laat zijn, en elk zelfgemaakt beeld van God achter zich laat. “Gód zal voorzien” - niet mijn beeld van God, niet mijn idee van hoe God zou moeten zijn om goed over te komen. Met Abraham begint wat eeuwen later de eerste zaligspreking zal worden: de armoede van geest, de enige plek waar we God kunnen vinden. De armoede die we niet zelf kozen of programmeerden, maar die er komt omdat ons zoveel vertrouwde dingen uit handen worden geslagen.
Diezelfde beweging komen we ook tegen in andere bijbelverhalen (exodus, ballingschap, Jezus in de evangelies, Paulus). Schmidt ziet dat als het eerste basiskenmerk van pelgrimeren: het aanvaarden van de vreemdheid. "De woorden pelgrim en pelgrimage stammen van het Latijnse woord peregrinus, peregrinare. Daarin steken de elementen ‘per’ en ‘ager, agri’: peregrineren is door de akkers en velden trekken. De Latijnse betekenis is eigenlijk niet die van bedevaarder, maar van ‘vreemdeling’. In de Latijnse Vulgaatvertaling van Hiëronymus wordt in de Thora de vreemdeling steevast met peregrinus weergegeven. Dat is een belangrijke associatie. Wie pelgrim is, wordt allereerst voor een tijd vreemdeling. Je hebt het vertrouwde verlaten, je bent niet meer thuis. Maar daarover klonk ook een woord in de Thora: Je moet de vreemdeling goed behandelen want je bent het zelf geweest. Dat komt eigenlijk neer op wat de Bergrede eeuen later zal formuleren: behandel de ander zoals je zou verlangen dat hij jou behandelt. Het is, dat weten wij, in Jezus’ ogen de samenvatting zelf van de hele Thora en profeten."


De weg en de bestemming

Als tweede basiskenmerkt ziet Schmidt de paradoxale relatie tussen de tocht en de bestemming.
Het denken over de aard van de bestemming is vandaag een van de grootste uitdagingen aan ons geloof. Schmidt: "Tot voor kort was de bestemming, ook al konden we er geen echt beeld van vormen, voor alle gelovigen duidelijk. Het was de hemel, in elk geval een werkelijkheid elders, en na de dood. Het ging uiteindelijk helemaal niet om deze wereld. Het wezenlijke lag jenseits, het diesseits was per slot van rekening bijzaak. En toch bestond ook hier de onopgeloste paradox, want het korte diesseits besliste toch over je eeuwige bestemming, hemel of hel! De vraag die zich daarbij toen al stelde, maar nu veel acuter dan toen, is deze: is alle inzet voor de wereld dan uiteindelijk slechts een tijdpassering, vermits het toch allemaal vergaat? Is het niets anders dan een oefening, een tentamen dat eigenlijk even goed een ander had kunnen zijn? Was het niet de reden waarom de kerken zowel de grote armoede als de schandalige rijkdom onder de wil van God konden catalogeren? De armen hadden hier voor een korte tijd pech, de rijken troffen het, maar na de dood zou God de lat gelijk leggen, bijvoorbeeld met een langer vagevuur voor de rijken… Wat is dan de verhouding tussen inzet voor een betere wereld (onze tocht) en de bestemming? " Kortom, als alles gaat om de eindbestemming, wat doe je dan nog onderweg?
Maar het benadrukken van het onderweg zijn en de tocht belangrijker vinden dan de bstemming is ook niet zonder problemen: "Is niet alles wat men vandaag hoort, ook in kerkelijke verkondiging, gericht op het beter maken van de wereld? Meer gezondheid, minder armoede, meer gerechtigheid, meer vrede…? Is de bedoeling niet dat we van de wereld a better place maken, waar het voor zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk toeven is? Maar is de andere kant van deze medaille, of liever een natuurlijk uitvloeisel van dit streven dan niet dat het verlangen om deze wereld voor een andere te ruilen gaat eroderen? Waarom nog een andere wereld? En is die er wel? "

Schmidt ziet de oplossing voor deze paradox in de taal van Mt 25,31vv. en 1 Kor 13. Deze taal zegt: agapè, dat moet de tocht én de bestemming zijn. God is agapè, zal de auteur van de Eerste Johannesbrief schrijven. We weten niet waar onze hoop concreet op gericht staat. Eén ding weten we wel met zekerheid: we kùnnen niet blijven staan; we moeten altijd weer onze tent opbreken. De tocht is essentieel, want anders is er geen aankomstplek. De tocht is binnenwerelds en kan niet anders dan binnenwerelds zijn, en we moeten ons tot bloedens toe voor meer gerechtigheid, meer vrede inzetten. Aan de bestemming kunnen we niet bouwen, wel aan de weg.
Met de liefde als tocht én bestemming legt Schmidt theologisch een stevig verband tussen pelgrimeren en diaconie/caritas. Dat is een mooie aanvulling op een eerdere blog over pelgrimeren en diaconie.

Toetje: Pelgrimage vanuit de verbeelding

Schmidt is ook de auteur van een boek over 2000 jaar Christus in kunst en cultuur. De uitnodiging voor de oecumenelezing beloofde tevens een kunstzinnige en cultuur-analytische benadering van pelgrimeren. De kunst kwam evenwel wat minder aan bod dan verwacht.  Schmidt toonde alleen het Lam Gods van de gebroeders Van Eijck. De hoofdvoorstelling is ontleend aan de Apocalyps en toont een hemelse liturgie rond het Lam Gods. Opvallend is de Domtoren van Utrecht, die deel uitmaakt van het Hemelse Jeruzalem (een toevoeging van Jan van Scorel?). Van overal vandaan komen mensen hier naar toe. Op de zijpanelen staan verschillende groepen mensen, links de politici (de rechtvaardige rechters) en de ridders van Christus (kruisvaarders en gekroonde hoofden), rechts de kluizenaars en de pelgrims.

Als we wat meer inzoomen op het rechterpaneel, dan zien we dat de stoet pelgrims wordt aangevoerd door een reusachtige Christoffel, de beschermheilige van de reizigers. Achter hem loopt een pelgrim die de insignes van de drie grote pelgrimages op zijn kleding draagt. Op zijn hoed herkennen we de tekens van Jeruzalem (Kalvarieberg) en Compostela (Jacobsschelp). Op zijn mantel wordt Rome aangeduid door een perkamenten 'brieveken van Veronike' met een geschilderd beeld van het Heilig Aanschijn. Als symbool van de Romebedevaart volstond de Veronike. Van Eijk heeft de sleutels van de Heilige Stad er niet bijgevoegd. De drie pelgrimstekens vormen een weloverwogen en sprekende synthese van het pelgrimeren in de samenvoeging van de drie allergrootste pelgrimages van de christenheid.

donderdag 13 november 2014

Een inspirerende Ronde van Ierland

Op verzoek van Geert van Dartel heb ik voor de website van de Katholieke Vereniging voor Oecumene een recensie geschreven van het nieuwe boek van Annemarie Latour en Frank Bosman, 'Pelgrimage van smaragd.' Ik plaats hier dezelfde tekst met een paar extra links.

De beproeving van Lough Derg


 Een van Europa’s meest extreme pelgrimsoorden ligt op een klein eilandje in een meer, Lough Derg, in het Ierse graafschap Donegal. Het is moeilijk bereikbaar, zeker voor mensen zonder eigen vervoer. Die worden aangeraden om een taxi te nemen vanaf het dorp Pettigo, een rit van ongeveer zes kilometer. Het laatste stukje reis is voor iedere bezoeker gelijk. Een bootje zet je over naar Station Island, een van de 46 eilandjes in Lough Derg. Het eiland staat ook wel bekend als ‘St Patrick’s Purgatory’ ofwel ‘het vagevuur van St Patrick’. St Patrick is de patroonheilige van Ierland en een van de drie grote Keltische heiligen. St Columba en St Brigid zijn de andere twee.  Volgens de overlevering zou St Patrick op een van de andere eilandjes in het meer een visioen hebben gehad van het vagevuur, toen hij daar enige tijd in een grot verbleef. Dat is een toepasselijke plek voor een dergelijk visioen. In de Keltische mythologie is een grot van oudsher een van de plekken waar onze fysieke wereld en de onderwereld van de geesten en de elfen (‘het kleine volkje’) elkaar raken. Een goede  plek dus om een visioen te hebben over een passage naar de andere wereld van het vagevuur. De overlevering wil ook, dat op dit eiland, Saint’s Island, een klooster werd gesticht en een leerling van St Patrick, St Davog, daarvan de eerste abt werd. Daarvan zijn geen verdere bewijzen gevonden.

 
Dat is anders voor Station Island. Al bijna duizend jaar staat dit eiland bekend als een pelgrimsoord voor mensen die op zoek zijn naar boetedoening en vergeving. Het verblijf op Station Island is ook anno 2014 heel spartaans en ascetisch; boetedoening staat voorop. Daarmee is het een wat vreemde eend in de bijt van pelgrimsoorden. De tocht naar ‘St Patrick’s Purgatory’ wordt niet gemaakt, omdat op het eiland Christus heeft verbleven of Maria is verschenen, of omdat er een heilige is overleden of dat er relieken bewaard worden. Geen van deze klassieke redenen maakt Lough Derg tot een pelgrimsoord. Pelgrims komen hier naar toe omdat zij hier iets willen beleven: boetedoening, verzoening, bekering, healing. En soms ook wel uit nieuwsgierigheid. Want een glimp opvangen van het vagevuur of de onderwereld, overkomt je ook niet elke dag.

In de Middeleeuwen, van de twaalfde tot de zestiende eeuw, was Lough Derg een internationaal befaamd pelgrimsoord. Van heinde en ver kwamen er pelgrims op af, en onder hen nogal wat ridders. Na twee weken vasten en bidden en na de biecht te hebben afgelegd, werden ze overgeroeid naar het eiland met de grot. Eerst werd er een dodenmis voor de pelgrims opgedragen – het einde van hun leven tot nu toe. Dan gingen ze alleen de grot in en verbleven er 24 uur, geheel afgesloten van de buitenwereld. Je zou om minder visioenen van de hel en de hemel krijgen. Nogal wat pelgrims hebben hun ervaringen op schrift gezet of laten zetten. Een van de eerste verslagen is van de Ierse ridder  Owein, die in 1146 of 1147 in de grot verbleef. Zijn ervaringen werden rond 1185 gepubliceerd in een traktaat over St Patrick’s Pulgatory van de kroniekschrijver Hendrik van Saltrey. Maar er zijn ook beschrijvingen bekend van pelgrims uit Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië en Hongarije. Geleerden veronderstellen, dat Dante Alighieri zijn beschrijvingen van de hel, de louteringsberg (purgatorium of vagevuur) en de hemel in zijn Goddelijke Komedie heeft gebaseerd op deze verslagen.

Voor sommigen was het verblijf in de grot op Station Island een ingrijpende gebeurtenis, die hun leven veranderde. Nogal wat ridders legden nadien hun wapenrusting af en gingen het klooster in. Daarvan is zelfs een voorbeeld te vinden in Nederland. Het klooster Oostbroek bij Utrecht is rond 1120 gesticht door bisschop Godebald “met de hulp van een zekere ridder, die in de louteringsgrot van Saint Patrick was geweest,” aldus de kroniekschrijver Hendrik van Thabor in 1522. In een ander document worden als stichters van deze Laurensabdij zelfs twee ridders met name genoemd, Herman en Theoderik. Men veronderstelt nu, dat een van hen of beide in 1113 de pelgrimstocht naar Lough Derg hebben gemaakt.

Beeld van Patrick op Lough Derg
 
Tegenwoordig zijn er geen ridders meer die na een veldtocht op bedevaart gaan naar Lough Derg . Een verblijf op Station Island is ook niet zo zwaar als in de Middeleeuwen. Toch staat het driedaagse programma, dat moderne pelgrims tegenwoordig in de zomer (van 1 juni tot half augustus) kunnen volgen in ‘St Patrick’s Purgatory’ nog steeds in de oude traditie van boetedoening en ascese, die zo kenmerkend was voor het Keltische christendom. Het is daarmee ook een van de meest sobere en veeleisende pelgrimstochten in Europa.

Van de deelnemers wordt allereerst gevraagd dat zij de volledige drie dagen van het programma vasten. Daarmee moet je al begonnen zijn op de dag van aankomst en het vasten eindigt aan het eind van de derde dag. Slechts een keer per dag is er een maaltijd van zwarte thee of koffie, een haverkoekje en een geroosterde boterham.

Bij aankomst worden alle deelnemers verzocht hun schoenen en kousen uit te doen. Drie dagen lang zullen zij blootvoets op het eiland doorbrengen. Het programma wordt geopend met een gezamenlijke viering in de basiliek, waarin dank wordt gezegd voor  een behouden aankomst op het eiland. Daarna worden de deelnemers gevraagd om blootvoets biddend en mediterend over het eiland te lopen langs vijf gebedsstaties, die zijn gewijd aan Ierse heiligen, naast de grote drie ook Brendan en Catherine. De deelnemers  verzamelen zich vervolgens weer in de basiliek, waar ze wakend en biddend de nacht doorbrengen.

Tijdens de tweede dag vernieuwen de pelgrims hun doopbeloften, ontvangen het sacrament van de verzoening en biechten en lopen weer al biddend langs de verschillende gebedsstaties. Die avond mogen ze wel te bed gaan. De volgende ochtend wordt de eucharistie gevierd, krijgen de pelgrims hun kousen en schoenen terug en hebben ze nog een keer de gelegenheid om langs de gebedsstaties te lopen, zich te bezinnen op de ervaringen van deze driedaagse pelgrimage en zich voor te bereiden op een nieuwe start.

Net als andere pelgrimsoorden, ziet Lough Derg de bezoekersaantallen stijgen, en verrassenderwijs juist ook in de jongere leeftijdscategorieën. Tot de motieven om op bedevaart te gaan, behoort traditioneel ook boetedoening. En hoewel zonde, absolutie en boete cultureel uit de gratie zijn, trekt Lough Derg tamelijk wat mensen, die ontevreden zijn met hun levenswandel of in het reine willen komen met hun leven. De pelgrims hebben de ervaring, dat dit programma van ascese en boetedoening zowel lichaam als ziel reinigt, hen het comfort van het dagelijkse leven meer doet waarderen en hen er tegelijk van bewust maakt dat elders in de wereld mensen dagelijks zonder eten en een goed onderkomen moeten leven.
 
Bronnen

Ian Bradley, Pilgrimage. A spiritual and cultural journey, Oxford, 2009

Andrew Jones, Pilgrimage. The journey to remembering our story, Abingdon, 2011

Gert Landman, Bilts Hoogkruis. Geschiedenis in steen, De Bilt, 2013

 

Pelgrimage van smaragd

Deze beschrijving van Lough Derg komt niet voor in het boek, dat Annemarie Latour en Frank Bosman onlangs hebben uitgebracht en dat zij als titel hebben meegegeven ‘Pelgrimage van smaragd. Een inspirerende route door Keltisch Ierland’. Zij beschrijven daarin twaalf bestemmingen, die gekleurd zijn door het Keltisch christendom, vertellen de verhalen van vroeger en brengen die in verband met hedendaagse culturele uitingen. De associaties zijn soms verrassend, met uitstapjes naar de wereld van de literatuur, film, role playing games en computerspellen. Ik weet niet, of ze overwogen hebben om Lough Derg in hun boek op te nemen. Van mij mogen ze dat in een volgende, uitgebreide tweede druk doen. Ik geef hen mijn bovenstaande schets cadeau en ben benieuwd hoe ze die dan verder zullen uitwerken. Er zitten enige beloftevolle thema’s in. Ik denk bijvoorbeeld aan de rol van boete en boetedoening in het Keltisch christendom, een aspect dat in veel hedendaagse boeken over dit onderwerp genegeerd of verwaarloosd wordt. Over de penitentieboeken en de uiteenlopende straffen voor mensen in verschillende maatschappelijke posities kunnen nog wel enige smeuïge en leerzame verhalen verteld worden. Een uitweiding over het vagevuur en de louteringsberg lijkt me ook niet te versmaden. En hoe gaan we tegenwoordig om met zonde, schuldbelijdenis en boete voor begane misdaden. Kan je nog wel schoon schip maken of blijven bepaalde misstappen je je hele leven achtervolgen? Kortom, Annemarie en Frank, hier ligt een mooie uitdaging.

 

Keltisch christendom


Maar voor zover het is, kunnen we genieten van dit boek. ‘Pelgrimage van smaragd’ bestaat feitelijk uit twee delen. Het eerste deel is een introductie van het Keltisch christendom aan de hand van een aantal thema’s. Latour en Bosman hebben een eigen synthese gemaakt uit de geraadpleegde literatuur. Ze komen tot de volgende kenmerken:

·         De ‘kracht van plaats’. Al in de voorchristelijke Keltische spiritualiteit was er sprake van ‘thin places’, plekken waar de sluier tussen onze wereld en de wereld van de geesten en de goden (onder- en bovenwereld) ragfijn was. Hemel en aarde raken daar elkaar. Ook nu nog wordt van Iona gezegd, dat het een ‘thin place’ is. Latour en Bosman verbinden hieraan het begrip ‘peregrinatio (pro Christo)’, de innerlijke en uiterlijke pelgrimstocht. In het Keltisch christendom nam de pelgrimage een belangrijke plek in. Talrijk zijn de verhalen over Ierse monniken die hun vertrouwde omgeving verlaten om op reis te gaan naar een heilige plek of naar hun ‘plaats van opstanding’, de plek waar hun ziel een thuis kon vinden, kortom een geschikte plek om te sterven.

·         Zielsverwantschap. De Ieren hadden een speciale vorm van geestelijke begeleiding, die ‘zielsverwantschap’ of ’anamchara’ werd genoemd. Geen biechtvader, maar wel iemand die eerlijk en oprecht tegen je is, en bij wie al je gedachten veilig zijn. Je koos je ‘zielenvriend’ ook uit en verbleef er soms een aantal jaren bij om dan weer verder te trekken. Het Keltische christendom kende geen echte dorpen of steden, maar soms wel grote kloostergemeenschappen. Vergeet daarbij de grote stenen complexen die we kennen van de Benedictijnse kloosters. Ierse kloosters waren verzamelingen van hutjes, werkplaatsen en een kleine kapel.

·         Aanwezigheid Gods. Voor Keltische christenen was God overal aanwezig: van de zon en de maan tot in de kleinste bloem en vogel. De schepping werd beschouwd als intrinsiek goed.

·         Verbeeldingskracht. Met hun gevoel voor de goedheid en schoonheid van de schepping werden ze als het ware medescheppers, aldus Latour en Bosman. Ze hebben oog voor het heilige om hen heen en brengen dat ook tot uiting. “Zij herkennen de kracht van het gesproken woord en de zegenende woorden die zij zelf kunnen uitspreken.” (p. 25) De Keltische hoogkruisen en evangelieboeken als het Book of Kells zijn hier ook uitingen van.

·         Eigenzinnigheid. De reisdrang die aanzette tot het vele pelgrimeren ging ook gepaard met een grote missionaire gezindheid. Ierse monniken brachten het christendom naar Schotland (Iona) en Noord-Engeland (Lindisfarne), maar stichtten ook kloosters in Frankrijk, Zwitserland (Sankt-Gallen) en Italië (Bobbio). Onze eigen Willibrord komt uit Noord-Engeland en heeft zijn opleiding in Ierland gehad. Het Keltisch christendom stoelde deels op het Oosterse monnikendom. Men had een aantal eigen gebruiken, die afweken van gebruiken die in Rome en elders gewoon waren. Dat betrof bijvoorbeeld de wijze van kruinschering en de berekening van de Paasdatum. In veel literatuur worden de verschillen opgeklopt tot een conflict tussen een autonome Keltische kerk en de ‘Roomse’ kerk en is de regionale Synode van Whitby (664) het moment waarop de Keltische kerk het onderspit moet delven.

Na deze schets nemen Latour en Bosman enig gas terug. Ze laten zien, dat het Keltisch christendom waarschijnlijk meer de constructie is van een romantisch verlangen naar een paradijselijk verleden dan historische werkelijkheid. Zich sterk baserend op het boek ‘Celtic Christianity’ van Ian Bradley (1999) beschrijven ze zes historische perioden waarin veel aandacht was voor het Keltisch christendom. Elke periode haalde vooral die aspecten naar voren, die contrasteerden met de eigen situatie of de eigen boodschap kracht bijzetten. Dat begon al bij de schrijvers van de heiligenlevens in de zevende en achtste eeuw en zien we nu bij de voorstanders van ecologie, holisme en new age. Latour en Bosman erkennen, dat niet alles wat nu gezegd wordt over het Keltisch christendom dat de moderne cultuur aanspreekt, overeenstemt met de historische werkelijkheid van de periode tussen 400 en 800, maar ze willen zich daar niet door laten weerhouden.  Met graagte mengen ze in het hoofddeel van het boek historische gegevens met verhalen van Ierse heiligen, elfen en mythologische voorouders. Nu eens schrijven ze over geschiedenis en folklore om daarna uitstapjes te maken naar film, games, muziek, spiritualiteit en theologie.


Reisverslagen


Het hoofddeel van het boek wordt gevormd door twaalf reisverslagen, die in willekeurige volgorde gelezen kunnen worden. Ze presenteren ze in de vorm van een Ronde van Ierland met start en finish in Dublin. De twaalf halteplaatsen hebben ze gekozen, omdat ze in hun ogen hoogtepunten vormen van de Ierse spirituele traditie. De Gouden Eeuw van het Keltisch christendom neemt daarbij een belangrijke plaats in. Zo maken we kennis met oorden die nauw verbonden zijn met Keltische heiligen. Vanzelfsprekend de grote drie: Kildare vanwege Brigid, Croagh Patrick vanwege Patrick, en Kells en het Book of Kells vanwege Columba. Maar Brandaan (Cahersiveen) en Kevin (Glendalough) ontbreken niet. Soms gaat de belangstelling van de schrijvers uit naar voorchristelijke plekken zoals de grafheuvel van Newgrange of de elfenheuvel van Tiveragh. Dan weer hebben de plekken een veel jongere historie. De Honan Chapel in Cork is gebouwd in de jaren 1915 en 1916. De ramen hier verwijzen naar legenden en verhalen rondom heiligen en dieren. En Knock is tegenwoordig een bekende bedevaartsplaats vanwege een Mariaverschijning op een zomeravond in 1879. Bij elke plek weten de auteurs interessante uitstapjes te maken, die duidelijk maken hoe bepaalde thema’s en verhalen doorwerken in de hedendaagse literatuur en cultuur.
 

Enige kanttekeningen


Ik heb over het algemeen genoten van het boek. Zo was voor mij nieuw, dat Skellig Michael de meest westelijke punt zou zijn van de zogenaamde Apollo/Michael as, een geografische lijn door Europa waaraan oude cultusplaatsen liggen. Die zou van Skellig Michael via St Michael’s Mount (Cornwall) en Mont St Michel (Bretagne) lopen naar Frankrijk, Italië en Griekenland tot aan de berg Karmel. (p. 97).
Skellig Michael
 
De auteurs vermoeden, dat het eiland in de tiende eeuw aan de aartsengel Michael is toegewijd, omdat deze rots in de Atlantische Oceaan niet het paradijs op aarde is, maar een hard bestaan met grimmige elementen. Martin Palmer (2012) stelt in zijn boek over heilige plaatsen in Groot-Brittannië dat kerken die aan de aartsengel Michael zijn gewijd, meestal op een heuvel staan en/of aan de noordkant. Michael is de beschermengel die tegen Satan heeft gevochten en hem uit de hemel heeft geworpen. Hij is dus de beschermer van de christenen tegen kwade krachten. Daarom staat hij vaak op een heuvel in het noorden om deze nederzetting te beschermen tegen deze kwade krachten uit het noorden. Hij treedt niet zelden in de plaats van Keltische heuvel of berggoden – dat zou dan wel weer kloppen met die oude cultusplaatsen.

Minder gelukkig ben ik met de overbelichting van de positieve en lichte aspecten van het Keltisch christendom. Daarin volgen Latour en Bosman de vroege Bradley, die in zijn eerste boeken het Keltisch christendom typeerde met drie P’s: poëzie, presentie en pelgrimage. Die zijn herkenbaar in hun kenmerken. Later voegde Bradley er een vierde P aan toe van penitentie. Ascese en boetedoening waren evenzeer kenmerkend en de anamchara kon ook een strenge en sobere leefwijze adviseren. (zie b.v. Bradley 2000). De kracht van het gesproken woord uit zich niet alleen in zegeningen, maar ook in vervloekingen. In zijn heiligenleven van Columba geeft Adomnan daar herhaaldelijk voorbeelden van, tot en met een man die dood neervalt na zo’n vervloeking. 

In hun inleidende hoofdstuk stippen Latour en Bosman wel aan, dat protestanten en katholieken onderling strijd voerden over de interpretatie van het Keltisch christendom. Voor protestanten liep er een rechte lijn van het Keltisch Christendom tot de Reformatie en was de periode tussen de Synode van Whitby en de Reformatie maar een hinderlijke terugval. Voor katholieken was er een veel minder groot verschil tussen de periode voor en na deze Synode. Dat katholieke en protestantse auteurs samen kunnen werken in de bestudering van deze periode, is een verworvenheid van de laatste paar decennia. Dat in Ierland ook eeuwenlang een conflict heeft gewoed tussen een protestantse bovenlaag en het katholieke volksdeel komt niet aan bod. Ik vind dat een misser.

Bespreking van

Annemarie Latour en Frank G. Bosman, Pelgrimage van smaragd. Een inspirerende route door Keltisch Ierland. Ark Media, Amsterdam, 2014
 

Literatuur


Ian Bradley, Celtic Christianity. Making Myths and chasing dreams, Edinburgh, 1999

Ian Bradley, Colonies of heaven. Celtic models for today’s church, London 2000

Martin Palmer, Sacred Land. Decoding Britain’s extraordinary past through its towns, villages and countryside, London 2012

maandag 10 november 2014

Geschiedenis van caritas in beeld

Momenteel loopt in Museum Catharijneconvent in Utrecht de tentoonstelling 'Ik geef om jou!'. Aan de hand van talrijke schilderijen en prenten, maar ook met andere voorwerpen als akten, collectebussen en foto's wordt de geschiedenis van de naastenliefde in beeld gebracht. Deze tentoonstelling sluit mooi aan bij de thematiek van mijn sabbatverlof, dat ik eerder dit jaar had (de geschiedenis van caritas en kerkelijke armenzorg). Binnenkort ga ik naar Utrecht om met de andere leden van onze parochiele werkgroep diaconie de tentoonstelling te bekijken. Ik ben heel benieuwd. Het gelijknamige boek heb ik al enige weken in huis en heb ik met genoegen gelezen. Het is geen catalogus, maar biedt tien inhoudelijke bijdragen over facetten van de geschiedenis van naastenliefde. De bijdragen worden afgewisseld met zeven portretten van weldoeners, twee historische figuren en vijf hedendaagse vrijwilligers. Wie zich verder wil orienteren, vindt aan het eind van het boek een gedetailleerde tijdslijn van de zorg voor de naaste en een bibliografie. Alle bijdragen zijn rijk geillustreerd met afbeeldingen van de objecten, die in de tentoonstelling te zien zijn.


Locatie

Niet vaak zal een museumgebouw zelf object in de eigen tentoonstelling zijn. Dat is hier wel het geval. Het museum is gevestigd in een oud kloostercomplex, het Catharijneconvent, dat in de zeventiende eeuw ook het eerste stads- en academisch ziekenhuis van Utrecht was. De tijdelijke tentoonstelling 'Ik geef om jou!' is te zien in de oude ziekenzaal. En de geschiedenis van de plek als oord van naastenliefde gaat nog verder terug. In 1366 schonk een burger van de stad Utrecht, Pieter Uten Leen, geld aan de broederschap van Sint-Agatha om het stenen huis bij hun kapel te verbouwen tot 'warme stoof'. In dit kleine gasthuis met zeven bedden konden armen en pelgrims dan 's winters onderdak vinden. Ruim een eeuw heeft dit gasthuis hier gestaan.
In 1468 kregen de karmelieten toestemming om op de plek van het gasthuis een nieuw klooster te bouwen. Niet lang hebben ze daarvan plezier gehad. Nog geen zestig jaar later, in 1529, moesten zij op hun beurt wijken voor de Johannieter Orde. Drie eeuwen lang hadden de Johannieters een klooster met een groot gasthuis gehad op het huidige Vredenburgh, dat was gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrie.  Toen wilde keizer Karel V daar een kasteel bouwen ('Vredenburgh') en gaf hij aanzet tot deze 'stoelendans' van religieuze orden. De Johannieters breidden het klooster van de karmelieten uit door omliggende gebouwen en terreinen aan te kopen. In dit nieuwe Catharijneconvent richtten ze twee grote ziekenzalen in.
Als in 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en het openlijk belijden van het katholieke geloof wordt verboden, komt het gasthuis  te staan onder het bestuur van de Staten van Utrecht. Het kloosterhospitaal wordt langzamerhand een wereldlijk ziekenhuis en na de oprichting van de Universiteit Utrecht in 1636 ook academisch ziekenhuis. In de Franse tijd heft Lodewijk Napoleon de universiteit op en moet het gasthuis in 1812 zijn deuren sluiten.
Het kloostercomplex gaat vervolgens dienst doen als Militair Logement. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient het als opvangcentrum voor honderden Belgische vluchtelingen. Uiteindelijk zal hier in 1979 het Museum Catharijneconvent gevestigd worden.
Als stenen konden spreken, zou het gebouw zelf een heel verhaal kunnen vertellen over de geschiedenis van de naastenliefde door de eeuwen heen. Over de rol van particuliere weldoeners, religieuze broederschappen en orden bij de uitvoering van naastenliefde in de Middeleeuwen. Over het gasthuis als opvangplek voor pelgrims, zieken en armen, aanvankelijk ongedifferentieerd, later uiteenvallend in allerlei specialismen. Het Catharijneconvent laat zien hoe uit het gasthuis het academisch ziekenhuis is ontstaan, van hospitium dus tot hospitaal.  Over de invloed van de reformatie op de organisatie van de naastenliefde (hier: grotere rol wereldlijke overheid, verdwijnen van religieuze ordes). Over de relatie tussen oorlogen, natuurrampen en epidemieen enerzijds en naastenliefde en armenzorg anderzijds (hier: de opvang van Belgische vluchtelingen).
Stenen spreken niet, dus hebben we het tentoonstellingsboek en andere media die deze verhalen kunnen doorgeven.

Naastenliefde

Het Catharijneconvent is niet het enige gebouw, dat een verhaal over naastenliefde kan vertellen. Er zijn in Utrecht nog veel meer stenen sporen te vinden. Met een gratis routeboekje of  een app die bij de tentoonstelling is ontwikkeld, kan je zelf op pad gaan langs de eeuwenoude gasthuizen, kloosters en hofjes die in de binnenstad staan. In tal van andere Nederlandse steden zijn ook diaconale wandelingen te maken. En als de gebouwen er niet meer staan, dan zijn er nog wel de instellingen die kunnen bogen op een eeuwenlange geschiedenis: ziekenhuizen, weeshuizen en zorgcentra maar ook charitatieve fondsen. Zo functioneren in Utrecht nog steeds de stichting Evert Zoudenbalchhuis, voortgekomen uit het St. Elisabethsgasthuis, dat de Utrechtse domkannunnik Evert Zoudenbalch (1423-1503) in 1491 heeft gesticht als het eerste weeshuis in Nederland, en het Jonkheer Huijbert Edmond van Buchellfonds, dat uitkeringen doet ter bestrijding van de armoede onder lidmaten van de Jacobikerk en voortkomt uit het vermogen van Hubert van Buchel (1513-1599), eerst kanunnik en later overgaan naar de protestantse kerk (zie p. 83). Ik kom daar aan het eind van dit blog nog op terug.


In het tentoonstellingsboek duidt Annelies van Heijst deze uitingen van naastenliefde als sporen van een christelijke cultuur. Ze laat zien dat de geschiedenis van de naastenliefde in ons land nauw verbonden is met het christendom. God eren en de naastenliefde beoefenen zijn in de christelijke visie de antwoorden van de mens op de liefde die God ons eerst geschonken heeft. Vanaf het vroege christendom is de zorg voor kwetsbaren dan ook een kern van de geloofsbeleving. We zien dat bijvoorbeeld terug in de kloosterregel van Benedictus. Hij schreef  voor, dat een zieke medebroeder moest worden behandeld 'quasi Dominus', alsof hij de Heer zelf was. Dat spoor doortrekkend gingen de meeste kloosters opvang bieden aan zieke pelgrims, reizigers en andere vreemden, in hospitia of gastenverblijven. En toen de steden groeiden, werden daar ook gasthuizen opgericht, door religieuzen, maar ook door particulieren en broederschappen.
Naastenliefde is overigens niet een specifiek christelijke deugd. Ook in andere levensbeschouwingen is het helpen van de naaste een belangrijke waarde. Raphael Evers schetst de rol van liefdadigheid (tsedaka) in het jodendom en Mirjam Shatanawi gaat in op het geven aan de armen (zakaat) als een van de vijf zuilen in de islam. Marije de Nood laat zien hoe mededogen in het hindoeisme en het boeddhisme een rol spelen. Daarmee is het inhoudelijke kader geschetst.

Geschiedenissen

Hoe de, overwegend christelijke, naastenliefde vorm heeft gekregen en zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld, komt aan bod in vier historische bijdragen. Wat namelijk begon als een ongedifferentieerde opvang van zieken, pelgrims en reizigers, groeide uit tot specialistische vormen van zorg en welzijn.

Armenzorg

Maarten van der Linde en Lia van Doorn concentreren zich op de zorg aan de armen. Zij schetsen de ontwikkeling van de middeleeuwse armentafel tot de hedendaagse voedselbank. Al op het Tweede Concilie van Tours was in 567 (!) bepaald dat "iedere gemeenschap de autochtone armen en behoeftigen op passende wijze voedde, elk naar eigen vermogen." De kloosters op het platteland speelden daarbij een belangrijke rol. Toen vanaf 1100 de steden opkwamen, ontstonden ook daar initiatieven om armen te helpen. De auteurs noemen een aantal vroege Utrechtse voorbeelden, zoals de Armenpot van Sint-Jacob, een armentafel in de Jacobikerk, en het Heilige-Geesthuis aan de Vismarkt, gesticht in 1307. Onder invloed van de Franciscanen en andere armoedebewegingen had de arme in die tijd een status als iemand die dichtbij God stond. Deed je iets goed voor hem, dan deed je iets goed voor God. In de zestiende eeuw verandert het beeld van de arme. Armen die vanwege leeftijd of gebrek niet kunnen werken worden gezien als 'ware armen' en komen nog voor ondersteuning in aanmerking. Alle anderen moeten maar via werk in hun eigen onderhoud voorzien. Als na 1580 de gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk wordt en de kloosters, gasthuizen en armenfondsen worden gesloten of overgenomen, verandert de situatie. De stedelijke overheid stuurt er op aan, dat de kerkgenootschappen de zorg voor de eigen armen voor hun rekening gaan nemen, mede vanwege de verslechterde economie.
In de negentiende eeuw worden naast de stedelijke en kerkelijke armenzorg ook verenigingen actief op dit gebied. Aan rooms-katholieke kant kan je dan b.v denken aan de Vincentiusvereniging (1846).
De Armenwet van 1854 blijft het primaat leggen bij de zorg van de kerkgenootschappen voor de eigen leden. Alleen in uiterste nood mocht de stedelijke overheid bijspringen. Hoewel de kerkelijke armbesturen de nood feitelijk niet aankunnen, is deze situatie gehandhaafd tot de invoering van de Bijstandswet in 1965. Bij de vormgeving van de verzorgingsstaat hebben christelijke beginselen een belangrijke rol gespeeld. Even hebben we gedacht, dat het tijdperk van armoede en caritas voorbij zou zijn. Maar de verzorgingsstaat bleek financieel niet te handhaven. Er ontstaan nieuwe vormen van particulier initiatief om mensen bij te staan waar de overheid gaten laat vallen. De opkomst van de voedselbank sinds 2002, waarbij veel plaatselijke kerken betrokken zijn, is daarvan een goed voorbeeld.

Gezondheidszorg

Hannie Kool-Blokland schetst de geschiedenis van de zorg voor de zieken. Ook hier begint het verhaal bij de zorg van kloosterlingen voor zieke reizigers, armen en hulpbehoevenden en de inzet van andere groeperingen als de steden groeien, zoals de stedelijke overheid en de gilden en liefdadige broederschappen. Al in de Middeleeuwen ontstaan er aparte voorzieningen voor besmettelijke zieken: pesthuizen voor pestlijders, leprozerieen voor melaatsen en lijders aan andere huidziekten. De overige zieken werden verpleegd in gasthuizen.
In de eeuwen daarna ontwikkelt zich de heelkunde en komt er meer nadruk te liggen op het medisch handelen. In de negentiende eeuw krijgen sociaal bewogen medici oog voor de relatie tussen armoede, slechte woon- en leefomstandigheden en volksgezondheid. Zij gaan het belang van licht, lucht, gezonde voeding en goede woningen propageren. Dat heeft ook invloed op de ziekenhuisbouw. Bijna alle oude middeleeuwse gasthuizen werden vervangen door nieuwe, luchtige, moderne gebouwen aan de rand van de stad. Tevens werd de verpleging verbeterd.

Ouderenzorg

Lange tijd was ouderenzorg vooral een armoedeprobleem, laat Renger de Bruin zien. Als mensen vanwege ouderdom niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien, waren de meesten aangewezen op de hulp van anderen. Veel minder dan in dorpsgemeenschappen was er in de steden een vangnet voor arme ouderen. Vermogende particulieren richtten daarom al in de middeleeuwen gasthuizen voor hen op. Het Catharinagasthuis in Leiden bestond bijvoorbeeld al in 1276, blijkt uit een oorkonde. In de eeuwen daarna werden ook elders talrijke gasthuizen opgericht. Speciaal voor ouderen kwamen er ook kameren of vrijwoningen, vaak rond een binnenplaats gebouwd. Om die reden spreekt men ook wel van hofjes. Het Hofje van Bakenes in Haarlem is in 1395 gebouwd uit de nalatenschap van de koopman Dirk van Bakenes. Ook de gilden zorgden voor ondersteuning van oudere gildebroeders. Het Utrechtse smedengilde had zelfs een eigen gasthuis, het Eloyengasthuis aan de Boterstraat. (St Eloy is de patroonheilige van de metaalbewerkers).
Terwijl sommige gasthuizen zich ontwikkelden tot ziekenhuizen (zie boven), gaan anderen zich richten op de opvang van ouderen. Na de Reformatie gaan de gereformeerde kerkenraad en de stedelijke overheid de controle uitoefenen over de gasthuizen en worden de broederschappen vervangen door regentencolleges. De katholieke minderheid wordt gedoogd en mocht geen publieke functie uitoefenen. Katholieke instellingen waren lange tijd verboden. Alleen particuliere initiatieven als vrijwoningen mochten bestaan. Pas in de loop van de achttiende eeuw konden zich nieuwe katholieke stichtingen ontwikkelen, toen b.v. het verbod op het aannemen van legaten werd opgeheven.
De kwaliteit van de zorg verschilde per instelling en categorie bewoner. Rijkere ouderen konden zich inkopen met een prove (schenking). Daarom werden zij ook wel proveniers genoemd. Vaak hadden ze dan een eigen kamer. De zorg voor arme ouderen werd betaald door de diaconie of de stedelijke armenzorg.

Zorg voor wezen

'Armen, weduwen en wezen' vormen in de Bijbel al een bekend rijtje van categorieen mensen die vaak op naastenliefde zijn aangewezen. Al eeuwenlang bestaat er dan ook een aparte zorg voor wezen en vondelingen. De eerste tehuizen voor wezen en vondelingen in ons land werden in de veertiende eeuw opgericht in Leiden en Utrecht, aldus Jacques Dane. In de zestiende eeuw volgden veel andere steden. In een eerdere blog heb ik al melding gemaakt van het weeshuis in Brielle, dat is gesticht uit een schenking van Angelus Merula. In deze weeshuizen namen de zogeheten 'binnenouders' de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich. Vaak was dat een echtpaar, maar soms ook twee vrijgezellen. De binnenouders stonden onder het gezag van een regentencollege dat de financiele zaken beheerde. In de zeventiende eeuw stond de wezenzorg in de Republiek in hoog aanzien in Europa. De wezen kregen hier niet alleen onderdak en voedsel, maar er werd ook gezorgd voor hun opvoeding en onderwijs. Een van de opvoedingsdoelen was namelijk, dat de kinderen na vertrek uit het weeshuis op eigen benen konden staan. Zo kregen arme wezen vaak een betere start dan hun arme leeftijdgenootjes die nog wel ouders hadden.
Ter onderscheiding van andere kinderen droegen wezen herkenbare kleding. De kinderen van het Heilige-Geestweeshuis in Leiden droegen bijvoorbeeld in de vijftiende eeuw verticaal gekleurde rood-witte kleding, de kleuren van het stadswapen.
Door onder andere betere sociale voorzieningen en de stijging van de levensstandaard neemt het aantal wezen sinds het einde van de negentiende eeuw af. De grote weeshuizen werden overbodig of kregen een andere functie: ze gingen zich richten op verwaarloosde en misdadige kinderen en later ook voogdijpupillen.

Caritas verbeeld

Twee inhoudelijke bijdragen heb ik nog niet genoemd, terwijl ze in mijn ogen tot de meest interessante artikelen behoren. De eerste is meer van kunsthistorische aard. Hanneke van Asperen bespreekt de vraag hoe je een begrip als naastenliefde zou kunnen verbeelden. Liefde ligt aan de basis van allerlei daden, maar is op zichzelf onzichtbaar.
Een antwoord sinds de Middeleeuwen is de personificatie. Abstracte begrippen krijgen een menselijke gedaante. De liefde krijgt dan gestalte in een vrouwenfiguur (Caritas), die vaak ook nog een aantal attributen draagt, die verwijzen naar de liefde. Je kan dan denken aan een brandend hart, een zon,  een bloedende pelikaan. Populair is ook de afbeelding van een moeder met een of meerdere (zogende) kinderen. Moeder en kind representeren de wederkerigheid en de onvoorwaardelijkheid van de liefde. De kinderen verbeelden niet alleen de behoeftigen die steun nodig hebben, maar ook de gelovigen die aangewezen zijn op God.
Vanzelfsprekend waren de afbeeldingen van caritas als moeder een populair beeld in weeshuizen. Op de tentoonstelling wordt een altaarstuk getoond uit het weeshuis van Gorinchem, dat in 1557 is gesticht door een kinderloos echtpaar. Achter de vrouw staat Caritas met drie kinderen. Maar niet alleen instellingen gebruiken dit beeld. Sophia Hedwig, gravin van Nassau-Dietz laat zich in de zeventiende eeuw met haar kinderen portretteren als Caritas, terwijl ze haar borst aan haar jongste kind presenteert.
De andere bijdrage, die ik hierboven al kort gememoreerd heb,  laat aan de hand van twee personen de overgang in denkbeelden over armoede en naastenliefde zien, die plaats vond in de zestiende eeuw. Het betreft hier Evert Zoudenbalch en Hubert van Buchel. Allebei waren ze kanunnik, kwamen uit goede families, waren rijk en gaven een groot deel van hun geld aan de armen. Evert Zoudenbalch is een representant van de Middeleeuwen. Hij stichtte in 1491 een weeshuis, gewijd aan St Elisabeth. Hij wilde de weeskinderen een goede katholieke opvoeding geven en verwachtte als tegenprestatie dat zij voor hun zielenheil zouden bidden. Hubert van Buchel leefde een eeuw later, begon als priester, maar voelde zich later meer thuis in de protestantse Jacobikerk. Ook hij wilde dat de armen een goede godsdienstige opvoeding zouden krijgen. Daarom moesten zij de preken in de Jacobikerk volgen, maar hij vond het niet nodig dat er gebeden werd voor zijn zielenheil. En hij gaf het geld niet aan de armenpot van de Jacobikerk, maar stichtte een fonds waaruit de armen wekelijks een bedrag kregen dat naar eigen inzicht kon worden besteed. Het ging daarbij om arme, nette gezinnen met tenminste twee kinderen, die niet bedelend langs de deuren gingen. Ik vind het een mooie vondst van Truus van Bueren om de omslag in het armoedebeeld en de armenzorg inzichtelijk te maken aan de hand van deze twee Utrechtse beoefenaars van de naastenliefde.
Al met al geeft dit tentoonstellingsboek in betrekkelijk kort bestek veel inzicht in de historische ontwikkeling van de naastenliefde. Het is aardig, dat veel voorbeelden betrekking hebben op de Utrechtse situatie. Op een speciale website bij de tentoonstelling  zijn nog veel meer voorbeelden uit deze stad te vinden. In de bijdragen in het boek worden soms ook voorbeelden uit andere plaatsen gegeven. Meestal zijn ze afkomstig uit Holland of Zeeland. In de andere provincies is toch ook naastenliefde bedreven? Wat in het boek ook onderbelicht blijft is de wijze waarop de gedoogde kerkgenootschappen ten tijde van de Republiek vorm hebben proberen te geven aan de armenzorg voor hun eigen leden en de rol van de religieuze congregaties vanaf het begin van de negentiende eeuw. Maar misschien moet ik mijn oordeel bijstellen na het zien van de tentoonstelling.

Literatuur:
Marije de Nood en Kees van Schooten (red), Ik geef om jou! Naastenliefde door de eeuwen heen.
WBooks/Museum Catharijneconvent, Zwolle, Utrecht, 2014.








zondag 28 september 2014

PCI-en en zorgnetwerken

Een kerntaak van Parochiële Caritasinstellingen (PCI-en) is het financieel ondersteunen van individuen of gezinnen in noodsituaties. Het gaat dan vaak om een eenmalige bijdrage om een acute nood te lenigen, waar de bestaande sociale voorzieningen niet in kunnen voorzien. Oorspronkelijk betrof het vooral hulp aan eigen parochianen. Tegenwoordig wordt er geen onderscheid meer gemaakt naar geloof of levensbeschouwing. Vroeger kwamen de aanvragen vooral binnen via de eigen kanalen in de parochie: de pastores en de bezoekgroepen. Die kanalen raken verstopt, mede vanwege de schaalvergroting van de parochies en de verminderde kerkbetrokkenheid. Daarom leggen PCI-en in toenemende mate contact met andere organisaties en instellingen om armoede op het spoor te komen, zoals het maatschappelijk werk, de sociale dienst, woningbouwcorporaties, scholen, vluchtelingenwerk, voedselbank en SchuldHulpMaatje.
In dat kader kwam bij een recent overleg van PCI-en in de kring Leiduinen (Leiden, Bollenstreek en omgeving) de gedachte op om contact te leggen met zorgnetwerken. De PCI-en nodigden twee medewerkers van de GGD Hollands Midden Uit om hen te informeren over de mogelijkheden. Het werd een heel interessante uitwisseling, die ook van belang kan zijn voor andere regio's. Daarom wijd ik er een bijdrage aan.


Meldpunt Zorg en Overlast

Elke gemeente heeft een Meldpunt Zorg en Overlast, dat is ondergebracht bij de GGD. Het Meldpunt is vooral bedoeld voor zorgmijders met complexe problemen. Bij een melding onderzoekt men wat er speelt. Medewerkers van het team zijn vaardig in het motiveren van mensen om toch hulp te aanvaarden. Het regelt de toeleiding naar zorg, adviseert zorgpartijen en voert de regie.

Elke gemeente heeft een zorgnetwerk, dat minstens één keer per vier of zes weken bijeenkomt onder voorzitterschap van de GGD, in de stad Leiden zelfs wekelijks. Daaraan nemen in ieder geval medewerkers deel van de verslavingszorg, de GGZ, het maatschappelijk werk en de maatschappelijke opvang, soms uitgebreid met de wijkagent, de woningbouwcorporatie, de stichting MEE en de schuldhulpverlening.

Bij dreigende huisuitzettingen wordt altijd een melding gedaan, als het een gezin betreft. Daarvoor is een convenant gesloten tussen de schuldhulpverlening, het maatschappelijk werk, de woningbouwcorporaties en de GGD. Daardoor kan snel een regeling getroffen worden om de lopende huur te betalen. Dat geeft ruimte voor een regeling van de verdere schulden en de aanpak van andere problemen. Als de huisuitzetting een individu of een stel zonder kinderen betreft, is melding vooraf alleen verplicht, als het om een kwetsbaar persoon gaat. Of dat het geval is, moet door de woningbouwcorporatie zelf beoordeeld worden. De nutsbedrijven doen nog niet aan dit convenant mee.

In het convenant komen de kerken en diaconieën niet voor. Wel hebben leden van het zorgnetwerk soms persoonlijke contacten met PCI-en of diaconieën. In een enkel geval benaderen ze de kerken om een financiële bijdrage ter voorkoming van een ontruiming, als men denkt dat dat een meerwaarde heeft.

Het zorgnetwerk organiseert soms ook een rondetafelgesprek, waarbij zorgpartijen aanschuiven die belang hebben bij deze casus. Het doel van dit gesprek is om samen een plan met harde afspraken te maken, het liefst met de cliënt erbij. Per cliënt wordt een regiehouder aangewezen. Het zorgnetwerk kan wel drang uitoefenen, maar geen dwang.

Verschil met sociale wijkteams

Opgemerkt wordt, dat het zorgnetwerk iets anders is dan de sociale wijkteams, die nu overal in opkomst zijn. Het zorgnetwerk is speciaal bedoeld voor zorgwekkende zorgmijders, de sociale wijkteams hebben een algemenere insteek Ze willen de sociale omgeving organiseren en zorg, welzijn en preventie op elkaar afstemmen. Hier komen de drie decentralisaties (Participatiewet, nieuwe Wmo en jeugdzorg) samen. Het sociale wijkteam richt zich op individuele en collectieve vragen in de wijk en probeert daarbij zonder indicatie een oplossing te bieden.

Verbeteren van contacten

In de meeste gemeenten blijken er nauwelijks contacten te bestaan tussen de zorgnetwerken en de  PCI-en of diaconieën. Toch kunnen die contacten nuttig zijn voor beide partijen. Zo kan een PCI contact opnemen met het Meldpunt voor advies, consultatie of een melding, als de PCI  te maken heeft met een cliënt waarvan men vermoedt dat er complexe problemen spelen achter de hulpvraag.

Op de website www.ggdhm.nl is een aanmeldformulier voor een melding te vinden: http://www.ggdhm.nl/thema-s/item/meldingsformulier-burgers-leiden-regio-zuid-holland-noord/meldingsformulier-leiden-regio-zuid-holland-noord Als bij een PCI een hulpvraag is binnengekomen en men vermoedt dat er sprake is van een complexe problematiek, kan men ook naar het meldpunt bellen en vragen, of de persoon bekend is.

Anderzijds zou het zorgnetwerk in dringende gevallen een beroep kunnen doen op de PCI voor financiële hulp voor een cliënt, als er geen voorliggende voorzieningen zijn. Om die contacten mogelijk te maken, is afgesproken de adressen van PCI-en en de gemeentelijke contactpersonen van de Meldpunten uit te wisselen. Zo is het mogelijk contact met elkaar te leggen en beide netwerken op elkaar te betrekken, zonder dat de PCI onderdeel wordt van de officiële hulpverlening.