vrijdag 15 maart 2019

DE HEILIGE GEEST ALS INSPIRATIEBRON


Eerste bijdrage in Diakonie & Parochie 2015-01 als vrucht van sabbatverlof

Wie het Amsterdams Historisch Museum bezoekt, ziet bij de ingang een plaquette met daarop een afbeelding van een duif. De plaquette herinnert aan het Burgerweeshuis, dat eeuwenlang in dit voormalig klooster gevestigd is geweest. Op meer plekken in dit complex is de duif te vinden, een symbool van christelijke naastenliefde.
 
 

Amsterdam is hierin niet uniek. In de Middeleeuwen waren in veel plaatsen diaconale instellingen genoemd naar de Heilige Geest. Die werd beschouwd als vader van de armen en stond symbool voor de naastenliefde. Je had Heilige Geestgasthuizen en Heilige Geesthofjes, Tafels van de Heilige Geest en Heilige Geestmeesters, ja zelfs Heilige Geestgoederen.

 

Oorsprong


Volgens een wijd verbreid verhaal zouden al deze initiatieven verbonden zijn met de Broeders van de Heilige Geest. Deze broederschap was in 1160 in het Zuidfranse Montpellier gesticht door Guy de Montpellier om de zorg voor een gasthuis op zich te nemen. De definitieve oprichting vond in 1198 in Rome plaats, waar paus Innocentius III hun een hospitaal toevertrouwde, dat sindsdien het ‘Hospitaal van de Heilige Geest’ werd genoemd. De broederschap kreeg zelfs het oppertoezicht over alle bestaande gasthuizen in christelijk Europa. Veel gasthuizen sloten zich in de twaalfde en dertiende eeuw bij de broederschap aan. Zo ontstond er een heel netwerk van Heilige Geesthuizen.

In de nieuwere literatuur wordt deze herkomst betwist. Dat veel instellingen zich tooiden met de naam ‘De Heilige Geest’, wil nog niet zeggen dat ze allemaal afhankelijk waren van deze broederschap. Wel ligt er een verband met de opkomst van de steden. In de Lage Landen begint die opkomst in Vlaanderen en breidt zich vervolgens via Brabant naar Holland uit. De stichting van Heilige Geesthuizen kent eenzelfde ontwikkeling. Al in 1186 keurde bisschop Roger van Kamerijk de oprichting van een Broederschap van de H. Geest goed. Doornik volgde een jaar later. De grote Brabantse steden volgden in de eerste helft van de dertiende eeuw, Den Bosch rond 1274.

 

Tafels van de Heilige Geest


Meer bekend zijn nog de Tafels van de Heilige Geest, vaak ook kortweg ‘De Heilige Geest’ genoemd. Veel steden en dorpen kenden zo’n instelling, die zich vooral richtte op de uitdeling van materiële goederen (voedsel, kleding, schoenen, turf) aan de eigen armen. Het begon kleinschalig met tafels achter in de kerk, aan de Heilige Geest gewijd. Daarop konden gelovigen een deel van hun overvloed achterlaten. Na de mis werden die goederen dan uitgedeeld aan de armen. Een beetje te vergelijken dus met de hedendaagse inzameling voor de voedselbank, gecombineerd met een uitdeelpunt. Die vergelijking snijdt nog op een ander punt hout. Hoewel nu veel parochies fungeren als uitdeelpunt voor de voedselbank, is de voedselbank geen kerkelijke instelling maar een burgerlijke stichting. In de Middeleeuwen waren de Tafels van de Heilige Geest ook meer een wereldlijke instelling dan een kerkelijk initiatief. Aanvankelijk, rond 1200, had de pastoor de leiding bij de uitdeling, maar geleidelijk vond er een verschuiving van werkzaamheden plaats. Administratie en uitdeling kwamen geheel in handen van de armenmeesters, die onder toezicht kwamen te staan van de stedelijke overheid. De inkomsten kwamen uit giften van burgers, die door burgers werden beheerd. Dat de uitdeling startte in het kerkgebouw, had een praktische reden. Het was dé plek waar de gemeenschap bij elkaar kwam en men kon ook met eigen ogen zien, dat de goederen bij de juiste mensen terecht kwamen.

 
Broodbank Haarlem
 
Er bestaan nog enige afbeeldingen, waarop de Tafels van de Heilige Geest te zien zijn, onder meer in het Centraal Museum in Utrecht. En de broodbank in de St Bavo in Haarlem fungeerde ook als zo’n uitdeelpunt. Maar naarmate de steden groeiden en het aantal armen toenam, werd de ruimte achterin de kerk te klein. Al in 1314 kreeg de Heilige Geest in Utrecht een eigen onderkomen, Haarlem in 1394 en Leiden in 1450. Op de gevel van het Leidse huis aan de Breestraat prijkte, hoe toepasselijk, een duif. Aanvankelijk fungeerde het huis als kantoor en pakhuis en was er ook een bakkerij in gevestigd. In de loop der jaren kocht men de aangrenzende panden aan en begon men ook met de opvang van vondelingen.

De omvang van de armenzorg die via de Heilige Geest verricht werd, was aanzienlijk. Om een indruk te geven: in 1425 deelde de Leidse Heilige Geest drie hoed tarwe uit (ong. 3000 liter) en slachtte ze 25 varkens. Ook verstrekte ze 500 paar schoenen. Naar schatting was de tarwe voldoende voor 1500 bedeelden, een kwart (!) van de toenmalige bevolking.

Om zoveel monden te kunnen voeden, volstonden collectes in de kerk en huis-aan-huis al lang niet meer. De inkomsten kwamen vooral uit beleggingen. Rijke Leidenaren schonken huizen en land aan de Heilige Geest. Daaraan waren vaak wel voorwaarden verbonden, zoals een jaarlijkse mis voor het zielenheil van de overledene. Het Memorieboek van 1386 vermeldt 1265 misverplichtingen door het jaar heen, met topdrukte rond Kerstmis en Allerheiligen. Die memoriediensten en andere verplichtingen als bijzondere brooduitdelingen moesten betaald worden uit de schenkingen. Ongeveer tien procent van de schenkingen ging hieraan op.

De Heilige Geest kreeg geen rechtstreekse subsidie uit de stedelijke kas. Wel kreeg men plaatselijk soms het recht om een speciale belasting te heffen om aan de ontbrekende gelden te komen.

 

Na de reformatie


De Heilige Geest was een vorm van algemene armenzorg voor alle bewoners van de stad. Door de groeiende armoede in de zestiende eeuw werden haar mogelijkheden kleiner: de inkomsten namen af, het aantal armen nam toe. Ze was ook niet meer de enige of voornaamste instelling. Veel steden kenden meerdere voorzieningen als huiszittenhuizen, gasthuizen, hofjes, passantenhuizen en leprozeriën.

Na de Opstand werd de Gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk. De kloosters, gasthuizen en armenfondsen werden gesloten of overgenomen. De stedelijke overheid zag hier kansen om meer greep te krijgen op de armenzorg. Zij reorganiseerde de armenzorg en wees kloosters en andere gebouwen toe aan bestaande voorzieningen. Soms bleven de Heilige Geestmeesters bestaan, ook in naam, als uitvoerders van de stedelijke armenzorg, omdat zij toch al door de overheid benoemd werden. De Gereformeerde kerk richtte daarnaast de diaconie op om haar eigen lidmaten te bedelen. Maar in de eerste decennia lang niet overal. In een aantal dorpen en steden bleef De Heilige Geest nog decennialang de  armenzorg voor de totale bevolking verzorgen, soms zelfs met katholieke Heilige Geestmeesters.

Elders versmalde hun taak: in Leiden, Delft en Schiedam werden ze de regenten van het burgerweeshuis, in Rotterdam de bestuurders van het oudemannenhuis. In Oudewater kregen zij de leiding bij de brooduitdeling, en beslisten zij over steunaanvragen van doortrekkende reizigers.

 

 

 

HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 2: VAN HOGE MIDDELEEUWEN TOT REFORMATIE


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het maartnummer (2019-01) verscheen het tweede deel. Dit is een wat uitvoeriger versie.

In de vorige bijdrage heb ik de geschiedenis geschetst van diaconie en christelijke armenzorg in het eerste millennium. Individuele naastenliefde, caritas vanuit de lokale bisschopskerk en de gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters waren de belangrijkste modellen van diaconie in deze periode. Ook na het jaar 1000 blijven bisschoppen, hoge adel en kloosters dominante actoren, maar er komen ook nieuwe spelers op.

 

3. Hoge Middeleeuwen (1000-1350): semireligieuze bewegingen en broederschappen


In deze periode zien we een groei van de bevolking, onder meer door een verbetering van de landbouw, en de opkomst van de steden. De keerzijde van de bevolkingsgroei en van de stijgende mobiliteit is een nauwelijks voorstelbare groei van de armoede in diezelfde steden. Arme boeren trekken naar de stad in de hoop op een beter leven, maar kunnen ook daar nauwelijks overleven. Misoogsten en hongersnoden leiden soms tot opstanden. Vanaf de twaalfde eeuw groeit ook het aantal rondtrekkende studenten en zwervers.

 

Hervormingsbeweging van Cluny


Het ideaal van de navolging van Christus in vrijwillige armoede en in de verkondiging van het evangelie leidt tot de stichting van een hele reeks nieuwe orden en andere religieuze gemeenschappen. Bij de orden kan je onder meer denken aan de benedictijnse hervormingsbeweging van Cluny, de cisterciënzers, de kartuizers en de reguliere kanunniken.

In Cluny ontstaat naast de gebruikelijke vormen van liefdadigheid een geritualiseerde, in de liturgie opgenomen vorm van armenzorg. Als een monnik overlijdt, gaat zijn portie eten en drinken van die dag (prebende) naar een arme in ruil voor het gedenken van de dode. Dat gebeurt dertig dagen achtereen en vervolgens elk jaar op zijn sterfdag. Als de abt overlijdt, worden zelfs 12 armen bedeeld. Het klooster van Cluny kan dit op den duur nauwelijks opbrengen. Abt Petrus Venerabilis (1122-1156) beperkt daarom het aantal dagelijks uit te delen prebenden tot vijftig. Ook op bepaalde kerkelijke feestdagen zoals Witte Donderdag, Pinksteren en Allerzielen worden armen speciaal onthaald. Het is een punt van discussie, of de monniken van Cluny en andere kloosterlingen nu bekommerd waren om het feitelijke lot van de armen of meer om hun eigen relatie met God en hun zielenheil. Maar de relatie tussen de herdenking van de doden (memoria) en armenzorg (caritas) wordt kenmerkend voor de hele periode van de Middeleeuwen en speelt niet alleen bij de armenzorg van de nieuwe orden. Ook bij instellingen van andere actoren komen we die combinatie tegen, zoals bij gasthuizen, hospitalen en hofjes. De armen worden geholpen in hun materiële nood en zij helpen de gevers door hun gebed in hun spirituele nood. Dat kunnen zij, doordat zij als arme geacht worden dichter bij Christus te staan.

 

Nieuwe orden


De meest bekende vertegenwoordigers van de nieuwe orden zijn de bedelorden: franciscanen en de dominicanen zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het bedelen of van liefdadigheid.

Ook worden er religieuze orden opgericht voor een specifiek diaconaal doel. De antonieters (genoemd naar Antonius Abt) gaan zich richten op de verpleging van slachtoffers van vergiftiging met moederkoorn (Antoniusvuur) en later pestlijders, de orde van Sint Lazarus op de verpleging van lepralijders. In Montpellier wordt eind 12de eeuw de Orde van de Heilige Geest opgericht, die na de officiële erkenning in 1208 vooral in Rome gaat werken vanuit het gelijknamige hospitaal van de Heilige Geest. De regel van deze orde kent naast de drie klassieke geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid ook de verplichting om wekelijks de zieken van de straten van Rome te halen en naar het ziekenhuis te brengen. Zo’n bepaling komt niet uit de lucht vallen: ze toont aan hoe groot de nood voor zieken was.

Ook andere noden komen in het vizier. De Mercedariërs en Trinitariërs wijden zich vooral aan het vrijkopen of ruilen van christelijke gevangenen en slaven uit de handen van de Saracenen. Ten tijde van de kruistochten worden ook speciale ridderorden opgericht voor de bescherming van pelgrims en de verzorging van zieken. De hospitaalridders van Sint Jan en de Duitse orde zijn hier voorbeelden van. In Utrecht stichten de hospitaalridders in 1122 het Catharijnegasthuis, voorloper van het huidige UMC.


Bij al deze religieuze orden wordt de zorg voor de armen en de zieken gezien als een dienstverhouding, waarbij de leden van de orde de dienaren zijn en de zieken en armen de meesters. Op de achtergrond speelt ook hier de identificatie van de armen met Christus, zoals we die kennen uit het verhaal van het Laatste Oordeel (Mt 25, 31-46) en de daaruit afgeleide werken van barmhartigheid.

 

Semi-religieuze gemeenschappen


Het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede leidt niet alleen tot een bloei van de religieuze orden en de daaraan verbonden diaconale initiatieven als gasthuizen en hospitalen. Ook leken laten zich daardoor inspireren en willen een christelijk leven leiden.  Zonder zich te binden aan de eeuwige geloften leven ze wel volgens bepaalde voorschriften, blijven vaak ook ongehuwd en sluiten zich aaneen in semi-religieuze gemeenschappen. Vooral vrouwen worden door deze leefwijze aangetrokken. Een bekend voorbeeld in Vlaanderen en Nederland zijn de begijnen. Deze gemeenschappen van vrome vrouwen leven aanvankelijk verspreid in de stad maar gaan naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel wonen. Ze onderhouden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid en groeperen zich in conventen, veelal rond hospitalen en leprozerieën. Vooraanstaande vrouwen stichten begijnhoven in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245). In Nederland zijn nog begijnhoven bewaard gebleven in Amsterdam, Breda, Delft en Haarlem, maar ze kwamen in veel meer steden voor.

Begijnhof Amsterdam
 
Dat het ideaal van de Christusnavolging in vrijwillige armoede in deze periode bij vrouwen sterk speelt, wordt ook zichtbaar in verschillende vrouwelijke heiligen: Maria van Oignies (1177-1213), die wel wordt getypeerd als “de eerste grote begijn van de geschiedenis”, en Elisabeth van Thüringen (1207-1231), die op het eind van haar korte leven in Marburg een hospitaal stichtte en daar armen en zieken verzorgde.
 

Broederschappen


Ook gaan leken zich in deze tijd verenigen in broederschappen en gilden. Broederschappen zijn vrijwillige gemeenschappen onder eigen leiding, die zich wijden aan verschillende activiteiten, onder meer op het gebied van armenzorg. De wederzijdse verbondenheid staat daarbij centraal en in geval van nood (ziekte, overlijden) helpt men elkaar. Vaak stelt het lidmaatschap wel enige financiële eisen, zodat de broederschappen niet open staan voor de absoluut armen. Ze voorkomen wel, dat leden of nabestaanden in armoede vervallen en ze stichten en onderhouden armenhuizen en hospitalen.

 

Armentafels


Een interessant verschijnsel zijn de armentafels. Ze staan ook bekend onder andere namen, zoals armendis of tafel van de Heilige Geest De armentafels ontstaan aan het eind van de twaalfde eeuw in de Vlaamse steden en vanaf het midden van de dertiende eeuw ook op het platteland. In Nederland volgen ze wat later. De Tafel van de Heilige Geest wordt in Den Bosch voor het eerst genoemd in 1281, in Bergen op Zoom, Steenbergen en Wouw in 1295 en in Breda in 1307.

De armentafel is een lokale instelling, die geografisch meestal samenvalt met de plaatselijke parochie. Soms is er een hechte verbinding met de door leken geleide kerkfabriek of een plaatselijke broederschap. Het was echter geen kerkelijke instelling. Vanaf het begin zijn leden van de stedelijke elite actief betrokken bij de organisatie ervan, ze zijn immers ook parochianen met bestuurservaring. En als pastoors al de initiatiefnemers waren en een leidende functie hadden, raken die na het Concilie van Vienne (1311-1312) op de achtergrond. Dat concilie beperkte de rol van de geestelijkheid in bestuur en uitvoering van de armenzorg. Kennelijk hadden teveel pastoors die de leiding hadden over armenzorginstellingen misbruik gemaakt van hun positie en zichzelf verrijkt.

De naam ’armentafel’ verwijst naar het ontstaan: in het begin plaatste men een tafel achter in het kerkportaal, waarvandaan de uitdeling van broden en andere levensmiddelen plaats vond.

In Den Bosch heeft de armentafel aanvankelijk achter in de St. Janskerk onder de toren gestaan. Ook van andere kerken zijn armentafels bekend: de broodbank in de Sint-Bavo in Haarlem en de Armenpot van Sint-Jacob in de Utrechtse Jacobikerk.

In de loop der tijd krijgen de armentafels een eigen vermogen door schenkingen en legaten.

Ze kopen eigen gebouwen aan, zowel voor de uitdeling als voor de opslag (in Den Bosch het ‘Geefhuis’ aan de Hinthamerstraat). Ze helpen de ‘huisarmen’, dat zijn de thuiswonende of huiszittende armen, dus niet de rondtrekkende zwervers of in gasthuizen verblijvende zieken, wezen en bejaarden. Dat doen zij door het uitdelen van levensmiddelen als brood, meel, varkensvlees en haring, maar ook helpen zij met kleding en een zak turf. In de winter worden veel meer mensen geholpen dan zomers. In crisistijden moet op de hulp worden beknibbeld, als het vermogen niet toereikend is.

 

Onderscheid in armen


De 12de-eeuwse theoloog Gerhoch von Reichersberg maakte een onderscheid tussen de ‘pauperes cum Petro’ en de ‘pauperes cum Lazaro’.  De eerste term verwijst naar diegenen, die zoals de apostel Petrus vrijwillig gekozen hebben voor een leven in armoede. De tweede term duidt de mensen aan, die gedwongen in armoede moeten leven, zoals de arme Lazarus uit de parabel van Lazarus en de rijke man (Lc. 16, 19-31). De ‘armen zoals Petrus’ bood een model aan de niet-armen om een christelijk leven te leiden, waarin aan de wereldse zaken werd verzaakt. ‘Lazarus’ voorzag hen van een focus voor hun charitatieve inzet, waardoor zij hun materiële rijkdom konden omvormen tot een spirituele schat. Maar Von Reichersberg was geen aanhanger van de radicale armoedebeweging: existentiële armoede was voor hem geen kenmerk van vrijwillige armoede, want de religieuze gemeenschap voorzag in de basisbehoeften.

Het onderscheid speelde ook een rol bij de vraag hoe je moest omgaan met het kerkelijk bezit, dat was bestemd voor de armen. Aanvankelijk ging het grootste deel naar de echte ‘armen zoals Lazarus’, maar gaandeweg kreeg het onderhouden van de vrijwillige armen de voorkeur. De onvrijwillige armen raakten op de achtergrond. De abdis Hildegard van Bingen vond, dat zij onwaardig waren om aalmoezen te ontvangen, omdat zij als dieren leefden, traag waren en lui, en niet streefden naar geestelijke goede werken.

 

4. Late Middeleeuwen (1350-1572): verburgerlijking van de armenzorg


Door een verslechtering van het klimaat dalen de oogsten in deze periode. Ook heeft de bevolking veel te lijden onder epidemieën met de pest als bekendste voorbeeld. In sommige streken van Europa sterft een derde tot de helft van de bevolking, in Nederland iets minder, maar het zal toch tot 1500 duren eer de bevolking weer op het oude peil is. De steden groeien ten koste van het platteland. Binnen de steden neemt het aandeel van de armen toe. Soms moet ’s winters een kwart van de bevolking of meer bedeeld worden. Dat gaat de capaciteit van de vele kleine armenzorginstellingen vaak te boven. Je ziet in deze periode de houding ten aanzien van armen en armoede veranderen. Was armoede in de periode hiervoor nastrevenswaardig, nu wordt er meer en meer op neergekeken. ‘Echte’ armen wil men nog wel helpen, dat wil zeggen mensen die door hun leeftijd (kinderen, ouderen) of hun beperking niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Alle anderen moeten maar gaan werken voor de kost. Via allerlei stedelijke verordeningen wordt bedelen daarom aan banden gelegd.

 

Diaconale actoren


Diaconale actoren van voorgaande perioden blijven een rol spelen, zoals kerken, kloosters en edellieden. Sommige vermogende clerici stichten als particulier een eigen gasthuis of andere instelling. Evert Zoudenbalch bij voorbeeld, kanunnik van de Dom, financiert in 1491 het Elisabethgasthuis in Utrecht, oorspronkelijk naast het kasteel Vredenburg. Dit is het eerste weeshuis van Nederland. Angelus Merula, pastoor van Heenvliet, vermaakt in 1552 zijn woonhuis in Brielle aan de stad om er een weeshuis van te maken. Dit Merula-Weeshuis heeft tot 1948 bestaan.

Weeshuis Brielle
 
De oprichting van weeshuizen laat zien, dat de armenzorg zich in deze periode gaat specialiseren. Sommige gasthuizen ontwikkelen zich tot proveniershuizen, een soort bejaardenhuis avant la lettre, omdat zij vooral ouderen tegen betaling opnemen. Andere richten zich op de verpleging van zieken. In 1442 stichtte Reinier van Arkel het eerste dolhuis in Den Bosch voor zes ‘sinnelosen’, mensen die hun zinnen niet meer de baas waren en die men ‘van noetewegen spannen, bynden ende sluyten moet’. In 1461 volgde Willem Arntsz dit voorbeeld in Utrecht.

 

Groeiende rol stadsbestuur


Tegelijk groeit de rol van stedelijke instanties. Bijvoorbeeld omdat burgers de uitvoering van een testament toevertrouwen aan de raad en niet aan de kerk (zie Merula). Van de raad verwacht men een grotere kennis van economie. Ook gaat de raad meer controle uitoefenen op gasthuizen en broederschappen, zeker als ze over grote middelen beschikken.

De stedelijke magistraat stelt de Heilige Geestmeesters aan, die de bezittingen van de Tafel van de Heilige Geest beheren en zorgen voor de uitdelingen aan de huiszittende armen. Naarmate deze taak groeit, neemt ook het aantal Heilige Geestmeesters toe. In dorpen benoemt de plaatselijke heer deze functionarissen, die ook betrokken worden bij belangrijke dorpsaangelegenheden. Elk dorp heeft altijd twee Heilige Geestmeesters. Voor een dorp als Zoetermeer-Zegwaart dateert de eerste vermelding van personen die “leven van den Heyligen Geest” uit 1514.

Die grotere rol van de stedelijke overheid moet je overigens niet zien als een afnemende rol van religie. Ook de stedelijke raad verstaat haar handelen als uitdrukking van een door God gewilde zorg voor armen en zieken. De bestuurders doen ook volop mee met religieuze praktijken als processies en bedevaarten, zeker in tijden als hun stad bedreigd wordt door oorlogsgeweld of epidemieën. Juist door hun intensieve bemoeienis op het gebied van de armenzorg willen zij een bijdrage leveren aan de uitbouw van de stad, de orde en eenheid bewaren en spanningen verminderen. Christelijke noties als broederschap, liefde en vrede, vriendschap en eenheid worden ook door hen gepropageerd als burgerlijke idealen.

 

Meester van Alkmaar


In dit perspectief kunnen ook de zeven panelen worden verstaan, die de Meester van Alkmaar in 1504 heeft gemaakt. De zeven werken van barmhartigheid worden hier afgebeeld in een stedelijke context, maar dan wel een ideale stad. Geen Middeleeuwse stad zal zo schoon zijn geweest. Zeer waarschijnlijk zijn deze panelen gemaakt in opdracht van de Alkmaarse Broederschap van de Heilige Geest om in de Laurenskerk te hangen naast de collectebus voor de Heilige Geesttafel. De panelen geven een ideaalbeeld van de activiteiten van de Broederschap en haar waarde voor de armen en de stad. Zo wordt de stad afgebeeld als een goed georganiseerde gemeenschap, waarin christelijke daden van naastenliefde in overvloed voorkomen. Natuurlijk dankzij de Broederschap, wier leden komen uit de inwoners met burgerrechten. En zij ondersteunen vooral de ‘echte’ armen, vrouwen, gebrekkigen, kinderen. De zwervers, potsenmakers en andere onwaardige armen staan hooguit op de achtergrond afgebeeld. Het vierde en zesde paneel tonen ook voorrechten, die verbonden zijn aan het lidmaatschap van de Broederschap: het verzorgen van een begrafenis voor de leden en een eigen hospitaal, het Heilige Geesthuis.


De Middeleeuwse kerk had de gelovigen gewezen op de plicht om elkaar als broeders en zusters te helpen. Voldeed men niet aan die plicht, dan wees men op het zielenheil. In de zestiende eeuw kwam een nieuwe gedachtegang op. Men ging ene verband leggen tussen de houding van de individuele burger ten opzichte van de armen en het collectieve welzijn van de stad. Daarover later meer.

Deze bijdrage steunt onder meer op
Anita Boele, Leden van één lichaam, Hilversum 2013
Bernhard Schneider, Christliche Armenfursorge, Freiburg 2017

woensdag 9 januari 2019


HISTORISCHE MODELLEN VAN DIACONIE

DEEL 1: ROMEINSE TIJD EN VROEGE MIDDELEEUWEN


Voor Diakonie & Parochie schrijf ik een reeks over historische modellen van diaconie. In het december nummer verscheen het eerste deel (2018/04). Dit is een iets uitvoeriger versie.
 
 
Vanaf het begin van het christendom is diaconie een wezenskenmerk van de kerk. Zorg voor mensen in nood behoort evenzeer tot haar identiteit als liturgie, verkondiging en catechese. De wijzen waarop die zorg vorm kreeg, varieerden in de loop der tijd. Ze waren afhankelijk van de heersende denkbeelden over armoede en arbeid in kerk en samenleving, maar ook van de sociaaleconomische en politieke omstandigheden. Zo hadden oorlogen, epidemieën en natuurrampen als overstromingen of droogteperioden hun weerslag op de economie en het aantal armen. In tijden van crises nam het beroep op de armenzorg toe, maar stonden ook de beschikbare middelen onder druk. Dat leidde tot aanpassingen en de ontwikkeling van nieuwe vormen. In een serie artikelen wil ik de geschiedenis van diaconie en christelijke armenzorg beknopt schetsen. Bij elke periode licht ik een karakteristieke vorm van diaconie uit (‘historisch model’).
 

Bijsluiter


Een indeling in perioden en modellen heeft didactische voordelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. De perioden lopen in elkaar over en houden zich niet aan de strakke grens van een jaartal. Dat geldt ook voor de historische modellen. Die gaan vaak als een onderstroom door in een volgende periode. Instellingen voor armenzorg leiden soms een lang leven, waarbij de methoden van hulpverlening wel veranderen. Voor de eerdere perioden zijn minder en beperktere bronnen beschikbaar dan voor latere tijdvakken. En de afstand tussen de toenmalige ideeënwereld en nu is ook groter. We zijn geneigd om die perioden te bekijken door een moderne bril. Gevormd door de 19de eeuwse meesters van de argwaan zien we achter elke daad van naastenliefde economische belangen (Marx) of psychische behoeften (Freud). En we gaan uit van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Kunnen we de verschillende perioden wel op hun eigen waarde schatten of zien we ze slechts als voorstadia tot de huidige laatmoderne samenleving?


  1. Vroege kerk tot einde Romeinse Rijk (-476): de bisschop als vader van de armen.

Het christendom begon als een arme beweging. Petrus vertrok met een aantal vissers van Jerusalem naar Antiochië. Vandaaruit verspreidde het christendom zich verder naar Edessa en uiteindelijk naar Rome. In de tweede eeuw besloten de Romeinse keizers de christenen te gaan vervolgen, omdat ze staatsgevaarlijk werden. In het Romeinse rijk was er ruimte voor andere godsdiensten, zolang men de keizer maar wilde vereren. Dat weigerden de christenen. Juist door de vervolgingen groeide de aanhang. Tertullianus  (gestorven na 220) zei dan ook: “Het bloed van de martelaren is het zaad der kerk.” Maar minstens zo belangrijk voor de groei van het christendom was de zorg voor armen, zieken en vreemdelingen. Dat riep bewondering op bij hun omgeving, aldus diezelfde Tertullianus: “Zie, hoe zij elkaar liefhebben.” Als ideaalbeeld voor de vroege christengemeenschappen gold dan ook de schets uit Hand. 2 en 4.

Het belang van die diaconale zorg bleek ook uit de nauwe verbinding met de eucharistie, het centrum van het christelijke gemeenschapsleven. Dit was een echt liefdesmaal. De gaven die werden meegebracht, werden verdeeld onder de aanwezigen en ook bezorgd bij die behoeftigen die niet aanwezig hadden kunnen zijn. Daarbij was een belangrijke rol weggelegd voor de diakens.
 
 
Liefdesmaaltijd van christenen. Detail van een sarcofaag in de catacomben van Rome.

Aalmoezen


Een andere diaconale praktijk was het geven van aalmoezen. Armen waren daarbij niet louter objecten van liefdadigheid. Door aalmoezen aan te nemen en voor de rijken te bidden, redden de armen de rijken en verschaften hen “een woonrecht in de eeuwige tent” (Clemens van Alexandrië). Hoe hoog een aalmoes moest zijn, was een bron van discussie. Johannes Chrysostomos vond, dat rijken minstens een-derde van hun vermogen hieraan moesten besteden. Maar anderen relativeerden die eis. Een aalmoes moest komen uit de overvloed en de rijken moesten een leven kunnen voeren volgens hun stand.

De situatie van de kerk veranderde toen het christendom erkend werd in de vierde eeuw. Met het edict van Milaan (313) maakte Constantijn een einde aan de christenvervolgingen. Dat had grote gevolgen voor het christendom. De bisschoppen gingen zich kleden als Romeinse senatoren en trokken het purper aan. Ze kwamen ook steeds meer uit de hogere lagen. Bisschop Paulinus van Nola (353-431) was schatrijk.
 

Xenodochia


Die veranderingen leidden tot een identiteitscrisis. De christenen groeiden in aantal, in invloed en in vermogen, maar lazen in de schrift dat hun Heer geen steen had om zijn hoofd op te leggen. Toen de hogere kerkleiding zich ging kleden als senatoren, riep dat de vraag op wie ze dan zijn als navolgers van Christus en hoe ze om moeten gaan met hun vermogen.

Augustinus van Hippo en Paulinus van Nola zochten naar een antwoord. Christenen moesten vooral niet doen wat de Romeinse keizers altijd hadden gedaan. Zij hadden het Colosseum opgericht om het volk spelen te verschaffen en zichzelf vereeuwigd in grote standbeelden. De christenen besloten iets totaal anders met hun vermogen te doen. Voor hen werd de arme hun ideologie. Vanaf de vierde eeuw zien we dan ook vooral in het oosten van het Romeinse Rijk de opbouw van instituties voor de verzorging van zieken, armen en reizigers, met name pelgrims. De behoefte aan dergelijke instellingen groeide in die tijd ook sterk door de opkomst van pelgrimstochten naar het Heilig Land, in navolging van Constantijns moeder Helena. Deze instellingen werden xenodochia genoemd (letterlijk: vreemdenherberg), in het Latijn later vertaald als hospitium of hospitale. Inderdaad is dit de voorloper van ons woord hospitaal. Maar een xenodochium richtte zich niet alleen op zieken. Het was een gasthuis voor iedereen die onderdak behoefde: pelgrims, maar al snel ook armen, ouderen en zieken. Deze instellingen lagen gewoonlijk in de nabijheid van een kerk of het bisschopshuis. Ook als ze door particuliere gelovigen waren gesticht, stonden zij onder bisschoppelijk toezicht. Ze kwamen vooral voor in het Oostromeinse rijk, en drongen pas langzaam door in het westen. Een uitzondering vormde het ziekenhuis voor melaatsen, dat Fabiola, een dochter uit een rijke familie, in 399 in Rome stichtte.

Je kan de oprichting van xenodochia en andere instellingen zien als een van de vernieuwingen van het christendom op het gebied van de armenzorg. De verantwoordelijkheid kwam meer en meer bij de bisschop te liggen als “vader van de armen”. De diakens werden helpers van de bisschop en raakten op de achtergrond. Bij dat alles moet je je bedenken, dat de kerk nog niet georganiseerd was in territoriale parochies. Dat zou pas in de volgende periode gebeuren. De kerk was gecentreerd rond de bisschop.

 
  1. De vroege middeleeuwen (500 – 900): ‘verkloostering’ van de diaconie


Na de val van het Romeinse Rijk en de instroom van Germaanse volken veranderde de samenleving in West-Europa sterk. Steden ontvolkten, de bevolking nam af, grootgrondbezit kwam op. De kerk met haar instellingen en structuur zorgde in deze situatie voor continuïteit. De bisschoppen kwamen vaak voort uit de adel en oefenden meer en meer macht uit, deels gebaseerd op eigen middelen van de kerk, deels verkregen uit schenkingen door de koning.

Tot diep in de zevende eeuw bleef de armenzorg het domein van de bisschop. Talrijke bepalingen van Gallische concilies en synoden wijzen daarop. Zo verlangde het Concilie van Orléans in 511 van de bisschop, dat hij zich ontfermde over de armen en zieken, die niet konden werken. En het Concilie van Tours besloot in 567, dat “elke civitas haar arme en behoeftige inwoners op passende wijze moet voorzien van voedsel, zoals ook de priesters op het platteland hun armen moeten voeden. Daarmee moet het rondtrekken van deze armen door vreemde civitates verhinderd worden.” Op welk gebied dit woord ‘civitas’ precies betrekking heeft (bisdom?, parochie?, stad?, dorp?), is een twistpunt onder geleerden. Maar duidelijk is wel, dat men streefde naar een dekkende zorg, die voorkwam dat armen moesten gaan zwerven om hulp te vinden.

Dat de bisschop nog steeds gold als ‘vader van de armen’ en het bezit van het bisdom ook als armengoed werd gezien, blijkt uit verschillende heiligenlevens van bisschoppen. Het bekendste voorbeeld is dat van de H. Martinus van Tours.

 
In de loop van de tijd werden de Frankische koningen steeds machtiger en gingen zij ook een rol spelen op het gebied van de armenzorg. In de vorstenspiegels werd het doen van werken van barmhartigheid onderdeel van het koninklijke dienstambt. De koning werd beschouwd als ‘beschermer van de armen’. Dat vertaalde zich ook in verschillende rechtsregels rond armenzorg en concrete maatregelen ten gunste van armen in tijden van hongersnood.

 

Instellingen voor armenzorg


De instellingen voor armenzorg in deze periode bouwden voor een deel voort op die uit de vorige periode, en waren voor een ander deel nieuw. Je kan allereerst denken aan de xenodochia. Halverwege de achtste eeuw moeten deze gasthuizen voor armen, pelgrims en zieken zeker in 34 plaatsen in Gallië gestaan hebben. Een deel stond onder bisschoppelijk toezicht en was kerkelijk eigendom, zoals in het oosten. Maar andere xenodochia waren gesticht door koningen, door hun echtgenoten of door hoge edelen en stonden onder leiding van clerici of monniken. Door allerlei factoren verdwenen deze instellingen rond 800.

Een tweede type zijn de matricula. Letterlijk betekent dat: lijst. Al vrij vroeg was in de christelijke armenzorg de gewoonte ontstaan om lijsten van armen op te stellen. Zo kreeg men een goed overzicht van de hulpbehoevenden en kon men onderscheid maken tussen armen, die voor ondersteuning in aanmerking kwamen en degenen, die daarvan moesten worden uitgesloten. De Voedselbank is dus geenszins de eerste instelling, die een gebruikerslijst heeft. In de zesde eeuw stond in Gallië ‘matricula’ voor een instelling, die zorg droeg voor de ondersteuning van een bepaalde groep armen. De middelen daarvoor werden meegebracht door de kerkgangers, kwamen uit grote schenkingen of uit het kerkelijk vermogen. Niet alleen bisschopssteden of pelgrimsoorden hadden een matricula, ook andere steden en grote dorpen. Soms werd met matricula ook het huis aangeduid, waar de armen zich ophielden of zelfs woonden. Vaak lag dit huis bij de ingang van de kerk. Het aantal armen op de lijst of in het huis was beperkt en varieerde tussen de 12 en de 40. De criteria voor opname zijn onduidelijk. In de loop der tijd maakten armen plaats voor kostkopers (proveniers).

Tenslotte hadden sommige steden ook een eigen leprozenhuis buiten de stadsmuren. Melaatsen werden afgezonderd van de rest van de bevolking, om te voorkomen dat anderen zouden worden besmet met deze ziekte. Diaken Adalgisel Grimo uit Verdun bedacht in zijn testament uit 634 onder meer drie leprozenhuizen, waaronder een in Maastricht. Tot in de veertiende eeuw zouden leprozenhuizen de enige gespecialiseerde vorm van ziekenhuis zijn.
 

Kloosters


Eind derde eeuw was in het oosten van het Romeinse rijk het kloosterleven ontstaan. Enkelingen trokken zich in de woestijn terug om daar een leven van vrijwillige armoede en gebed te leven. De kluizenaar Antonius (251-356) was een van de eersten, die zijn bezittingen verkocht en aan de armen gaf. Zij kregen volgelingen en leerlingen, waardoor er kleine gemeenschappen van gelijkgezinden ontstonden. Uit dit individuele ascetendom ontwikkelde zich het georganiseerde kloosterleven. Hiervoor werden regels opgesteld. Pachomius en Basilius deden dat in het oosten, Augustinus en een eeuw later Benedictus in het westen. De kloosters van deze beschouwende orden werden vaak ver van de bewoonde wereld gesticht, waar de monniken een leven volgens een speciale dagindeling konden leiden die helemaal gewijd was aan gebed en beschouwing. Maar al snel trokken zij bezoekers aan: pelgrims en andere reizigers, armen, bedelaars. Daarvoor werden aparte gasthuizen ingericht bij het kloostercomplex. Zo ontstond er een derde model van christelijke armenzorg: naast individuele naastenliefde en caritas vanuit de lokale (bisschops-)kerk ontwikkelde zich een gemeenschappelijk verzorgde armenzorg vanuit de kloosters. Omdat Christus ook ontmoet kon worden in de arme, werd het praktiseren van de werken van barmhartigheid deel van het monnikenleven en kreeg het in twijfelgevallen zelfs voorrang boven het eigen gebedsleven. Daarom neemt in de regel van Benedictus de gastvrijheid, ook voor armen, zo’n belangrijke plaats in. En werden er aparte broeders aangesteld om naast de abt zorg te dragen voor de gasten.

In de missionering van de Franken, Friezen en andere Germaanse volkeren in Noordwest Europa hebben de Ierse monniken een belangrijke rol gespeeld. De Ierse kerk was een monnikenkerk. Ook Willibrord, zelf een Engelsman, was hierdoor gevormd. Op verschillende plaatsen in de huidige Benelux vestigde hij een klooster als steunpunt voor de missionering. Van de abdij in Echternach werd al in 698 vermeld, dat er een gebouw stond waar de monniken zich ontfermden over de pelgrims en waar armen om aalmoezen kwamen vragen.Dat zal bij zijn andere vestigingen, b.v. in St. Odiliënberg, niet anders zijn geweest.

De Karolingische hervorming van 816 verplichtte elk Benedictijnerklooster, maar ook de stichtingen van kanunniken en nonnenkloosters, om een ‘hospitale pauperum’ te hebben, waar gastvrijheid aan de armen kon worden geboden. Dat werd gefundeerd met een verwijzing naar Mt. 25. Hiervoor zou een tiende van alle inkomsten (opbrengst van de oogst, schenkingen en aalmoezen) moeten worden aangewend. Of alle kloosters zich aan deze verplichting hebben gehouden en of zij de arme gasten even welwillend hebben benaderd als de voorname reizigers, valt te betwijfelen, Maar de bronnen wijzen wel uit, dat aan het eind van de negende eeuw de kloosters de dominante actoren waren in de armenzorg. De andere instellingen waren op de achtergrond geraakt.

Het paradoxale van de kloosters is, dat zij voortkwamen uit het streven naar vrijwillige armoede van de individuele monniken, maar dat zij als instelling al snel rijkdommen vergaarden door eigen arbeid op het land en door schenkingen. Je ziet dan een continue golfbeweging optreden van: strenge kloosterregels, gevolgd door verwatering van de oorspronkelijke idealen, waarop een beweging terug naar de bron volgt. De kloosterorde kan dan intern worden vernieuwd (strenge observantie) of er wordt een nieuwe orde gesticht met strengere armoederegels en een hernieuwd toeleggen op de armenzorg als manier om Christus te ontmoeten. In de volgende perioden zullen we de kloosters dan ook nog geregeld tegenkomen.

 

Jan Maasen

 

Literatuurtip (en belangrijke bron voor dit artikel)

Bernhard Schneider, Christliche Armenfürsorge. Von den Anfängen bis zum Ende des Mittelalters, Freiburg, 2017

 

 

 

 

 

dinsdag 12 december 2017

Hervormde diaconie Den Haag bestaat bijna 450 jaar

Voor het tijdschrift 'Diakonie & Parochie' (2017/04) heb ik een recensie geschreven van 'Diaconie. Vijf eeuwen armenzorg in Den Haag'. Vanwege plaatsgebrek is de tekst ingekort. Dit is de oorspronkelijke, grotere versie.

Den Haag is qua inwonertal de derde gemeente van Nederland. Het is ontstaan in de dertiende eeuw, toen de graven van Holland een kasteel bouwden en er al vrij snel rond dit Binnen- en Buitenhof een nederzetting groeide. Vanwege de aanwezigheid van de politieke macht op het hof kreeg het dorp weldra stedelijke proporties. Toch heeft Den Haag nooit stadsrechten gehad. De andere Hollandse steden zagen liever geen machtige concurrent en de graven van Holland en hun opvolgers hadden ook geen behoefte aan een autonoom stadsbestuur: ze wilden het zelf voor het zeggen hebben in hun residentie. Die combinatie van hof en dorp drukte een heel eigen stempel op de geschiedenis van Den Haag. Dat geldt ook voor de kerkelijke armenzorg. Door het ontbreken van stadsmuren was de toeloop van armen hier groter dan elders. Maar de aanwezigheid van het hof (de landsregering) bood ook meer financiële armslag en sociaal kapitaal. Het deze zomer verschenen boek van Jurjen Vis over de geschiedenis van de hervormde diaconie in Den Haag biedt tal van voorbeelden van deze bijzondere situatie. Officieel startte de hervormde gemeente in Den Haag in de zomer van 1572. Waarschijnlijk zijn toen ook de eerste diakenen benoemd, maar van hen is weinig bekend. Een jaar later werd de hervormde religie de enig toegestane godsdienst. In 1574 nam de hervormde kerk haar intrek in de Grote of St. Jacobskerk.

Voorgeschiedenis


De hervormde diaconie startte haar werkzaamheden niet vanuit het niets. Ook voor 1572 was er sprake van kerkelijke armenzorg in Den Haag. Dat heeft Vis ook tot uitdrukking gebracht in de ondertitel van zijn boek: ‘Vijf eeuwen armenzorg in Den Haag’.  Feitelijk gaat hij nog verder terug. Al voor 1300 moet Den Haag Heilige Geestmeesters hebben gehad. Zij bedeelden armen, die in huisjes of kamertjes woonden, die door deze Heilige Geestmeesters waren toegewezen. Daarnaast waren er hofjes, provenhuizen en gasthuizen, speciaal voor armen. En er was een categorie armen, die gewoon thuis woonden. Deze laatste groep werd geholpen door de Huiszittenmeesters. Zowel de Heilige Geestmeesters als de Huiszittenmeesters waren leken, veelal gezeten burgers, die door de burgerlijke overheid waren benoemd. Zij hadden in de parochiekerk hun kapellen, van waaruit zij hun liefdadig werk verrichtten. Inkomsten kwamen uit collecten in de kerk en langs de huizen, uit legaten en uit vermogen. Het was geen geringe taak om Heilige Geestmeester of Huiszittenmeester te zijn. In 1483 waren er 2200 heiligegeestarmen op een bevolking van 5.000 mensen.

Diakenen


Toen in 1572 de protestanten de macht overnamen in Den Haag, bouwden zij bij de inrichting van de kerk voort op besluiten van de synode van Emden. Daarbij speelden de opvattingen van Bucer en  Calvijn over het diakenambt een belangrijke rol. De oudste kerkorde van Den Haag dateert pas uit 1617, maar grijpt bijna letterlijk terug op Emden. Daarin krijgen de diakenen drie taken toegewezen:

  1. het naarstelijk verzamelen van aalmoezen
  2. het getrouwelijk uitdelen van aalmoezen aan de nooddruftigen en
  3. het voorkomen van misbruik van aalmoezen.
Deze aalmoezen werden ingezameld in de ochtend- of middagdienst of na het avondmaal. Het rondgaan met zakjes in de kerk was een nieuw fenomeen. Voordien werd er ook wel gecollecteerd in de kerk, maar was de bijdrage veel meer uit vrije wil. En de collecten van de Heilige Geestmeesters en de Huiszittenmeesters vonden buiten plaats.
Van 1575 tot 1688 hebben de diakenen kantoor gehouden in en bij de Grote Kerk.

Dubbele opdracht


De diakenen hadden niet alleen de zorg voor de arme lidmaten van het eigen kerkgenootschap. In 1575 hief de Staten van Holland de Huiszittenmeesters op en wees de zorg voor de thuiswonende armen toe aan de diakenen “als successeurs van den armen huiszitten”. Daarvoor kreeg men de rente-inkomsten van het oude kapitaal van de Huiszittenmeesters en mocht men enige keren per jaar een openschaalcollecte langs de huizen houden. Dat collecteren gebeurde in duo’s: een diaken en een burger, die door de overheid was aangewezen.

Gedurende de hele zeventiende eeuw heeft de diaconie zowel de eigen lidmaten ondersteund als, veel kariger, niet-lidmaten en niet-hervormden. Den Haag kende meer bedelaars dan andere steden vanwege het ontbreken van stadsmuren en –poorten. Met enige regelmaat wendde de diaconie zich tot de magistraat en de hoge regeringscolleges om financiële steun. Soms kwam die er, vaak ook niet of men kreeg toestemming voor een extra collecte. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw nemen de geluiden toe om de hulp aan ‘papisten’ te verminderen, of zelfs te staken. Dat gebeurde soms tijdelijk.

Vanaf 1768 hebben de hervormde diaconie en de stedelijke overheid onderhandeld om tot een definitieve scheiding van diaconiearmen en thuiswonende armen te komen. Dat heeft tot een regeling geleid, waarbij een aantal buitenarmen werden geplaatst in het diaconiehuis (zie onder).

Advocaat-diaken


Eeuwenlang stond het diakenambt beneden het ouderlingenambt. Ouderlingen waren haast altijd aanzienlijke burgers, diakenen kwamen uit een iets lagere sociale laag. Wel moesten zij in staat zijn om enige dagen per week dit vrijwilligerswerk te kunnen doen. Soms werden diakenen later ook ouderling, de omgekeerde weg is in Den Haag nooit voorgekomen.

Er was één uitzondering op dit sociale verschil, en dat was ook iets typisch Haags. Van ongeveer 1600 tot 1938 kende de diaconie de advocaat-diaken. Hij had de leiding van de diaconie, voerde juridische processen namens de diaconie en notuleerde. De diaconie was al snel bij zoveel processen rond de afwikkeling van legaten en juridische kwestie met de overheid betrokken, dat een eigen advocaat veel kosten bespaarde. Hij kwam meestal uit een gegoede familie en had rechten gestudeerd in Leiden.

Diaconie Oude Vrouwen en Kinderhuis


In de jaren 1654-1656 heerste er een pestepidemie in Holland. Dat leidde tot een toevloed van bedelaars en een groot aantal weeskinderen. Weeskinderen werden tot dan vooral uitbesteed in gezinnen. Het burgerweeshuis had ook onvoldoende capaciteit. Om op de kosten te besparen werd een pand aangekocht, waarin de weeskinderen konden worden gehuisvest en oude vrouwen, die tevens konden helpen bij het toezicht over de weesmeisjes en het leren naaien en spinnen. Het complex werd in de loop der tijd geregeld verbouwd en uitgebreid.
 

Diaconale wijk


Den Haag groeide in de negentiende eeuw sterk. Dat leidde tot veel nieuwbouwactiviteiten. Ook de hervormde diaconie heeft daaraan bijgedragen. Buiten de singels ontstond een heel complex voor arme en minvermogende bestedelingen van de diaconie: 132 armenwoningen, drie diaconiescholen, het Oude Mannen en Vrouwenhuis, een bakkerij, een nieuw weeshuis, de Armenkerk en de Van Doeverenstichting, een tehuis voor echtparen.

Afzien van overheidssubsidie


Een rode draad in het boek van Vis is de verhouding tussen de kerkelijke armenzorg en de overheid. Soms wordt er innig samengewerkt, dan weer leven er grote spanningen. Een opmerkelijke wending deed zich voor in 1854, toen de nieuwe Armenwet in werking trad. De gemeente verminderde haar subsidie in die jaren, maar wilde wel meer toezicht uitoefenen. De hervormde diaconie weigerde daarop op principiële gronden nog langer geld aan te nemen van de overheid. Dat viel goed binnen de hervormde gemeente: de bereidheid om te geven nam toe en binnen enige jaren waren de inkomsten zonder gemeentesubsidie weer op peil.
Overigens zou in de twintigste eeuw de samenwerking met de overheid weer toenemen, zeker bij de uitbouw van de zorg voor wezen en bejaarden.

Gevolgen van conflicten


‘Diaconie’ geeft een mooi beeld van de geschiedenis van de Haagse hervormde diaconie. Interessant zijn de beschrijvingen van het optreden van de diaconie in conflictsituaties. Vis beschrijft zowel kerkelijke conflicten (b.v. bij de strijd tussen Johannieten en Jeronimieten in de zestiende eeuw of tussen de aanhangers van Arminius en Gomarus in begin zeventiende eeuw) als politieke twisten (tussen patriotten en Oranje-aanhangers aan het eind van de achttiende eeuw of de Tweede Wereldoorlog). Deze conflicten leidden tot verminderde opbrengst van de collecten en tweespalt in het college van diakenen, dat soms wordt opgelost door zuiveringen. Wat mij verbaast is, dat met geen woord wordt gerept van de kerkscheuringen in de hervormde kerk in de negentiende eeuw (de Afscheiding van 1834 en de doleantie onder leiding van Abraham Kuyper vanaf 1886, waaruit de Gereformeerde Kerken zijn voortgekomen). Hebben die geen gevolgen gehad voor het functioneren van de diaconie in Den Haag? Nu worden de gereformeerden pas genoemd bij het optreden van de crisiscomités in de jaren dertig. En worden er enige stekelige opmerkingen geplaatst over de verhoudingen tussen hervormden en gereformeerden tijdens de fusiebesprekingen in het kader van Samen op weg. (p. 430)

Het boek is vooral een instellingsgeschiedenis met veel oog voor organisatie, financiën en bestuurders en nauwelijks voor de bedeelden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het bronnenmateriaal dat nog aanwezig is of juist ontbreekt. Het boek pretendeert niet alleen de geschiedenis van de hervormde diaconie te schetsen, maar ook bredere inkijkjes te geven in de geschiedenis van de hervormden in Den Haag of de kerkelijke armenzorg in zijn algemeenheid. Af en toe wordt ingegaan op de katholieke armenzorg, maar dat is slechts spaarzaam. Het boek, dat een paar jaar geleden verscheen bij gelegenheid van het 250-jarig bestaan van het RKWO (zie D&P 2014/4) ontbreekt in de literatuurlijst. Het lijkt mij geen toeval, dat de gemeentelijke overheid vanaf 1768 in gesprek gaat met de diaconie over een regeling van de zorg voor de armen. Sinds een paar jaar konden de katholieken ook officieel hun armenzorg regelen en hadden zij een weeshuis opgericht. En als Vis opmerkt, dat de Hervormde Kerk in 1853 het enige kerkgenootschap was met een vast reglement voor haar armbesturen, klopt dat op dat moment, maar twee jaar later had ook de RK. Kerk haar eigen reglement voor armbesturen.

Jurjen Vis, Diaconie. Vijf eeuwen armenzorg in Den Haag, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017

 

maandag 31 juli 2017

Is de hut van Columba gevonden?


Half juli stonden de Britse media vol met berichten over de mogelijke vondst van de hut van Columba. Een kleine greep: ‘Wetenschappers leggen Columba’s cel op Iona bloot’ (BBC News), ‘Een van de belangrijkste gebouwen in de geschiedenis van het christendom ontdekt buiten de Schotse kust’(Independent), ‘Fragmenten die 55 jaar in een garage zijn achtergelaten blijken van Columba’s cel op Iona te zijn’ (Times), ‘Archeologen ontdekken, dat een houten hut die wordt geassocieerd met de heilige Columba dateert uit de tijd waarin hij geleefd heeft’ (The Telegraph). Aanleiding voor deze berichtenstroom was een persbericht van de University of Glasgow op dinsdag 11 juli. Die week vond in Glasgow een internationale conferentie plaats over de vroege middeleeuwen op de Britse eilanden. Een van de hoofdinleiders was Adrián Maldonado, medewerker van de University of Glasgow. Met andere wetenschappers van deze universiteit maakt hij deel uit van de Iona Research Group, die sinds 2012 gezamenlijk vanuit verschillende disciplines onderzoek doen naar de geschiedenis van Iona. Een belangrijk onderdeel daarvan is om de resultaten van vroegere opgravingen opnieuw onder de loep te nemen. Lang niet alle resultaten zijn gepubliceerd en nieuwe onderzoekstechnieken kunnen nieuw licht werpen. Dat is ook het geval met de hut van Columba. De inleiding die Maldonado op de conferentie heeft gehouden, zal later gepubliceerd worden. Maar hij heeft een mooi verhaal geschreven over het onderzoek tot nu toe, dat leest als een detective. Ik maak hiervan dankbaar gebruik in deze blog, aangevuld met enkele andere bronnen.


Columba’s hut

Een van de belangrijkste bronnen voor het leven van Columba is het heiligenleven, dat Adomnan ongeveer een eeuw na Columba's dood heeft geschreven. Adomnan was zelf abt van het klooster, dat Columba had gesticht en kwam uit dezelfde familie. Alle kans, dat hij nog betrouwbare kennis had uit mondelinge overlevering.
In zijn heiligenleven heeft Adomnan het geregeld over de onderkomens van Columba. Hij gebruikt daarvoor twee woorden: 'tegoriolum' en ‘hospitiolum’. Het eerste was gebouwd ‘op een hogere plaats’ en werd door Columba gebruikt als zijn schrijfhut. Het andere onderkomen was zijn slaapcel, waarin zich een stenen bed bevond. Meer dan eens schrijft Adomnan, dat als Columba aan het schrijven was, hij geschreeuw vanaf Mull kon horen en dat hij uitkeek op de rotsen.  
Adomnan beschrijft Iona ook als een landschap om te pelgrimeren. De plekken op Iona waar belangrijke gebeurtenissen in Columba’s leven zich hebben afgespeeld, zijn gemarkeerd met kruisen en op zijn graf is de steen geplaatst, die hij als kussen gebruikte.
Er is een plek op Iona, die voldoet aan de beschrijving van Adomnan. Dat is de steenklomp tussen de straat en de huidige Abbey, die niet toevallig ‘Torr an Aba’ heet, ‘de heuvel van de abt’. 

Torr an Aba is de steenklomp uiterst links met net 
daarachter net nog zichtbaar de Community shop.


Onderzoek in de jaren vijftig

In de jaren vijftig ging een team van archeologen onder leiding van Charles Thomas op zoek naar overblijfselen van het oorspronkelijke klooster van Columba en andere bouwsels. Een van de eerste plekken die zij onderzochten was Torr an Aba. Martin Martin, een vroegere bezoeker van Iona, had in 1695 deze plek beschreven als ‘Dum Ni Manich’, dat wil zeggen ‘het fort van de monnik’. Het bastion zou gebouwd zijn van steen en kalk. En nog tot aan het eind van de negentiende eeuw hadden mensen melding gemaakt van een voetstuk van een kruis op de steenhoop.

Bij de eerste opgravingen in de zomer van 1956 vond het team dit voetstuk en ontdekte dat dit stond bovenop een vroeger bouwwerk. Een jaar later onderzochten zij dit nader en vonden de verbrande restanten van een hut van hout en leem. Deze restanten waren zorgvuldig begraven onder een laag kiezelstenen, waar bovenop het voetstuk van het kruis was geplaatst. Thomas en zijn medewerkers vroegen zich af, of zij de hut van Columba hadden gevonden en overlegden ook met andere deskundigen. Met de middelen van toen kon geen verder bewijs worden vergaard. Tegenwoordig zou men de verbrande houtdelen dateren met de C14-methode, maar die stond toen nog in de kinderschoenen. Wel hebben de onderzoekers enige monsters genomen. Om verschillende redenen is Charles Thomas er nooit toe gekomen om de resultaten van deze opgravingen te publiceren. Wel hebben twee leden van zijn team hun bevindingen in 1988 gepubliceerd, maar tegen die tijd waren de monsters verloren geraakt. Elizabeth Burley en Peter Fowler beargumenteerden uitvoerig, waarom dit volgens hen wel eens de hut van Columba zou kunnen zijn geweest. Daarvoor wezen zij niet alleen naar de teksten van Adomnan, maar ook naar de zorgvuldige manier waarop de verbrande resten van de hut waren bedekt met kiezelstenen en zo veranderd in een monument, waarop dan ook nog eens een kruis was geplaatst. Maar andere deskundigen betwistten deze interpretatie. Men dacht dat men nooit meer zekerheid zou krijgen.

Glasgow Iona Research Group


Medewerkers van verschillende afdelingen van de University of Glasgow hielden zich vanuit hun eigen discipline bezig met de geschiedenis van Iona. Denk b.v. aan archeologen, historici en taalkundigen. In 2012 vormden zij de Glasgow Iona Research Group, die sinds kort ook een eigen website heeft. Verschillende leden deden mee aan de Iona Research Conference, die in april 2012 op Iona werd georganiseerd door Historic Scotland en de Iona Community.
Katherine Forsyth en Adrián Maldonado speelden een belangrijke rol bij de nieuwe opstelling van de gegraveerde stenen in het museum bij de Abbey. En Ewan Campbell ging onderzoek doen naar de ongepubliceerde gegevens van Charles Thomas.

Monsters teruggevonden


Ze legden contact met Thomas, die al jaren gepensioneerd was en nu in Truro (Cornwall) woonde. Hij had allerlei aantekeningen, onderzoeksgegevens en materialen in dozen in zijn garage staan en stemde toe om zijn Iona archief over te dragen aan Historic Environmental Scotland. Maldonado en Campbell hebben alle aantekeningen, schetsen en foto’s doorgenomen en op basis daarvan een nieuw onderzoeksrapport gemaakt. Tot hun grote verrassing ontdekten ze ook enige plastic zakjes met houtskool, waarvan sommige het label ‘gleuf 10’ droegen. Dat was de gleuf die gegraven was op Torr an Aba.

Het bewuste monster

Het houtskool is door een gespecialiseerd laboratorium onderzocht. Twee monsters van verbrande hazelaar uit de hut dateren tussen 540 en 650 na Christus. Dat is de periode waarin Columba (521 – 593) geleefd heeft. En omdat de plek later gemarkeerd is met een kruis, moet het haast wel de hut van Columba zijn geweest. Archeologen kunnen nauwelijks dichter bij de waarheid komen. Helaas heeft Charles Thomas deze bevestiging niet meer meegemaakt. Hij stierf in 2016. In totaal zijn er tien monsters gevonden, afkomstig uit verschillende onderzoeksgleuven. Zij dateren alle tussen 500 en 1100 na Christus. Ik ben benieuwd wat die nog aan kennis opleveren.

Onderzoeksproject

Het onderzoek naar de hut van Columba is maar een van de onderdelen van het onderzoeksproject. Andere onderwerpen zijn:

  • het oorspronkelijke klooster dat Columba gesticht heeft
  • de ontwikkeling van het oorspronkelijke klooster naar een pelgrimsoord
  • de problemen en mogelijkheden die het overgeleverde historische materiaal en de plaatsnamen met zich meebrengen
  • het belang om terug te gaan naar de archieven en museumcollecties
  • de opgravingen van Charles Thomas.
Maldonado en Campbell waren eind mei nog op Iona en hebben daar enige gleuven die Thomas had gegraven opnieuw open gemaakt en onderzocht. Van Peter MacDonald, die op dat moment op Iona was, heb ik gehoord, dat men onder meer enige funderingen van een stenen gebouw heeft gevonden die ouder zijn dan de huidige Abbey. Charles Thomas wist indertijd niet wat hij met deze funderingen aan moest. Nu vermoedt men, dat ze wel eens de restanten zouden kunnen zijn van een kerkje, dat de heilige koningin Margaret van Schotland in de elfde eeuw heeft laten bouwen. Ik heb deze vermoedens nog niet gepubliceerd gezien.

Iona als pelgrimsoord


In de bespreking van de opgravingen op Torr an Aba in Church Times gaat Peter Keys wel in op een ander aspect van het onderzoek, de ontwikkeling van Iona als pelgrimsoord. Maldonado en Campbell zouden ook hebben ontdekt, dat de middeleeuwse pelgrimsweg op Iona ( de zogenaamde Street of the Dead) al in de achtste of negende eeuw zou zijn aangelegd, honderden jaren eerder dan tot nu toe werd aangenomen. Dit zou dan een van de oudste christelijke pelgrimswegen ter wereld zijn. De beide archeologen onderzoeken zelfs de mogelijkheid, dat deze weg losjes is gemodelleerd naar een pelgrimsweg in Jeruzalem, die later is geëvolueerd in de Via Dolorosa. Dit idee van Iona als een heilig landschap, was ook al naar voren gekomen tijdens een week op Iona over Columba en de vroege kerk, die ik in 2014 heb gevolgd. Vanuit een hevig verlangen naar het hemels Jeruzalem zouden de monniken Jeruzalem hebben nagebouwd, zodat zij liturgisch de weg van Jezus konden navolgen. Langs de Street of the Dead waren ook drie kruizen vlak bij elkaar geplaatst (Golgotha) en de weg eindigde bij het graf van Columba/de tempel.

Afsluiting


Rosemary Power gaf een droog commentaar op Facebook: “Niets nieuws onder de zon. George MacLeod vertelde altijd al, dat Columba op Torr an Aba in zijn schrijfhut zat.” Dat kan MacLeod gebaseerd hebben op Adomnan’s heiligenleven en op gesprekken met Charles Thomas, want die zullen er ongetwijfeld zijn geweest. Tegelijk vind ik het fascinerend, dat nu ook via de C14-methode aanwijzingen zijn, dat in Columba’s tijd een hut gestaan heeft op deze steenhoop.


Jan Maasen

woensdag 26 juli 2017

Romaria da Terra 1


I.                   Pelgrimeren met een missie


 
Onlangs verscheen het eerste Camino Cahier met als titel ‘Onderweg met een missie’.  Daarin zijn de teksten opgenomen van een studiedag, die de Camino Academie op 24 november 2016 heeft georganiseerd. Aanleiding voor deze studiedag was de constatering, dat individuele tochten en pelgrimages, in het bijzonder de Camino naar Santiago, steeds meer verbonden worden met een doel en het inzamelen van geld daarvoor. Vaak gaat het om de bestrijding van ziekten, maar ook wordt er geld opgehaald voor derde wereld projecten. De pelgrimage wordt zo een sponsorloop. De auteurs benaderen dit verschijnsel vanuit verschillende invalshoeken en aan de hand van verschillende voorbeelden uit de praktijk. Binnenkort wil ik veel uitvoeriger bij dit cahier stil staan. Nu pak ik één element er uit.

Twee typen


Paul Post brengt in zijn bijdrage het veld in kaart. Hij maakt daarbij een onderscheid in twee typen: op weg gaan voor een materieel goed doel, waarbij je kan denken aan het geld inzamelen voor ziekten, projecten in Oost-Europa of de derde wereld, ziekenhuizen, armoedebestrijding e.d. En tochten, waarbij het doel ideëel van aard is. Dan gaat het om “vrede, gerechtigheid, natuurbehoud, bezinning met religieuze of spirituele dimensies, harmonie en eenheid, rechtvaardigheid voor armen, of Europese eenheid, of expliciet religieuze missies.” (p. 14)
 

Hybride vormen


De onderscheiding is niet waterdicht. Er zijn hybride vormen. Ik denk dan b.v. aan de Pelgrimstocht Vastenactie, die opvallend genoeg ontbreekt in Post’s opsomming van allerlei initiatieven uit 2016 (p. 11-12). Toen de Vastenactie in 2011 met deze activiteit begon, stond het materieel goede doel voorop. De intentie was een tweede inkomstenbron voor de Vastenactie te ontwikkelen naast de fondsenwervende acties in de parochies. Het succes van Alpe d’Huzes was het wenkende voorbeeld. Een miljoenenopbrengst was wellicht te ambitieus, maar meerdere tonnen moest toch haalbaar zijn, was de aanvankelijke gedachte. Het is anders gelopen. Het primaire doel van de Pelgrimstocht Vastenactie is tegenwoordig een ideële missie (inhoudelijke aandacht voor het Vastenactieproject en spirituele bezinning voor de deelnemers). Aan de deelnemers wordt nog steeds gevraagd om zich individueel te laten sponsoren, maar de totale opbrengst bedraagt niet meer dan 10.000 euro. Het Camino Cahier geeft een aantal inzichten, die deze ontwikkeling helpt verklaren. Maar die komen t.z.t. bij de bespreking van het Cahier wel aan de orde.

Nieuwe ontwikkeling?


Met het pelgrimeren voor een goed doel heb ik minder ervaring, behoudens dan twee pelgrimstochten van de Vastenactie (in 2012 en 2016), met pelgrimeren met een missie des te meer. Post wekt de indruk, dat de opkomst van tochten met een missie van recente datum is, hoewel hij wel refereert aan oudere tradities als protestmarsen, symbolische marsen, stille tochten en ommegangen, en de Pax Christi Voettochten.

Die voettochten komen ook niet uit de lucht vallen. Zeker in de eerste tien jaar van haar bestaan was de gezamenlijke bedevaart kern van de activiteiten van Pax Christi en vonden internationale congressen altijd plaats in een Mariabedevaartsoord. Gied ten Berge noemt in zijn bijdrage in het Cahier ook de tochten met het Aachener vredeskruis en de Frans-Duitse verzoeningsbedevaart naar Lourdes. (p. 23) Heel belangrijk zijn in dit verband ook de zogenaamde ‘gebedskruistochten voor de vrede’ die net na Tweede Wereldoorlog in Frankrijk werden gehouden en waarin de prille Pax Christibeweging een belangrijke rol vervulde. Hoe nieuw wil je het pelgrimeren met een missie hebben?
 
  

Mensen met een Missie


Ik bleef ook haken bij een zinnetje in de eerste schets van het fenomeen. “De organisatie Mensen met een Missie toont op haar site allerlei tochten, soms pelgrimages genoemd, voor vrede en gerechtigheid.” (p. 12) Het gaat dan in het bijzonder om het verslag van Marije Douma over een pelgrimage tegen onrechtvaardige behandeling van indianen in Mexico.

Misschien reageer ik wat overgevoelig, maar zouden die tochten voor vrede en gerechtigheid niet gewoon pelgrimages met een missie kunnen zijn? Dat is geen nieuw verschijnsel. In Brazilië bestaat de ‘Romaria da terra’, de grondbedevaart, al bijna veertig jaar. Ik was het bijna vergeten, maar in 1990 heb ik in mijn eerste periode als missiesecretaris van het bisdom Rotterdam (1984-1993) tijdens een reis door Brazilië zelf deel genomen aan een dergelijke tocht. Een verslag daarvan is later gepubliceerd in een boekje van de NMR. Ter illustratie sluit ik dit blog hiermee af. In een tweede deel zal ik nog wat commentaar bij het verschijnsel van de grondbedevaart geven.

 

II.                Beweging van mensen zonder land


 
 
Op zondag 22 juli 1990 vindt in Promissao de eerste Romaria da Terra van de deelstaat Sao Paulo plaats, georganiseerd door de Commissie voor het Grondpastoraat (CPT). Elders in Brazilië kent deze organisatie al langer de traditie om rond de Dag van de Landarbeider (25 juli) een grondbedevaart te organiseren. In het voorbereidingsboekje wordt daarover gezegd: “Een bedevaart is een tocht die het volk maakt naar een heilige plaats: een berg, een heiligdom, een grot…; plaatsen die zeer betekenisvol zijn voor het volk. Daar voelen zij een speciale aanwezigheid van God en ontvangen zij een nieuwe kracht voor het leven. Het volk vernieuwt er zijn belofte.”

Deze bedevaart gaat naar Promissao. Voor iedereen die actief is in de beweging van landlozen in Sao Paulo is dit stadje vol betekenissen. Het ligt in het bisdom Lins, dat de meeste grondconflicten, aanslagen en landbezettingen van de staat Sao Paulo kent. Maar in Promissao heeft zich ook een van de grootste succesvolle landonteigeningen van Brazilië (17.000 ha) voltrokken. En daarnaast is ok dat andere grote landbouwprobleem van Sao Paulo aanwezig: het werk in de suikerrietplantages. Het thema van de bedevaart is: “Grond, moeder van allen”.
 

Dezelfde medaille

Door een misverstand kom ik pas om half tien aan. Daardoor mis ik de openingsbijeenkomst op het plaatselijke voetbalveld. De stoet heeft zich al in beweging gezet. Ik sluit me snel aan bij de achterhoede.

Ruin vijftienduizend mensen lopen mee, afkomstig uit alle delen van Sao Paulo. Veel jonge mensen, maar ook ouderen, gekromd en verweerd door het harde werken op het land. Ik zie om me heen allerlei spandoeken met teksten. Sommige geven de plaats van herkomst aan. Andere bevatten politieke leuzen, waarin gevraagd wordt om echte landhervormingen. De mooiste tekst haakt in op het thema van de bedevaart. Door de vraag te stellen: “Volk: wees tot wanneer?” Ook zie ik een enkele vlag van de PT, de partij van Lula, en zorgt een geluidswagen van het Syndicat de Metallurgicos uit Campinas voor de versterking van de veelal religieuze strijdliederen. Tot de toppers behoort een lied, dat speciaal voor deze gelegenheid is geschreven op een melodie van een bekend lied uit de basisgemeenschappen. Spandoeken, vlaggen, liederen, ze geven mij het gevoel eerder deel te nemen aan een protestdemonstratie dan aan een bidtocht. Het unieke van deze Romaria is, dat protest en gebed, politiek en religie geen gescheiden zaken zijn, maar twee kanten van dezelfde medaille.

In diskrediet


De stoet loopt van het stadje naar het terrein van een landbouwschool, in de buurt van een landbezetting, zo’n tien kilometer verderop. Pater José Jansen, een Nederlander die veel met landbezetters werkt, vertelt mij onderweg dat in Promissao enige jaren geleden 17.000 hectare is onteigend krachtens de wet op de landhervorming. Ruim 750 families hebben een stuk grond toegewezen gekregen van 18 ha elk, ruimschoots genoeg om van te leven. Deze grond is toegewezen via de burgemeesters van een aantal steden en dorpen, en soms terechtgekomen bij mensen die er nauwelijks op voorbereid waren, en vaak ook als beloning voor bewezen diensten bij een verkiezingscampagne. De kolonisatie verloopt daarom niet al te succesvol. Jansen heeft de indruk, dat de gevolgde procedure dit ook minstens gedeeltelijk op het oog had, om de landhervormingen en de Sem terra-beweging in diskrediet te brengen.

Onderweg spreek ik ook met een priester uit Campinas, die veel werkt met kerkelijke basisgemeenschappen. Hij ziet in de Romaria een belangrijke mogelijkheid om stad en platteland bij elkaar te brengen. Veel stedelingen hebben nog een mentaliteit, die sterk met de grond verbonden is. Via de Romaria worden de bewegingen van landloze boeren met elkaar verbonden. Hij ziet als belangrijkste bijdrage van de bevrijdingstheologie en de basisgemeenschappen, dat geloof en leven weer met elkaar verbonden zijn. De Braziliaan is een religieus iemand, maar de traditionele kerk had het geloof nooit verbonden met leven, de strijd om grond, de strijd om te overleven. Dat waren altijd gescheiden zaken. Pas met de bevrijdingstheologie is het geloof sterk op het gewone leven betrokken en is de kerk ook actief geraakt in de strijd.
 


Verbondenheid


Tegen enen komen we aan op het terrein, waar de Romaria afgesloten wordt. Rondom staan allerlei kramen, waar voedsel en drank verkocht worden door diverse groepen. Slechts één kraampje verkoopt informatiemateriaal en T-shirts van de Commissie voor het Grondpastoraat. De eerste anderhalf uur is er een ‘vrije tribune’: iedereen die dat wil, mag het volk toespreken of iets spelen of zingen. Van die mogelijkheid wordt druk gebruik gemaakt. Op het veld heerst een plezierige stemming. Al rondlopend kom ik een aantal mensen tegen, die ik de week ervoor ontmoet heb in verschillende landbezettingsprojecten. De Romaria is duidelijk een verzamelplek voor eenieder, die actief is in de beweging van mensen zonder land.

Om drie uur vindt de slotviering plaats. Naast de geluidswagen is een platte vrachtwagen opgesteld, waarop enige tafels als altaar staan. Kardinaal Arns, vier bisschoppen en een menigte priesters gaan in de viering voor. Sommigen zijn onmiskenbaar actief in de commissie. Een jonge man draagt een brede, rode stola met daarop het embleem van de ebweging van mensen zonder land. De eucharistieviering heeft een levendig karakter met veel gezang, geklap en gezwaai van armen. Kardinaal Arns maakt van de preek een gezamenlijk gebeuren door telkens na ene kort stuk een zin te laten herhalen door het volk. Tijdens de offerande wordt eerst een doek met een kaart van Sao Paulo getoond, met daarop alle landbezettingen en kolonisaties. Daarna komen mensen met de vruchten van het land naar het altaar. In deze viering ervaar ik een duidelijke verbondenheid tussen de strijd om te overleven en het geloof in Jezus als bevrijder. Het verbond tussen God en de mensen wordt hier vernieuwd. Er is toekomst, tegen alle geweld en onderdrukking in.

 
Tekst deel II uit: Als iemand zich verzet. Den Bosch, mei 1992, p. 10 -13